Zuid Afrika (slot)

1985-04-05
  • Jaargang 29
  • nummer 14
Het wordt tijd deze reeks artikelen te besluiten.. De toegestane ruimte is al overschreden: daarbij komt dat er de laatste tijd nogal veel over Zuid-Afrika in ons blad is geschreven. Merkwaardig is voorts dat de zaak, waar ieder aan denkt ais het land ter sprake komt, de apartheid, nauwelijks aan de orde is geweest bij het weergeven van onze ervaringen. We gaan nu maar weer snel naar de commissie van de synode, Waar we de zaak van onze kerken hebben bepleit tegen de bekende oppositie.

De commissie bad voor ons de meeste tijd uitgetrokken, maar een uitvoerige bespreking van het u nu wel bekende memorandum, ingediend door de vrijgemaakte kerken, waarop nog een vervolg is verschenen, dat ons, evenmin als het eerste is verstrekt, was niet mogelijk.
Een paar zaken die wij ter sprake brachten wil ik nog noemen.
Men had het nodig geacht de broeders in Zuid-Afrika te informeren over wat wel is genoemd, "de leer van ds L. E. Oosterhoff". Hier hebben we, weer te doen met een opgeblazen zaak en weinigen in onze kerken zullen weten wat deze leer, die door ons getolereerd zou zijn, inhoudt. Nu moet ik een lang verhaal kort houden. De classis Haarlem had zich indertijd geconformeerd aan de besluiten van de synode van Rotterdam in genoemde zaak, met als gevolg dat vertegenwoordigers van de kerk van Beverwijk, w.o. ds O. niet ter classis vertegenwoordigd waren. De "dolerende" kerk van Beverwijk werd wel ontvangen en nam het voortouw in de zaak van de Open Brief.
Bij de breuk in de classis Haarlem behoorde ds O. niet meer bij het kerkverband. Nadat in Noord-Holland de breuk zich voltrokken had is aan de classis.
Haarlem gevraagd de positie van de kerk van Beverwijk en ds O. te regelen. Genoemde gemeente en de predikant zijn opgenomen in ons kerkverband. nadat ds. Oosterhoff een verklaring had ondertekend dat hij niet meer zou leren wat door de kerken afgewezen was: Deze verklaring is opgesteld door: ds C. P. Plooy en ondergetekende.
In de voorlichting over onze kerken in het memorandum is dit laatste niet meegedeeld en het tolereren van de "leer van ds O." aangevoerd als bewijs dat de belijden is onder ons niet wordt gehandhaafd. De broeders van het memorandum hadden dit kunnen weten; het heeft in onze kerkelijke pers, die door hen zo wordt nageplozen, gestaan. En bijzonder onverkwikkelijke zaak was verder dat er over onze kerken was geschreven: Zo komt het in een gemeente voor dat daar al jaren homofiele vriendenparen wonen, zonder dat zij van het avondmaal worden geweerd. Nu weet ik hoe men aan deze “waarheid” is gekomen; het is afgelezen uit een artikel in Opbouw, zo wordt gezegd. Evenwel, voordat men een dergelijke informatie doorgeeft, met de daaraan verbonden suggestie, had men zich er toch van dienen te overtuigen bij die gemeente of één en ander terecht was geconcludeerd. Zelf was ik destijds bij het gesprek over homofilie betrokken en ik heb mij er van overtuigd dat hier een misverstand speelt en de mededeling in het memorandum in strijd is met de waarheid! Trouwens, zou het in een gemeente voorkomen, is het dan juist dit over te brieven. Zouden de kerken binnen verband niet met zaken als homofilie te maken hebben en zou het niet beter zijn elkaar te helpen dan elkaar aan te klagen. De commissie nam hiervan kennis en was, zoals ik al schreef, niet zo onder de indruk van de stroom van negatieve informatie over onze kerken. Wel hebben we gesproken over de binding aan de belijdenis en voorbeelden genoemd waarbij onze kerken duidelijk hebben getoond dat er grenzen zijn, die niet overschreden mogen worden. Daarbij hebben we, in verband met de “zaak ds. Telder” (een publicatie uit 1960, ver voor de breuk), nadat eerst duidelijk was gemaakt was in geding was, gesproken over de vraag of een dienaar des Woords, die trouw is in zijn arbeid, buigt voor de Schrift, moet worden geschorst en afgezet, wanneer hij op een onderdeel van het belijden een afwijkend inzicht heeft. Moet dan niet bezien worden van welk gewicht één en ander is, wil men niet vervallen in ketterjagerij. De commissie toonde veel begrip, maar bleek niet de vrijmoedigheid te hebben om de synode voor te stellen correspondentie met onze kerken aan te gaan, want daaronder verstond men dat we één kerkverband vormen. Zelf bepleitte ik een correspondentie in ruimere zin, waarbij in elk geval de ambtelijke positie van onze zendelingen geregeld werd, want één kerkverband leek mij niet nodig, misschien iets te veel van het goede. In de commissie werd gezegd, dat men alleen correspondentie als kerkverband kende; later werd ter synode door sommigen weer gesproken van ruimer verband, maar dat zoekt men verder onder elkaar maar uit.

De commissie sprak in het voorstel van vruchtbare gesprekken met de afgevaardigden van onze kerken en constateerde dat ten behoeve van het zendingswerk een nauwe band moest bestaan, dat onze kerken met het akkoord van kerkelijk samenleven op kerkrechtelijk gebied gevorderd waren, maar dat er verder gesproken zou moeten worden over de kerkrechtelijke aspecten verbonden aan de preambule 2. Voorgesteld werd te komen tot intensiever medeleven en gesprek, maar om in dit stadium nog geen kerkelijke correspondentie aan te bieden. Van invloed is hierbij geweest de oppositie van de hoogleraar kerkrecht Prof. Dr. Van der Linden, die zich fel tegen onze kerken keerde.
Zijn bewering aan mijn adres, dat er van beïnvloeding van vrijgemaakte zijde geen sprake was, doet vreemd aan in het licht van memorandum I en II en is wat sneu voor Prof. J. Kamphuis en ds. H.J. de Vries, die naar P. Bergwerff in het Ned. Dagblad schreef en wij ter plaatse vaststelden, zo hun best hebben gedaan om het gevaar dat de Dopperkerken van onze kant bedreigde af te weren.

De beslissing op de synode
Op maandagavond 21 januari kwam het voorstel van de commissie in behandeling op de synode. De discussie was niet alleen een herhaling van de voorafgaande, die ik al heb geschreven. Er waren dit maal meer broeders, die zich ten gunste van onze kerken uitlieten. Er werd b.v. gezegd dat andere kerken in het buitenland, waarmee wel correspondentie was, kerkrechtelijk verder van die Geref. Kerken in Z.A. afstonden dan wij én dat men met onze kerken alleen maar vreugde had beleefd in de arbeid van onze zendelingen en de samenwerking met hen.
Eén van de broeders, die aanvankelijk veel kritiek op onze kerken had, diende een amendement in om met ons correspondentie in ruimere zin aan te gaan en te verwachten was dat dit voorstel met grote meerderheid zou zijn aangenomen zodat we ons doel bereikt zouden hebben.
Van de praeses hadden we toestemming gekregen om ons in de discussie te mengen en daarvan heb ik een dankbaar gebruik gemaakt. De belangrijkste argumenten in het pleidooi waren:

1. de samenwerking in de zending gedurende ruim vijf en twintig jaar.

2. klachten over de arbeid van de zendelingen hebben ons nooit bereikt; integendeel, hun trouwe arbeid naar Schrift en belijdenis wordt geprezen.

3. in 1982 was er al een voorstel op de synode om correspondentie met onze kerken aan te gaan, maar dit werd niet aangenomen omdat,

4. Prof.J. Kamphuis volop gelegenheid kreeg ter synode en in de commissie dm, voorzichtig uitgedrukt, eenzijdige voorlichting te geven over onze kerken en wij niet in de gelegenheid waren ons te verweren.

5. de kerken die Prof. Kamphuis vertegenwoordigde hadden in het verleden bezwaren tegen de samenwerking in de zending met de Dopperkerken vanwege hun opvattingen over de ware kerk.

6. onze kerken leggen het conflict in de kerken van de vrijmaking dat tot scheuring Ieidde niet aan uw vergadering ter beoordeling voor en hebben en er geen bezwaar tegen wanneer u ook met de Geref. Kerken, vrijgem. correspondentie aangaat.

7. de vragen die bij u leven over ons akkoord van samenleven zullen wij doorgeven aan de landelijke vergadering van onze kerken.

De zaak werd anders geleid dat velen verwachtten, gehoord de discussie en gezien het voorstel. De scriba van de synode nam het woord en zei dat men in Natal (het zendingsgebied) had beleefd wat kerkverband over de grenzen heen betekent en achtte het hoog tijd dat er nu een beslissing viel.
Ds Postma stelde vervolgens voor het voorstel in dier voege te wijzigen dat er correspondentie met onze kerken zou worden aangegaan.
Dit voorstel kwam gezien de strekking het eerst in stemming en werd met meerderheid van stemmen aangenomen, zodat we eigenlijk meer hadden ontvangen dan gevraagd: correspondentie niet in ruimere maar in volle zin. Uit de stemming bleek dat de verhoudingen anders lagen dan velen dachten, al moeten we vaststenen dat het een nog al krappe meerderheid was', maar als we bedenken dat er maar weinig gelegenheid was om te weerlegger wat tegen ons is aangevoerd mogen we dankbaar zijn met deze beslissing. Het was een slag voor ds H.J. de Vries en br. J. J. Schreuder: laarsgenoemde sprak bij het afscheidswoord de volgende morgen over teleurstelling en verdriet en volgens het Ned. Dagblad zei een jong afgevaardigde ter synode dat het een zwarte dag was geweest voor de kerken. Hiertegenover waren er heel wat blijken van dankbaarheid en blijdschap: Je bent nu ook binnenverband, bij ons, riep een bevriend hoogleraar tegen mij overluid in de vergadering. Laat ik besluiten met dank aan onze hemelse Vader, die krach ten gaf en ruimte maakte en daarna aan: onze zendelingen, die zulke goede vertegenwoordigers van onze kerken zijn. en groeten aan de broeders en zusters in Zuid-Afrika.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief