De ortolaan, Maarten 't Hart (boekenweekgeschenk 1984)
1984-05-18
De omslag zegt, dat dit boek over een "vergeefse liefde" gaat. Zoiets is een tegenstrijdigheid - want liefde, die de naam waard is, kan nooit vergeefs zijn. Waarschijnlijk is bedoeld: een vergeefse poging tot geslachtelijk contact, maar dat is niet hetzelfde; van tijd tot tijd moeten we ons dat even herinneren. Overigens dóet de schrijver zelfs geen vergeefse poging in die richting, maar bewaart de zuivere liefde, die hij van zijn vrouwelijke collega terugkrijgt in de vorm van trouw, begrip, rust. Zo kunnen twee mensen, ook zonder sexuele praktijken, elkaar zeer gunstig beïnvloeden, dienen en bouwen. Dat is de eerste winst van dit kleine boek. En zo'n zuiver boek, in de stroom van vunze litteratuur van onze tijd, is op zichzelf al een vreemde vogel, een heel mooie.- Jaargang 28
- nummer 20
De ortolaan is ook zo'n vreemde vogel.
Hij bestaat werkelijk, is veelkleurig en zeldzaam, een soort gors die onder meer in "de achterhoek" voorkomt.
In alle vier verhalen komt de ortolaan als een herkenningsthema voor. Er zijn meer herkenningsthema's, die de vier verhalen tot een kwartet maken. Dat de schrijver zijn vrouwelijke Belgische collega op diverse biologencongressen ontmoet en met haar een fijnzinnige verhouding van wederkerig begrip en eerlijke genegenheid opbouwt - zonder te vragen, zonder te dwingen - is het hoofdthema.
Een tweede herkenningsthema is het gezang "alle roem is uitgesloten", dat de schrijver zich van zijn gereformeerde jeugd herinnert. Hij houdt het voor zichzelf - niet voor haar. Zij, Franstalige Belgische, is niet op deze golflengte gestemd, niet filosofisch van aard; eerder puur-vrouwelijk, altijd meisje, ondanks haar pilletjes en haar kindertjes. Maar de schrijver zingt van "onverdiende zaligheen" , die hij van zijn God heeft genoten en het is goed dit te horen. Niet iedereen is in staat om dank u te zeggen tegen een christelijke opvoeding.
Ook het thema van Gods verkiezende liefde, reeds werkzaam ,,Ja, nog eer ik was geboren", is een dankzegging waard; maar het thema loopt uit op een Tibetaanse meditatie over ons voor-geboortelijk zijn. De regel "eer Gods hand, die alles schiep, iets uit niet tot aanzien riep" geeft de bioloog aanleiding tot een moedig verzet tegen het "wetenschappelijke"
evolutionisme van onze dagen. En dat doet bepaald goed.
In het voorbijgaan komt, als nevenproduct, een pessimist uit de lucht vallen, die vroeger tegen Maartens vader verklaard heeft: zeker te weten, dat hij niét was uitverkoren; de bekende masochist, die - al Gods beloften en liefde ten spijt - zichzelf buiten Gods "onvérdiende zaligheen" sloot. Eigenlijk een ellendig vervolg op de leer: dat God, voor iemands geboorte, hem al naar de hel zou kunnen verwijzen. Maarten verwerpt een dergelijke caricatuur van onze hemelse Vader niet, maar geeft daar een nieuwe en ongehoorde variant op: hijzelf was wel uitverkoren, zegt hij, maar dat Goddelijk raadsbesluit is na dato herzien. Dat is zo mogelijk nog erger. Als dat zou kunnen zou God niet alleen despotisch-grillig maar ook nog despotisch-onbetrouwbaar zijn. Het is de wil van Mijn hemelse Vader niét, dat er iemand verloren gaat - zei de Heiland - maar dat allen tot bekering komen.
De "vulstof" van deze novelle is natuurlijk (behalve goede referenties aan Bach) een zak vol biologische weetjes; en de "smaakmaker" is wat melancholieke Kierkegaard-filosofie; beide zeer lezenswaard en boeiend, maar dat kunt u aan deze schrijver overlaten! Maarten 't Hart (we hebben het hier vaker gezegd) kan ongewoon goed schrijven. Je bent haast blij, wanneer je hem op een taalfoutje betrapt - maar met zo'n talent is het mogelijk, ons volk met góede litteratuur te verblijden. Hij moge het doen.
-0-
Een bezwaar tegen zijn kuise liefde brengt de schrijver zelf ter tafel: wanneer hij deze houding "het fenomeen van het bezet-zijn" noemt; namelijk wanneer "een geliefde andere toenadering weigert (niet vanwege innerlijke remmingen, maar) omdat er al een relatie bestaat, die een nieuwe uitsluit". Zo staat het op de verkopende omslag, zo staat het ook in het boek (p. 83). Hij citeert de filosoof Theodor Adomo, maar maakt diens thema, vrees is, tot het zijne.
Als Adomo, als Maarten 't Hart, gelijk zouden hebben, betekent dit: dat, wanneer mensen in liefde elkaar ongerept laten, dit een gevolg van een ingeboren automatisme zou zijn: dat aan een biologisch wezen slechts één bindingsmogelijkheid toestaat. Zo ongeveer als de eenwaardige elementen in de scheikunde, die zich slechts aan één kapstok kunnen ophangen.
Zo ongeveer als de kraaiachtigen en roofvogels, die levenslang hun echtgenoot trouw blijven op dierlijke gronden.
Dat zou dan een treurig besluit van dit boek zijn. De werkelijkheid van onze onbeschaamde dagen is, dat de mens zeer polygaam is en dat - wanneer hij zich vanwege uiterlijke of innerlijke remmingen monogaam gedraagt (zijn echtgenoot trouw is) dit een bewuste besluitshouding is, die - religieus of niet - op ethische motieven is gebaseerd. Het neen-zeggen tegen de opgelegde verleiding is een daad, die de mens tot mens maakt.
Maar het geloof in een ingebouwd mechanisme, als van Adomo, ontmant de mens tot een biologisch wezen, dat nauwelijks te onderscheiden is van de gieren, kraaien en raven.
Het moet een bioloog vergeven kunnen worden, wanneer hij per ongeluk de mens als een soort dier ziet.
Maar een schrijver moet herinnerd kunnen worden aan wat hij zeer wel geleerd heeft: dat de mens naar het beeld Gods gestempeld is; en dat hem de kennis van goed en kwaad is verleend.