Is geloof aangeboren of aangeleerd?

2011-08-19
  • Jaargang 55
  • nummer 16
Sigmund Freud zag geloof in feite als het gevolg van een neurotische ontwikkeling.
Wie niet autonoom genoeg is heeft een houvast nodig. Je zou kunnen zeggen dat geloven het gevolg is van een verstoring van de emotionele ontwikkeling.
Maar zijn vakgenoot prof. dr. H.C. Rümke kwam tot een tegenovergestelde conclusie: ongeloof is een ontwikkelingsstoornis.
Die conclusie is des te opmerkelijker omdat Rümke past binnen de psychoanalytische traditie waarvoor Freud de basis legde. De bevindingen van Rümke zijn te vinden in het vele malen herdrukte en vertaalde Karakter en aanleg in verband met het ongeloof. De aanleg wijst op een aangeboren eigenschap, karakter op de vorming door de omgeving. De mens doorloopt een aantal stappen, maar aanleg en karakter kunnen het volledig doorgroeien verhinderen. Voorbeelden van belemmerende factoren zijn een gebrek aan wilskracht of een onvermogen om zich over te geven. De hoogste fase in deze ontwikkeling is: als de overgave aan God het gronddirectief voor het leven wordt (in het denken van Rümke hoeft dat niet overigens persé de God van de Bijbel te zijn). Een ideaal ontwikkelde persoonlijkheid beschikt uiteindelijk over die karaktereigenschappen die hem ontvankelijk maken voor geloof en die geloof ook tot een positieve factor in de beleving maken. Raakt de ontwikkeling verstoord, dan komt de mens niet tot deze overgave.
De stappen die Rümke beschrijft, komen in allerlei varianten terug in andere publicaties met een godsdienstpsychologisch karakter. Zoals bij James Fowler, die de stadia van de geloofsontwikkeling van kinderen heeft beschreven.

Spiritualiteit
Psychologie Magazine noemt de publicatie van Rümke niet. Het artikel baseert zich op recent onderzoek naar wat tegenwoordig wel 'spiritualiteit' wordt genoemd. Hoewel steeds minder mensen actief zijn binnen een religieuze gemeenschap, zegt nog altijd de meerderheid van de Nederlanders te geloven dat er meer is tussen hemel en aarde en dat het bestaan ook 'gestuurd' wordt. Dit zou kunnen wijzen op wat in de Bijbel die aangeboren gerichtheid wordt genoemd. Wel zien we een enorme variatie aan opvattingen die allemaal onder de noemer ‘spiritualiteit’ vallen. Een deel van deze spiritualiteit heeft niets meer met de kern van het christelijk geloof te maken.

Tweelingen
Hoe weet je of iets aangeboren of aangeleerd is (in vaktermen: nature of nurture)? Het bekendste onderzoek betreft de studie naar eeneiige tweelingen die apart zijn opgegroeid.
In de Verenigde Staten is naar de verschillen tussen deze tweelingen veel onderzoek gedaan. Het ene kind groeit op in een niet-kerks gezin, het andere kind in een kerks gezin. Zoek daarna naar de verschillen tussen die eeneiige tweelingen. Thomas Bouchard concludeert op basis van zijn onderzoek dat de neiging tot spiritualiteit is aangeboren, maar het regelmatig bezoeken van een kerk niet.
Dat laatste wordt vooral bepaald door de cultuur waar je in opgroeit en de omgeving (zoals het gezin).
Een nogal voor de hand liggende conclusie… Wie in een kerks dorp in een christelijk gezin opgroeit, heeft een grotere kans om later kerkelijk betrokken te zijn dan wie in een niet-kerkelijk gezin in Almere opgroeit.

Genetisch
Maar zit geloven dan ook in de genen? Een Amerikaans geneticus (Dean Hamer) heeft daar zelfs een heel boek over geschreven: The God gene: How faith is hardwired into our genes. Kun je aan ons brein zien of we gelovig zijn? Hamer heeft een gen ontdekt, het VMAT 2 gen, dat mede zou bepalen hoe ontvankelijk we zijn voor spiritualiteit. Hamer relativeert zijn conclusie ook weer (er speelt in genetisch opzicht meer dan alleen dit gen). Maar er is ook veel meer tussen hemel en aarde dan onze genetische aanleg. Bovendien bepalen de genen lang niet alles van ‘hoe we zijn’. Wel herken ik dat er mensen zijn die gemakkelijker ontvankelijk zijn voor het geloof dan anderen. De een kost het meer moeite om te geloven en tot overgave te komen dan de ander.
Maar dat had Prof. Rümke al in 1938 ook zo beschreven.

Geloven is gezond
De gegevens van het brein, onze genetische aanleg; wat is de waarde van al dat onderzoek? Geloven onttrekt zich grotendeels aan dit soort wetenschappelijke factoren. Het is een wonder en soms ook een raadsel.
Wat het artikel in Psychologie Magazine echter vooral opmerkelijk maakt is dat een derde van de bijdrage bestaat uit de positieve kanten van het geloof. Op basis van allerlei onderzoek wordt geconcludeerd dat actief gelovigen gemiddeld gezonder zijn, meer optimistisch, minder last hebben van stress, angst en eenzaamheid, meer zin in hun leven ervaren, vaker zelfverzekerd zijn en een positiever zelfbeeld hebben. Ook leven ze gemiddeld langer, onder meer doordat
er bij hen minder hart- en vaatziekten voorkomen, ze hebben een lagere bloeddruk en een beter functionerend immuunsysteem. En bidden helpt om de stress te verlagen. Met andere woorden: geloven is gezond.
Het is geen artikel uit de koker van christelijke media. Ik was dan ook verbaasd over dit slot van het artikel in een allesbehalve kerkelijk georiënteerd magazine. Kennelijk is de tijd dat men geloof als een volstrekt neurotisch en door de tijd achterhaald verschijnsel zag toch wel een beetje voorbij...

Naar aanleiding van: Waarom geloven we? In: Psychologie Magazine (30/mei 2011).

Henk Algra is GZ-psycholoog en lid van de NGK/CGK van Alkmaar.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief