Penningmeester

1985-03-22
  • Jaargang 29
  • nummer 12
Over enkele diensten in de kerk hebben we 't onlangs gehad: de organist, de koster en de preekvoorziener. Niet over de predikanten, want zij delen reeds volop in de publiciteit, maar over hen die jarenlang dienst doen zonder op te vallen. Nu is de beurt aan de penningmeester.
Hier in Maassluis was dat sedert de vrijmaking J. Vonk en nu, veertig jaar later, heeft hij ontslag gevraagd, zijn leeftijd in aanmerking nemende Vonks grootvader was hier predikant van de Chr. Afgescheidene gemeente, van 1884-1920 (de vereniging met de dolerenden kreeg pas haar beslag in 1924). Zo is er dus in die familie een sterke traditie van dienst aan de kerk, hier ter plekke. Misschien zoude penningmeester met Mozes kunnen zeggen, dat hij 40 jaar verdriet van zijn functie heeft gehad. Het is geen sinecure; dat weten alle kerkelijke boekhouders. Gelukkig hebben de kerken over 't algemeen gesproken, het ergste achter de rug. Mag ik uit eigen ervaring spreken? Voorheen kreeg je het salaris (bij predikanten vaak ook “tractement"
genoemd) niet via de postgiro of de bank, nee, de penningmeester kwam eens in de maand het geld brengen. Indertijd kregen ook de hoofden van scholen het salaris in baar geld van hun penningmeester; maar rechtstreeks betalen, dat komt, denk ik, nu alleen nog maar voor in de vee- en in de autohandel. Ik zag dan onze penningmeester komen en ik riep naar mijn vrouw “de boekhouder komt eraan hij kijkt nogal blij”. De broeder zei daarna, in de gang al: “Het is me toch weer gelukt, ik heb er wel wat potjes voor moeten aanspreken, zending en bouwfonds, maar zo kon ik er komen en dan zie we volgende maand maar weer”. Dit speelde zich af in de jaren waarin kerken bouwplannen hadden óf in tweespalt verkeerden óf beide nare omstandigheden tegelijkertijd hadden. In diezelfde dagen gebeurde het dat “broeders kerkvisitatoren” een kerkenraad bezochten. Dat was vroeger zoiets als een inspectie namens de classis, de kerken in de regio. Kerkvisitatoren vroegen, zoals gebruikelijk bij het onderzoek, of de predikant zonder zorgen van het Evangelie kon leven. De betrokkene, die met een talrijk kroost gezegend was, antwoordde dat hij en z'n vrouw dikwijls bepaald mochten worden bij de waarheid die onze catechismus belijdt, namelijk dat catechismus belijdt, namelijk dat we de schuld nog dagelijks meerder maken. Maar, zoals gezegd, die tijden zijn verleden, geloof ik. Nu wordt er hier en daar wel eens gediscussieerd over de vraag of de ouderlingen niet moeten weten wat de broeders en zusters in hun wijk als vrijwillige bijdragen geven. Vroeger had je van die wijkboekjes, waarin de hoogte – of laagte – van de kerkelijke bijdragen genoteerd kon worden. Er zijn penningmeesters die van mening zijn, dat als iemand een bedrag als bijdrage voor de kerk toezegt, dit als een vertrouwelijke mededeling beschouwd moet worden, zodat zij niet het recht hebben, zulke gegevens naar de kerkenraad door te sluizen. Ik denk dat die penningmeesters gelijk hebben. In ieder geval is het voor ons, als predikanten, het beste dat wij er geen notie van hebben wie hoeveel geeft of hoe weinig.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief