Literatuur en ethiek (vervolg)

1985-03-29
  • Jaargang 29
  • nummer 13
De vorige keer ben ik geëindigd meteen fragment uit een gedicht van Leo Vroman; het was gruwelijk, schokkend. In het gedicht werd ook de alom bekende Nederlandse vloek gebruikt, maar het gedeelte waarin die voorkwam, had ik niet overgenomen. Het ging mij om de vraag naar normen: wát is in de literatuur aanvaardbaar, wat IS ethisch wel of met verantwoord? Welke normen hanteren we daarbij en waar halen we die normen vandaan?

Het verband met de werkelijkheid
U hebt Jaap Koopman niet gekend, denk ik. Hij was een collega van me, een christen-Jood. Hij wist veel van mensen, als Bilderdijk, Beets en vooral van Da Costa, die ándere christen-Jood. Daar mocht hij graag over vertellen. Hij heeft de oorlog overleefd; één keer hebben de Duitsers hem te pakken gehad, dat moet erg geweest zijn wat hij toen heeft beleefd. Aan het einde van de oorlog heeft nog verschrikkelijker ervaringen gehad: hij heeft diverse experimenteerafdelingen van concentratiekampen bezocht. Maar over die dingen sprak hij vrijwel nooit, ze waren té erg. Jaap Koopman leeft niet meer, hij werd en ziek en stief. De laatste week voor zijn dood is hij door de hel gegaan: hij heeft al die verschrikkelijke dingen opnieuw beleefd. Voor hem kwam de dood als een verlossing. De dag daarna heb ik in de klas iets over hem verteld, ik heb kaddisj voor hem gebeden. Maar wat kón, wat mócht ik vertellen?
Nu, veertig jaar na de bevrijding, spreken we opnieuw over die oorlog. Ik ben ervan overtuigd dat jonge mensen daar iets van moeten weten, ze moeten ook iets horen over de verschrikkelijke dingen die er gebeurd zijn, maar elke keer sta ik voor diezelfde vraag: wat mag ik vertellen? Er zijn dingen die ik als jongen van vijftien jaar gehoord heb maar die ik nog nooit heb doorverteld. En nu? Waar is de vrede? Hoe kan Amnesty International mensen overtuigen van de duivelse wreedheden die nóg steeds gebeuren zonder duidelijke voorbeelden te noemen? Een schokkende foto van een gillend, naakt meisje heeft ons geleerd hoe onmenselijk de oorlog in Vietnam was. Zó is de oorlog, zó is de werkelijkheid. Daar past geen romantiserende beschrijving bij. Een Duitser die als jongen van achttien aan het Oostfront had gevochten, zei me eens: “De soldaten stierven niet, ze crepéérden!”
Wat moeten we in de literatuur met de werkelijkheid? Hoe ver mag een schrijver gaan? Voor mij staat voorop: wat wil die schrijver? Wil hij een opwindend verhaal vertellen, inspelen op sadistische gevoelens bij lezers? Of wil hij oprecht laten zien hoe onmenselijk en onaanvaardbaar die oorlog is? Elke schrijver die misstanden in onze samenleving aan de kaak wil stellen, moet realistische details geven, hij kan daar niet zonder. En telkens komt diezelfde vraag: hoe ver mag hij gaan? Dat geldt ook voor het taalgebruik. Een dronken vader die zijn vrouw mishandelt, spreekt niet beschaafd. Als hij zichzelf bezeer, zegt hij niet “O, grutjes”, maar dan vloekt hij. Mag een schrijver zulke vloeken citeren?
De bijbel als voorbeeld?
Mogen wij die boeken lezen waar zulke gruwelijke dingen in staan, waarin ook gevloekt wordt? Want dat is natuurlijk ons probleem. Wij kunnen wel zeggen wat een schrijver wel of niet hoort te doen, maar daar zullen weinig schrijvers zich iets van aantrekken, ze horen ons trouwens niet eens. Ik heb wel eens verteld van dat dorp waar besloten was dat uit de openbare bibliotheek alle boeken verwijderd moesten worden die een “zedenkwetsende of godslasterlijke” inhoud hadden. Als dat besluit consequent is uitgevoerd, zal er weinig op de planken blijven staan. Wij leven midden in een slechte wereld, wij hebben het slechte ook in onszelf en daar kunnen we de ogen niet voor sluiten. Waar zoeken we onze normen? Is niet de Bijbel het richtsnoer voor ons leven? Wat we doen, moeten we aan de Bijbel toetsen. Dat geldt ook voor wat we leven. En nu kom ik tot de kernvraag: mag diezelfde Bijbel ook dienen als voorbeeld als het om beschrijvingen en taalgebruik gaat?
Wat is zedenkwetsend en godslasterlijk?
Het Hooglied is erg openhartig bij de beschrijving van het mooie Iichaam van het meisje. Is een roman. waarin hetzelfde gebeurt, dan “zinnenprikkelend" of "zeden" kwetsend"? Wat moet ik met een tekst als: "Uw ranke gestalte is als een palm, en uw borsten zijn als dadeltrossen. Ik zei: ik wil die palm beklimmen en zijn vruchtentrossen plukken." Dat is je reinste erotiek en theologen hebben daar lange tijd moeite mee,gehad. Er schijnt zelfs iemand geweest te zijn die de bruid als symbool gezien heeft, de beide borsten zouden dan het Oude en Nieuwe Testament voor moeten stellen .. Er worden inde. Bijbel ook afschuwelijke dingen beschreven: alle mannen van een stad verkrachten één vrouw, haar man snijdt haar lichaam in stukken en stuurt die rond door het land. Wat er met zwangere vrouwen gebeurt, is te erg om hier te herhalen! Voor wat met kleine kinderen gedaan wordt, geldt hetzelfde. Weet u wat Mengele met vrouwen heeft uitgehaald? Weet u wat de Duitse soldaten met Joodse baby’s deden? En mag ik een boek lezen waarin dat beschreven wordt? Er wordt in de bijbel ook gevloekt. Als iemand zegt: “Zo doe mij de Here, ja nog erger”, wat is dat anders dan een vloek? Moeten wij dan een boek afwijzen omdat daarin op de bekende ruwe wijze iemand de vloek van de Here over zich roept? Het is opvallend dat er zo dikwijls van die eenvoudige criteria worden gehanteerd: een boek waarin erotische zaken voorkomen, heet “vies”, of met een mooier woord, “zedenbedervend” en als de bekende Nederlandse vloek wordt geciteerd, heet dat “godslastering”. Maar veel zoetelijke doktersromannetjes zijn in wezen heel wat meer zedenbedervend. En wie God de schuld geeft van wat er in Auschwitz is gebeurd, die maakt zich in wezen écht schuldig aan godslastering. Dát hoort een christenlezer te beseffen!

Dat betekent natuurlijk niet dat we maar klakkeloos alles kunnen lezen. Dat betekent ook niet dat ik het gebruik van vloeken of schunnige taal goedkeur. Maar het betekent ook niet dat we alle literatuur waarin de werkelijkheid natuurgetrouw beschreven wordt, op grond dáárvan moeten laten liggen. Dat zou zoiets zijn als: zeg maar nee tegen het leven. Het betekent wel dat we bewust en kritisch moeten lezen. En als we dan lezen van slechte dingen of als we met onszelf geconfronteerd worden, dan doen we er goed aan niet direct afkeurend te reageren. Dan werpen we ook maar geen stenen naar de schrijver, maar dan gaan we eerst eens ten rade bij onszelf.

Ik eindig deze beschouwing met een gedicht van Gerrit Achterberg:

En Jezus schreef in 't zand
Jezus schreef met Zijn vinger in het zand.
Hij bukte zich en schreef in 't zand, wij weten
niet wat Hij schreef, Hij was het zelf vergeten,
verzonken in de woorden van Zijn hand.

De schriftgeleerden, die Hem aan de tand
hadden gevoeld over een vrouw, van hete
hartstochten naar een andere man bezeten,
de schriftgeleerden stonden aan de kant


Zondig niet meer, zei Hij, ik oordeel niet.
Ga heen en luister, luister naar het lied.

En Hij stond recht. De woorden lieten los
van hun figuur en brandden in de blos

waarmee zij heenging, als een kind zo licht.
Zo geesteliik schreef Jezus Zijn gedicht.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief