Evangelisatie in onze situatie (1)

1985-04-12
  • Jaargang 29
  • nummer 15
Het is inmiddels alweer enkele weken geleden, dat Ds H. de Jong in "Opbouw" enkele artikelen wijdde aan het evangelisatiewerk en de opstelling van christenen in "deze wereld en onze situatie". 1) Dit onderwerp is van belang en daarom hebben we de vrijmoedigheid om op deze artikelen een reactie te geven.

Wanneer we ons bezinnen op de evangelisatie in onze situatie, dan kunnen we met ds De Jong inzetten bij de constatering, dat het grootschalige evangelisatiewerk weinig resultaten boekt. Ondanks de geweldige inspanningen en de grote financiële offers is het aantal buitenkerkelijken; dat zich tot onze Heiland bekeert gering. Wel is het zo, "dat randkerkelijke leden en zoekende kerkelijke jongeren door die grootscheepse acties weer meelevende en gelovige kerkleden zijn geworden.

Ziende op het geringe resultaat zeggen de medewerkers aan zulke acties wel: "Maar er is toch gezaaid".
Dit zeggen zij terecht. Het moet ook zo gezegd worden. Toch neemt dit de noodzaak van een nadere bezinning niet weg en ds De Jong zet ons op een spoor. Het spoor wordt vragenderwijs gewezen. Uitgaande van de situatie onverschilligheid, die een uiterst geringe respons op de grootschalige acties in de 'hand werkt èn op grond van Jes. 8 :16. 17 komt ds De Jong tot een kernvraag: "Zou dat niet kunnen, dat de Here God zijn aangezicht verborgen heeft voor Nederland?" . En deze vraag toespitsend op het evangelisatiewerk vraagt hij: "En dat 'de gemeente van Christus bij ons dus meer met een naar binnen gekeerd dan met een naar buiten gekeerd bestaan moet rekenen?" In zijn volgend artikel trekt ds De Jong deze lijn door. Nu tevens rekening houdend met de minderheidspositie van de christenen in onze samenleving bepleit hij een minderheidsstrategie: meer defensief dan agressief, meer met de daad dan door het woord. Puntsgewijs willen we op een en ander ingaan.

1. Overzien we de artikelen van ds De Jong, dan springt zijn inzet bij een analyse van de huidige situatie in het oog. Deze situatiegevoeligheid lijkt me in een bezinning op het evangelisatiewerk onontbeerlijk, tenminste, wanneer we de mens van deze tijd werkelijk willen bereiken, Toch wordt de visie van ds De Jong wel heel sterk door zijn analyse van de situatie bepaald en gekleurd. Temeer, daar hij de huidige situatie koppelt aan Jes. 8 : 16, 17: "Bindt de getuigenis toe, verzegel de wet onder mijn leerlingen, En ik zal wachten op de Here... ". Wie hier vanuit gaat moet wel terecht komen. bij een defensieve en wat het spreken betreft bijna passieve opstelling. Immers, waarom zullen wij nog actief aan evangelisatie doen, wanneer onze God, de enige die dat werk vruchtbaar kan doen zijn, zijn aangezicht verbergt? Wreekt zich hier niet de inzet bij de situatie, zo vragen wij ons af.

Daardoor komt nauwelijks tot uitdrukking, dat de gemeente van Christus altijd, in welke situatie dan ook, een missionaire gerichtheid moet hebben. Aan het gemeente van Christus zijn is onlosmakelijk verbonden het zout der aarde en het licht der wereld zijn"! Petr. 2: 9: "Gij echter zijt een uitverkoren geslacht...om de grote daden te verkondigen van Hem, die u uit het duister geroepen heeft tot zijn wonderbaar licht". Het naar buiten gekeerd zijn is inherent aan het gemeente van Christus zijn. Het is bijna meer een vanzelfsprekendheid dan een gebod, al gebiedt de Here het ons wel degelijk (Mt. 28 : 19). Het uitgangspunt in de bezinning op het evangelisatiewerk moet o.i. deze vanzelfsprekendheid en dit gebod zijn. Niemand minder dan ds De Jong zelf heeft dit in 1982 nog heel scherp onder woorden gebracht: Want evangelisatie is dringend nodig, ook in onze tijd. Het is goed om over de tijd waarin wij leven na te denken... Maar nooit zal dat nadenken mogen betekenen dat we voorbij zien aan de opdracht, die voor alle tijden en aangelegenheden of situaties gegeven is, .namelijk dat wij zijn getuigen zullen zijn (Hand. 1: 8): Het noodzakelijke zinnen mag ons in geen geval bij deze hoofdzaak vandaan halen. Het zou immers kunnen zijn dat wij ons van de tijd waarin wij leven zo'n sterk en gevestigd beeld vormen dat dat voor wat ons betreft gaat functioneren als een gevangenis voor de Here God en zijn mogelijkheden" 2).
Nu beseffen we heel goed, dat dit standpunt niet haaks op het huidige hoeft te staan. Ds De Jong spreekt immers van een minderheidsstrategie. Toch menen we, dat een hernieuwde inzet bij het gebod de visie op het evangelisatiewerk zal stempelen. Het besef, dat God de gemeente van Christus in deze genadetijd gebruikt om velen voor Zich te winnen, doet een gemeente zijn ontstaan dat bij voortduur, actief én creatief gericht is op nieuwe mogelijkheden om onze medeburgers in de huidige situatie met het evangelie in aanraking. te brengen. Wanneer we echter al te zeer zien op onze geseculariseerde samenleving is het geen wonder, dat we geneigd zijn in onze schulp te kruipen

2. Nu kunnen we ons voorstellen, dat ds De Jong een beroep op het gebod inde huidige situatie onvoldoende acht. Hij vraagt zich immers af of het doodlopen van het grootschalige evangelisatiewerk niet samenhangt met Jes. 8: 16,17. En elders zegt hij dat "tijden des welbehagens te onderscheiden zijn van situaties die een meer gesloten karakter dragen". Hierdoor qualifiseert ds de Jong onze situatie profetisch, van boven af, waardoor de wijze van gebodsvervulling sterk bepaald wordt. Twee opmerkingen willen we hierover maken.

Allereerst vragen we ons af of een analyse van het evangelisatiewerk in de huidige situatie wel tot bovengenoemde conclusie moet leiden. Daarmee moeten we o.i. toch bijzonder voorzichtig zijn. Behoren we ons niet allereerst af te vragen of we met het organiseren van die grootschalige acties wel op de goede weg zijn? Een aantal bezwaren laten zich noemen. Ten eerste het onpersoonlijke en massale karakter van de grootschaligheid. De hoorders kunnen het evangelie - zo ze het al begrijpen - schouderophalend van zich af laten glijden. Ten tweede worden we in Nederland – Amsterdam spant de kroon – werkelijk overspoeld door allerlei religieuze prietpraat. Dit maakt het gehoor wantrouwig en onwelwillend. Ten derde is zo’n actie een slechts verbale vorm van evangelisatie. De vraag naar echtheid wil men echter getoetst zien aan een vernieuwde levensstijl. En ten vierde is de ellendige verdeeldheid van de Kerk werkelijk een belemmering. Mogelijk zijn er meer bezwaren te noemen. Vooralsnog gaat het er om of ds. De Jong zijn kernvraag niet te vroeg stelt. Moeten we ons niet eens afvragen of we wel op de goede weg zijn? En vervolgens op welke weg we dan verder moeten?
Ten tweede vragen we ons af op welke wijze we in het evangelisatiewerk om mogen gaan met het in de Schrift geopenbaarde gegeven, dat onze God een verkiezend God is. O.i. mag dit nooit als een rem op het evangelisatiewerk gaan werken, integendeel, Juist deze kennis moet de gemeente van Christus aanzetten om des te actiever zichzelf als een kanaal voor Gods verkiezend handelen open te stellen. Zoals in de Dordtse Leerregels zekerheid der volharding een prikkel tot het ernstig en voortdurend beoefenen van dankbaarheid en het doen van goede werken is (v. 12, verg. v. 13), zo mag ook in het evangelisatiewerk de verkiezing een prikkel zijn tot het handhaven en uitvoeren van de evangelieverkondiging. Van groot belang hierbij is, dat het evangelisatiewerk biddend en verbiddend gebeurt. Het gebed behoedt ons er voor ons bij de gegeven situatie neer te leggen. In geloof mogen we opzien naar de Here God, de enige, die gesloten harten kan openen, de bezwaren enige die ons stukwerk vruchtbaar kan maken.

Noten
1) Opbouw, 2ge jaargang no. 5, pg. 34, 35 en no. 6, pg. 42, 43.
2) Opbouw, 26ejaargang no. 18, pg. 142.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief