De torenbouw(val) van Babel

1984-05-11
  • Jaargang 28
  • nummer 19
Niet altijd worden torens afgebouwd. Soms omdat vergeten wordt dat de kosten voor de baat uitgaan) Luc. 14: 28. Aan de torenbouw te Babel wordt echter door God zèlf een eind gemaakt. In een gericht dat tegelijk genade is. En blijft.
Want als een Berlijnse Gedächtniskirche torent de toren van Babel aan het begin van de bijbel nog steeds voor aller oog omhoog. Met welke boodschap?

Genesis 10 en 11: een tweeluik

Genesis 11 en Genesis 10 vormen een tweeluik. De verstrooiing van de volken van hoofdstuk 11 en de volkenIijst van hoofdstuk 10 leze men niet ná elkaar maar náást elkaar. Want op het éne verschijnsel van de volkenwereld werpen deze hoofdstukken tweeërlei 'licht, het licht van de zegen en van de vloek.
De zegen uit het paradijs (weest vruchtbaar, wordt talrijk en vervuld de aarde, 1: 28), die bevestigd wordt aan Noach (9 : 1 en 19), wordt vervuld in hoofdstuk 10. De veelheid der volken? Aan Gods zégen is dat al gelegen, zegt dat hoofdstuk. Maar Genesis 11 laat de schaduwzijde men.
De verscheidenheid der volken leidt ook tot scheiding, gespletenheid, rassenhaat en oorlog.
Aan Gods oordeel is dat al gelegen; in zijn toom heeft Hij de volken verstrooid.
Dat zegt hoofdstuk 11.
Hoe kwam het tot dat gericht van God?

Eigennaam en eigenwaan

Genesis 11 zet de lezer meteen op het spoor. Eensgezind - één van taal en één van spraak - gaat Noachs nageslacht op pad. Duidelijk niet zómaar.
Oostwaarts trekkend vinden zij een vlakte. Vinden zij; zij zijn dus op zoek. En zij zoeken het in het oosten.
Het oosten: in de voorafgaande hoofdstukken bijna steeds gebruikt in verband met de Hof van Eden. Daar, in het oosten, lag het paradijs. En daar zoekt men het, het paradijs, tredend in het spoor der vaderen, het spoor van Kaïn, Henoch. Lamech en Nimrod, dat zelfs de zondvloed niet heeft uitgewist.
De vruchtbare laagvlakte van Eufraat en Tigris geeft ruimte tot ontplooiing.
Het gemis van stenen uit het bergland maakt vindingrijk en wordt vergoed door de vinding van de tichelsteen.
De techniek doet opnieuw haar intrede.
Welaan (vs 3 en 4)! De prestatievreugde schittert in de ogen.
Eensgezind en zelfverzekerd slaat men de handen in elkaar en aan de ploeg. Eén volk, één gedachte. Eendracht maakt macht. Een stad met een bolwerk! Niet achter de veilige omheining van Gods beschermende belofte, maar dáár zit men gebeiteld.
En de ambitie kent geen grenzen meer.
Nu in het zoeken van het paradijs ook techniek en wetenschap zijn ingeschakeld is zelfs de hemel niet meer veilig.
Alles, ja God, moet wijken waar men zichzelf een naam wil maken.
"Laten wij ons een naam maken, opdat wij niet over de gehele aarde verstrooid worden".
"Wij ons" - dat zeggen Adamskinderen, als je vers 5 letterlijk vertaalt.
Zonen van Adam, Adam die aan de dood werd onderworpen, van Eva, aan wie de verlossing werd belóófd.
Hier wil het zaad van Adam de dood overwinnen, de verlossing zelf bewerken. Laten wij ons een naam maken die over de doodsgrenzen heen zal voortbestaan. Laten wij ons een naam maken, opdat wij daarin voortleven. Om verstrooiing en daarmee ondergang te ontgaan.
Maar wat de goddeloze vreest, dat overkomt hem (Spr. 10 : 24) ...

Gericht en genade

De torenbouwers blazen te hoog van de toren. Vergrijpen zich aan het goddelijke. Naam maken, dat is wat God voor zichzelf doet in zijn heilswerk.
Wie de verlossing zelf ter hand wil nemen, reikt naar de hemel en doet aan grensoverschrijding. Want de hemel is de hemel van de HERE, maar de mensenkinderen heeft Hij de áárde gegeven, zegt Psalm 115 : 16. En grensoverschrijding wordt gestraft. Niet een donderend onweer volgt, geen aardbeving, geen vervloeking van de techniek, maar een haast lachwekkende 'kleinigheid' wordt de oorzaak van een totale communicatiestoring.
Dat demonstreert de kleinheid en afhankelijkheid van de mens in zijn zelfverlossingswaan(zin). Vol ironie moet God uit de hemel neerdalen om de toren "die tot de hemel reikt" van naderbij te bezien. God moet op inspectie. Daar zit ook in: Hij houdt bemoeienis, Hij zoekt de mensen op.
En zijn gericht is tegelijk genade.
Wat in Job 42 : 2 ("Ik weet, dat Gij alles vermoogt, en dat geen uwer plannen wordt verijdeld") de mens van God zegt, zegt God hier bijna van de mens (Van Selms): "Dit is het begin van hun streven; nu zal niets van wat zij denken te doen voor hen onuitvoerbaar zijn".
Nu de mens een greep doet naar de vrucht van de boom des levens, grijpt God vol genade in. Hij ziet het einde van de weg die de mens hier inslaat, en Hij verspert die weg. Verstrooit de mensheid. En maakt haar zo willens en wetens gehoorzaam aan zijn beIoftevolle gebod: wordt talrijk en vervult de aarde.
Door het gericht heen handhaaft Hij zijn scheppingsplan ...

De Naam des HEREN is een sterke toren

Als een monument staat de toren van Babel in Gen. 11 half afgebouwd overeind. Babel: poort van God, volgens de Babyloniërs. Balal-stad, stad van de verwarring, zegt de bijbelschrijver met een taalgrapje. Babel, godenpoort? Brabbelstad, Brabbyloniël Een herinneringszuil van de zelfoverschatting van de mens, van de rol van de techniek daarbij. Techniek is niet verboden. Noch vervloekt. Gen. 11 laat zien dat techniek niet neutraal is.
Nee! Uitgerekend de uitvinding van de tichelsteen heeft de Israëliet in Egypte bloed, zweet en tranen gekost.
Techniek, je kunt er de verkeerde kant mee op. Want aan de wieg ervan staat de willende mens.
Zijn wil tot macht brengt tot uitvindingen.
"Welaan!". In een christelijke definitie van techniek hebbe deze welaan-schittering in de ogen van de mens een welomschreven plaats! Want wat doen we met ons kennen en kunnen? Onszelf een stad bouwen, het oordeel ontvluchten? De Naam des HEREN is een sterke toren (Spr. 18: 10). Onze hulp is in zijn Naam. Daar, in Christus, ligt de verlossing. Met Abraham verwachten wij de stad met fundamenten waarvan God de ontwerper en bouwmeester is. Jeruzalem, tegenhangster van Babel.
De wereld bouwt nog altijd voort aan de toren van Babel die ten hemel oprijst.
Jeruzalem rijst niet op maar daalt uit de hemel neer. Dat is de omgekeerde wereld. Het einde van deze wereld. Het einde van het Babel uit Openbaringen. En ná Babel zal het weer zijn als vóór Babel, Voorbereid door de nieuwtestamentische tegenhanger van de spraakverwarring, het talenwonder van Pinksteren, zal dán de aarde weer één van taal en één van spraak zijn. Als alle volken in hetzelfde loflied de Waarheid zingen: De zaligheid is van onze God en van het Lam.
En Babylon, "de grote stad, zij zal nooit meer gevonden worden" (Openbaringen 18 : 21).

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief