Literatuur en ethiek, een kwestie van normen
1985-03-22
Er bereiken mij wel eens klachten over het feit dat er in Opbouw te moeilijk' geschreven wordt. Ik hoop dat ik mij daaraan niet schuldig maak, maar ik hoop tegelijk dat er niet gezegd zal worden dat ik maar een eind weg babbel, al denk ik zelf wel eens dat ik dat risico loop. In elk geval, ik ga nu geen ingewikkelde definities geven van wat precies literatuur is en evenmin zoek ik een wetenschappelijk volkomen verantwoorde omschrijving van het begrip ethiek.- Jaargang 29
- nummer 12
Literatuur is voor mij: taalkunst. En kunst hangt samen met het woord “kunnen"; dat houdt in dat een schrijver bekwaamheid moet hebben en dat een werk kwaliteiten moet bevatten, als we het tot de literatuur willen rekenen. Ik heb dat wel eens eerder geschreven, maar herhaling kan geen kwaad, hebben ze me gezegd. Dan herhaat ik ook nog maar even de bestrijding van een oud en nog steeds algemeen verbreid misverstand: Kunst hoeft niet "mooi" te zijn! Een schilderij, een beeld, een verhaal of gedicht, het hoeft niet prettige gevoelens op te roepen, het kan ook schokken, afschuw oproepen, en dan is het beslist niet "mooi", maar het kan wel kunst zijn. Ethiek is de leer van het goede: wat is verantwoord tegenover ons geweten, tegenover onze medemens, en vooral tegenover God. , Professor J. Douma schrijft (in: Verantwoord handelen): ethiek is de bezinning op het verantwoord handelen van de mens jegens God en zijn naaste. Het gaat dus 'vooral om handelen, om wat wij dóen.
Normbesef
Bij ons op school krijgen de leerlingen een boekje waar precies in staat hoe 'de rapportcijfers.
vastgesteld worden en welke cijfers ze moeten hebben om naar een hogere klas bevorderd te worden. Dat boekje heet "Normbesef": ze kunnen daar precies in vinden welke "normen" er gehanteerd worden bij de overgang. Ik ben niet zo gelukkig met die titel, want ik vind dat daarmee de betekenis van wat écht normbesef is, wordt verzwakt.
Toch zou het erg handig zijn, als we voor de problemen in het leven ook zo'n boekje hadden waar precies in stond welke normen we moeten hanteren. Het heeft er wel eens op geleken dat er echt zo'n boekje bestond. Het was wat moeilijk altijd "voldoendes" te halen, maar het stond toch wel aardig vast wat de normen, de regels, waren: op zondag niet spelen, niet schaatsen, niet fietsen, niet reizen. Ook verder leek het christen, zijn vooral bepaald te worden door wat niet mocht; en vooral jonge mensen hadden het daar nogal eens moeilijk mee: niet dansen, niet toneelspelen hoogstens een "samenspraak" houden), niet naar de bioscoop, niet gemengd zwemmen, niet kaarten. Misschien is er wel een lezer die daar nu een beetje vertederd om glimlacht. Maar we kunnen ook ánders reageren op een bepaald normbesef in vroegere tijden. Ik denk aan het verhaal over. die dominee op een Gronings dorp die vroeg: "Willen de broeders ouderlingen een sigaar opsteken en hebben de broeders diakenen hun pijp meegenomen?"
Voor wie het niet begrijpt: ouderlingen, dat waren boeren en andere
notabelen, die rookten sigaren, en arbeiders rookten een pijp, (dat was goedkoper) arbeiders konden hoogstens (!) diaken worden. Normen verschuiven. Soms betreuren we dat, maar soms moeten we dat ook toejuichen; uit de voorbeelden zal dat wel duidelijk zijn. Telkens opnieuw vragen we ons af: wat is goed, wat is verkeerd? En de kernvraag is: waar halen we onze normen vandaan? Tegelijk moeten we oppassen voor het gevaar dat we, net als bij dat boekje voor de leerlingen, er een rekensommetje van maken. Als we over "normen" spreken, moeten we wel weten wat we ermee bedoelen. De normen die ik hanteer als ik mij afvraag, of een gedicht literair geslaagd is, zijn van heel andere aard dan de normen die ik gebruik als ik over de gedachten in een werk ga oordelen.
Ook literatuur hoort tot het terrein van de ethiek
Wie een boek schrijft én wie een boek leest, allebeide doen ze wat. Ik herhaal maar even de definitie van' professor Douma: Ethiek is de bezinning op het verantwoord handelen jegens God en zijn naaste. De schrijver en de lezer horen zich daarom af te vragen: is mijn handelen, is wat ik dóe, dat lezen of dat schrijven, is dat verantwoord? Het zal duidelijk zijn dat het daarbij nu niet gaat om de normen van "technische" aard niet om kwesties van goed taalgebruik, goede opbouwen dergelijke. Ook die normen spelen natuurlijk een rol, maar die wil ik nu buiten beschouwing laten. De aanleiding tot deze artikeltjes vond ik in de discussies rondom de P. C. Hooftprijs. Daarbij was het wel duidelijk dat men het over die "technische" kwaliteiten eens was. 'Dat Brandt Corstius de taal virtuoos weet te gebruiken, neem ik zonder meer aan. Maar het ging bij de discussies om het ethische aspect, b,v. om de vraag of een schrijver zó mag kwetsen als kennelijk bij Brandt Corstius het geval is. Dat tegenstanders van minister Brinkman daar niet zo goed over hadden nagedacht, bleek wel uit het feit dat zij spraken van "censuur" en van “kleinzielige wraakacties". Zij zouden wel anders hebben gereageerd als het ging om werk waarin negers, joden of homofielen op de hak werden genomen. Ds Algra schreef dat 'kortgeleden nog in Opbouw. Zijn vader
had in 1963 óók de vraag naar'normen aan de orde gesteld, dit naar aanleiding van het werk van Gerard van het Reve. Algra werd toen gehóónd, maar Algra had óók gezegd dat de overheid wel degelijk normen hanteerde, ook als het om kunst ging: een antisemiet of, een bewonderaar van Hitler zou écht niet bekroond worden met een staatsprijs. Dat doet me weer denken aan wat ik Victor van Vriesland eens heb horen vertellen. In zijn bloemlezing van belangrijke literatuur weigerde hij werk op te nemen van NSB-ers; zijn uitgever vond 'dat een "buitenliteraire" norm,maar Van Vriesland zei: "Er zijn geen buitenliteraire normen!"
Samengevat: de kwestie van ethiek en van normen is onlosmakelijk verbonden met literatuur, met het schrijven én met het lezen. Het gaat daarbij om zowel de manlier waarop de schrijver de dingen zegt alsom de gedachten die in zijn werk zitten. Maar nu komt het probleem: hóe beoordelen wij, waar halen wijde normen vandaan? Ik wil u uitnodigen met wij méé te denken over die vraag. Wij zijn er ook niet klaar mee, als wij zeggen dat we die normen in de Bijbel moeten zoeken.
Daarover hoop ik een volgende keer meer te zeggen. De vragen waar ik mee zit, zijn bij voorbeeld: hoe moeten wij staan tegenover beschrijvingen van gruwelijke taferelen, van sadistische handelingen, hoe moeten wij reageren op vloeken?
U kunt daar alvast eens over nadenken aan de hand van een gedeelte uit een gedicht van Leo Vroman: Vrede. Omdat ik wil voorkomen dat een lezer zich gekwetst voelt of iets voorgelegd krijgt dat met zijn diepste overtuiging in strijd komt, vat ik het eerste deel van het gedicht samen. Bij Vroman komt telkens de herinnering terug aan het moment dat hij afscheid nam van zijn' geliefde om naar Engeland te vluchten. Hij draagt ook de verschrikkelijke belevingen uit de oorlog met zich mee, ze zijn zo sterk dat hij ze telkens weer als werkelijkheid beleeft. Vrede? Die is er niet, in elk geval zó niet. Hij vloekt het ook uit, hij kán niet zonder vrede leven. En dan vervolgt hij met de herinnering aan een bombardement. Zo'n gedicht is niet "mooi", dat kán ook niet, het gebeuren is té gruwelijk, maar zo IS de oorlog; daar passen geen mooie woorden voor.
Mag ik niet vloeken als het vuur
van een stad, sinds lang herbouwd,
voortrolt uit een kamermuur,
rondlaait en mij wakker houdt?
Doch het versgebraden kind,
vuurwerk wordend, is het niet
wat ik vreselijk, vreselijk vind:
het is de eeuw dat niets geschiedt,
nadat eensklaps, midden door een huis,
een toren is komen te staan van vuil,
lang vergeten keldermodder,
snel onbruikbaar wordend huisraad,
bloedrode vlammen en vlammend
rood bloed, de lucht eromheen behangen
met levende delen van dode doch
aardige mensen, de eeuwlang stilte voordat
het verbaasde kind in deze zuil
gewurgd wordt en reeds de armpies
opheft.
Kom vanavond met verhalen
hoe de oorlog is verdwenen,
en herhaal ze honderd malen:
- honderd malen zal ik wenen.