Niet bij brood alleen 1)

1984-05-18
  • Jaargang 28
  • nummer 20
"Hij gaf u het manna te eten, ... om u te doen weten, dat
de mens niet alleen van brood leeft, maar dat de mens
leeft van alles wat uit de mond des HEREN uitgaat."
(Deut. 8: 3)


Niet bij brood alleen. Een tekst bekend uit Schrift en politiek!
Maar wat wordt ermee bedoeld? Dat brood alléén een mens niet in leven houdt? Dat daar het Woord nog bij moet komen?
Immers, niet alleen van brood zal de mens leven, maar 'Van alle woord dat uit de mond Gods uitgaat. (Mt.4 : 4.)

. . maar ook bij gééstelijk brood?
Brood en Woord, dat wordt al gauw: gewoon en geestelijk brood. Brood en Woord: het eerste voor de maag, het tweede voor
het hart. Is dat zo? Dat een mens, als hij ècht wil leven, niet alleen om 't aardse maar ook om het geestelijke brood moet geven?
Mt. 4 : 4 lijkt dit alleen maar te onderstrepen.
Zei Jezus niet bij de duivelse verleiding om na 40 dagen vasten van stenen brood te maken: Het dagelijkse brood. Ik kan het missen; Ik heb het Woord, mijn geestelijke brood?
Wie deze woorden zo hanteert, komt terecht bij een tegenstelling die niet meer bijbels is maar heidens. Middeleeuws.
Een tegenstelling waarin de minachting voor het gewone als vanzelf is ingebakken. Het gewone brood? Ach, je kunt niet zonder.
Maar het gééstelijke Brood, dat is je ware! Alsof "gewoon" brood minder is. De hemel ging er zelfs voor open, voor het manna. Engelenspijze, hemelkoren, zegt Ps. 78. En Jezus leerde bidden, niet: Geef ons heden ons geestelijke brood - nee, onze dagelijkse boterham, die kreeg een plaats in het volmaakte gebed. "Niet bij brood alleen", dat is niet: " ... maar ook bij 't geestelijke brood, het Woord"!

Bij het beloftewoord alleen
Deuteronomium, 'letterlijk "tweede wet", is een herhaling en een toespitsing van de wet. Door Mozes gesproken op de grens van het beloofde land (1 : 1). Een herhaling van de grondwet voor dat land èn een toespitsing daarvan op de nieuwe situatie die zal ontstaan, straks als Israël zelf de handen uit de mouwen steken moet voor levensonderhoud. Laat Israël dan nog eens terugdenken aan de les uit de woestijn (8 : 2)! Toen Israël honger kreeg, omdat brood bakken van meel uit graan er al gauw niet meer bij was. Toen Israël ook grote woorden kreeg: waren we maar in Egypte gestorven, toen we bij de vleespotten zaten en volop brood aten, Ex. 16. Toen stelde de HERE hen op de proef om te weten wat er in hun harten was. Toen deed de HERE hen honger lijden (vs 3) in zijn goddelijke pedagogie. Om, toen de honger knaagde, manna te geven.
Manna, niet omhooggegroeid, niet zelf klaargemaakt, maar omlaaggevallen, ovenvers. Waarom? Omdat Israël weten zou, dat het niet alleen van brood leeft. Maar ook van manna.
Met manna kan het ook. God is niet aan brood gebonden. Israël is voor zijn bestaan niet afhankelijk van wat komt uit de handen van mensen, maar van wat komt uit de mond van JHWH. En wat komt er uit zijn mond? Zijn Woord, dat het manna regenen zal? Nee, veel breder: zijn beloftewoord. Gesproken bij de brandende braamstruik, herhaald bij de brandende berg. Zijn beloftewoord van verlossing uit de hel van Egypte richting paradijs van Kanaän, waar volop eten en drinken is. Van, bij, ja "op" dat woord moet Israël leren leven. Want het komt uit de mond van JHWH.

En door geloof alleen
Waar m'n brood is, is m'n vaderland, zegt het spreekwoord. Dat zegt Israël in de woestijn. Op weg naar het vaderland wil het terug naar het slavenland.
Waar m'n brood Is, is m'n vaderland, al is het dat gehate Egypte!
Maar het is net omgekeerd. Waar mijn vaderland is, daar zal ook mijn brood zijn. Mijn vaderland is daar waar God me roept. En als ik ga waar God mij roept, dan krijg ik ook mijn levensonderhoud. Als God verlossing belooft, zal Hij dan niet in staat zijn, zijn volk - al is het door ongewoon voedsel - in het leven te houden? Dat moeten Gods kinderen leren, in navolging van de Zoon in de woestijn: te geloven, d.i. te leven op het beloftewoord van hun Vader .
Ook al lijkt dat lijden met zich mee te brengen, wie gelooft wat Hij bélooft, krijgt al wat hij nodig heeft.
Zoekt eerst het Koninkrijk van God en zijn gerechtigheid en dit alles zal u bovendien geschonken worden ...
Door, immers, uw Vader, die weet dat gij dit alles behoeft! Laat uw Vader Vader zijn.
Daarmee stelt de HERE Israël op de proef, ook op de grens van Kanaän.
Zal het dat nu ook blijven geloven?
Straks zal alles anders worden. Het manna valt niet meer; zelf zal men moeten ploegen, eggen, zaaien, oogsten.
Maar ook: dan zal Israël weten: onze Vader gééft het ons. Door het geloof in zijn beloftewoord.

Dus uit genade alleen
In zo’n tijd heeft ook Nederland geleefd, in een tijd dat het moeilijk zichtbaar was dat ons brood niet onze verdienste maar gave Gods was. Toen het zo goed ging met de economie, dankzij ons management, ons beleid ... Na de oorlog zei men, terugkijkend op de crisis van de jaren '30: dat zal nooit meer gebeuren, we hebben de economie nu veel beter in de hand. En uit de woestijn kwamen we a.h.w. in het beloofde land. De 60-er en 70-er jaren, ze vloeiden over van melk en honing. Toen Israël zo voorspoedig was, ging het de kanaänitische vruchtbaarheidsgoden vereren.
En hield het toen zijn brood? Toen vond het de dood. Want wie op brood alleen wil leven maar niet op het beloftewoord van God, zal tenslotte helemaal geen brood meer eten.
Zie vs 19 v.
Nederland is de goden van welvaart en koopkracht gaan vereren. En behoudt het nu zijn brood? Zonder bekering niet. Want
alleen-maar-brood brengt de dood. Misschien stelt God ons op de proef. Om te zien wat er in de harten is. Verootmoediging of ongebroken hoogmoed? Het voor alles zoeken van brood en nog eens brood of het voor alles zoeken van zijn Koninkrijk? Er is een leven bij je inkomen, huis, auto, kleding en bestaan, dat met dit zoeken niet samen kan gaan. Maar wie leeft bij het vleesgeworden Woord in totale afhankelijkheid, krijgt geen stenen voor brood. Hoe zou Hij die zelfs zijn eigen Zoon niet gespaard maar van de hemel als het levende manna heeft overgegeven, ons met Hem niet alle dingen schenken?
En mocht de woestijn dan komen, in economisch of welk ander opzicht ook, dan kan zij die betekenis krijgen die zij óók heeft in de Schrift: de plaats van de genegenheid van de jeugd, van de liefde van de bruidstijd, van de vertrouwelijke omgang tussen bruidegom en bruid (Jer. 2).
Om het met Ps. 4 te zeggen: "Verhef dán uw gelaat, 0 HEER. Gij maakt het mij zo wel te moede; hebben zij 's werelds overvloeden, uw vrede in mijn hart is meer". Omdat we weer geleerd hebben te leven bij het beloftewoord alleen, door het geloof alleen, uit genade alleen.

1) Met dank aan dr B. Jongeling te Groningen, van wiens opmerkingen met vrijmoedigheid is gebruik gemaakt.





Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief