De weerklank van het Woord (5)
1985-03-29
De eerste bij wie het woord van het kruis weerklank heeft gevonden was een Romeinse onderofficier. Hij is de eerste- geweest, die heeft geloofd dat God inde zwakheid van zijn Zoon aan het kruis de kracht van zijn arm heeft geopenbaard. Hij was de eerste die daaraan - in de taal van zijn eigen denkwereld overigens - openlijk getuigenis heeft afgelegd. Op het moment dat hij de lijdende knecht des HEREN voor zijn ogen zag sterven, heeft hij beleden: Waarlijk, deze mens was een Zoon van God.- Jaargang 29
- nummer 13
De positie waarin deze man zich bevindt wanneer 'hij deze woorden uitspreekt is, op z'n zachtst gezegd, een heel merkwaardige.
Hij is bij de kruisiging aanwezig, niet als toeschouwer, maar uit hoofde van zijn functie in het Romeinse leger. Hij was daarom daadwerkelijk bij de terechtstelling van Jezus betrokken. Deze onderofficier is een van de heidenen geweest, aan wie de Zoon des mensen zou worden overgeleverd om gedood te .worden (vgl. Mk. 10: 33). En welke taak de man ook heeft vervuld, ook al heeft die zich wellicht beperkt tot het handhaven van de orde op de plaats van de executie, ook aan. zijn handen kleefde het onschuldige bloed van Hem, die zich, als een lam naar de slachtbank liet leiden. Daarmee bevindt deze heidense onderofficier zich in een positie, vergelijkbaar met die van de joodse farizeeër Saulus, die hand- en spandiensten zal, verrichten bij de steniging van Stefanus. Hij, die als eerste Jezus heeft beleden als de Gekruisigde, stond zelf als schuldige aan de voet van het kruis.
"Waarlijk, deze mens was een Zoon Gods". Zo luidt zijn belijdenis.
Maar heeft deze Romein wel geweten wat hij zei? Dat Jezus de Zoon van God is, is een vast onderdeel van ons belijden. Wij weten dat uit het Evangelie. Was het niet bij zijn doop in de Jordaan, dat er een stem uit de hemel klonk: “Gij zijt mijn Zoon, de geliefde, in U heb Ik mijn welbehagen:' (Mk.1 : 11)?
Op grond van wat ons onder andere op deze plaats geopenbaard is, belijden wij onze Here als de eniggeboren Zoon van God. Maar deze onderofficier bezat deze kennis niet. Hij sprak eenvoudig in termen van, zijn eigen denkwereld als hij Jezus een zoon van God, een godenzoon noemt. Kunnen we aan zo'n belijdenis dan nog wel enige waarde toekennen? Wat hier de doorslag geeft is niet de geestelijke bagage die deze man met zich mee heeft gedragen maar het moment waarop hij de woorden heeft, uitgesproken. Dat maakt, dat deze onderofficier, in weerwil van zijn heidense achtergrond,de eerste belijder van Jezus als de Gekruisigde is geworden. Op het moment dat hij de Here voor zijn ogen ziet sterven, op dat moment erkent hij Hem als een van God gezondene. Toen hij zag, dat Hij zó de geest gegeven had, sprak hij: Waarlijk, deze mens is een Zoon Gods. Terwijl de dood van een mens normaal gesproken het onweerlegbare bewijs is van zijn vergankelijkheid en diepe onmacht, heeft deze Romein in het sterven van Jezus Gods macht zien overwinnen. Toen de Here tot zijn discipelen had gesproken over zijn naderende dood, hadden zij Hem op andere gedachten willen brengen. Toen zij daar niet in slaagden, hebben zij in het vervolg over zijn dood gezwegen. Dat de Messias het lot van de lijdende knecht des Heren zou ondergaan, het was voor hen een onverdraaglijke gedachte. Het woord van het kruis vond geen weerklank in hun hart. Het woord van het kruis, het heeft niet eerder weerklank gevonden dan op het moment dat het daadwerkelijk aan de Here voltrokken werd op Golgotha. Toen heeft het weerklank gevonden, bij een man die in feite een buitenstaander was, een heiden in dienst van het Romeinse bezettingsleger. In de dood van Jezus stuit hij niet, op de troosteloze ondergang van een mens, maar wordt Hij overweldigd door de macht van God. Wat hij voor zijn ogen zich ziet voltrekken, is niet uit de mens, maar uit God.
Op het moment van de diepste ontzetting getuigt een heiden van zijn grenzeloze verwondering. Daarmee wordt vervuld de profetie van Jesaja, toen deze sprak: “Zoals velen zich over u ontzet hebben – zozeer misvormd, niet meer menselijk was zijn verschijning, en niet meer als die der mensenkinderen zijn gestalte – zó zal hij vele (heiden)volkeren doen opspringen..” (Jes. 52: 14,15). Dat is wat hier gebeurt: geen Romeinse soldaat, voor wie geen smadelijker einde denkbaar was dan de dood aan het kruis, hij ziet in de zwakheid van de Gekruisigde Gods kracht openbaar worden. Zo is hij geworden de eerste belijder uit de volken. De eerste, die aan het woord van het kruis, dat ook een oordeel inhield over zijn eigen leven, geen aanstoot heeft genomen, maar het heeft aanvaard voor wat het is: een kracht Gods tot behoud voor een ieder die gelooft.