De staf in de hand van Mozes

1983-06-17
  • Jaargang 27
  • nummer 24
"Morgen zal ik op de heuveltop staan met de staf Gods in mijn hand" (Ex. 17: 9)

De strijd
Bij alle ontberingen in de woestijn komt voor het "volk van Godonderweg" ook nog de strijd tegen de Amalekieten. Onderweg naar 't beloofde land via de Sinaï wordt Israël door Amalek aangevallen.
Hoc het precies gegaan is, is niet helemaal duidelijk. Het is mogelijk dat de Amalekieten een kamp hadden opgeslagen bij Rafidirn waar waterbronnen waren, die op deze manier onbereikbaar waren.
Terwijl de Israëlieten vermoeid en dorstig waren, sloegen de Amalekieten toe en volgens Deut. 25: 17-19 troffen ze allereerst de achterhoede, waar de zwaksten zich bevonden, de bejaarden, de kinderen en de vrouwen.
Die aanval van de woestijnrovers (nazaten van Ezau) op de nakomelingen van Jacob zullen we toch wel moeten zien als een poging te verrunderen dat Israël bij de Sinaï Gods volk zou worden: Een aanslag op het komend bestaan van Israël als volk van God. Dergelijke aanvallen heeft het volk van God ook vandaag nog te verduren, Vijanden zijn er ook vandaag binnen en buiten de kring van kinderen Gods: de duivel, de wereld en ons eigen vlees houden immers niet op ons aan te vallen (vr. en antw. 127 van de Heid Cat.), En de aanvallen van die vijanden gebeuren vaak op slinkse manieren, niet openlijk, maar juist op de zwakste plekken.
Zo deden ook de Amalekieten met Israël: op een laffe manier, omdat ze een openlijke aanval in de woestijn waarschijnlijk niet aandurfden vielen de Amalekieten Israël op de zwakste plaats aan: de zwakken zijn de eerste slachtoffers. Mozes onderneemt daarna een tegenaanval.
Jozua is aanvoerder van 1sraëls strijdmacht. Het is de eerste keer dat zijn naam als leider genoemd wondt in het geschiedenisverhaal van Gods-volk-onderweg, Mozes zelf gaat de berg op om voor het strijdende volk te bidden.

De staf
Tijdens bet gebed heft Mozes zijn staf ten hemel. Die staf speelde in heel de geschiedenis van Mozes en het volk een grote rol. AI bij de roeping van Mozes (Ex. 4: 1-5) wordt de staf tot een slang, iets wat herhaald wordt als Mozes en Aäron voor de Farao staan (Ex. 7 : 8). Met die staf in zijn hand heeft Mozes leiding gegeven aan de doortocht door de Schelfzee, met die staf heeft Mozes later op de rots geslagen, waaruit water tevoorschijn kwam. Zo'n staf was een normaal gebruiksvoorwerp voor een herder. Voor de strijdende Israëlieten in de woestijn is die staf in Mozes' opgeheven hand, hoog boven het strijdgewoel, een herinnering aan wat God voor hen gedaan heeft in en na Egypte's diensthuis, een teken dus van Gods tegenwoordigheid. De staf in Mozes' hand verwijst naar de staf waarmee God regeert en leidt.
Ook vandaag nog zijn er tekenen van Gods tegenwoordigheid. Bijvoorbeeld de sacramenten en de Woordverkondiging. Misschien wel zwakke tekenen in veler ogen, maar toch wil God die middelen gebruiken om ons vandaag toe te rusten tot onze strijd.
Die staf is niet een magische toverstaf.
Het is niet voldoende dat die staf ergens in het legerkamp aanwezig is; hij garandeert niet alleen al door zijn er-zijn de overwinning.
Nee, de staf moet worden opgeheven, en dat gaat gepaard met pijn en moeite. God geeft wel Zijn tekenen, maar die moeten wel in geloof ontvangen wonden. Wij denken vaak dat alles maar vanzelf moot gaan, dat God er is en liefde is en dat daarom in de wereld alles maar goed en mooi moet zijn. Maar de evangelieboodschap moet telkens opnieuw worden veroverd, bevochten met volharding.

De zware opgave en de helpers
Mozes' handen worden "zwaar".
Ja, de opgave om dit te doen - om te blijven leven uit de tekenen, de worsteling om het geloof en het verstaan van de boodschap, het levende gebed - is heel moeilijk.
Maar de geschiedenis uit Ex. 17 laat ook zien dat die opgave essentieel is, van levensbelang: als Mozes zijn handen laat zakken wint Amalek. Als een mens niet meer bidt, als hij de taal van Gods tekenen niet meer probeert te horen en te verstaan, dan wint "Amalek", de tegenstander, de Satan, bet in ons persoonlijk leven, in het leven van de kerk en van de wereld.
Dan wordt de eigenlijke strijd om te kunnen leven in de dienst van God en tot heil van de naaste, door de kerk, als zout en licht, verloren.
Aäron en Hur assisteren Mozes, als hij het niet meer aankan. Mozes staat, net zo min als wij alleen in de moeite met het gebed en het geloof. Er zijn medepelgrims, mederetagers, die ons kunnen helpen en die wij op onze beurt kunnen bijstaan, om te bidden of God onze uitgestrekte banden wil vullen, of Hij zijn tekenen voor ons levend wil maken.
En welk groter teken van Gods helpende bijstand voor ons is er ooit uitgegaan dan het kruis van Jezus Christus op de heuvel Golgotha, waar Zijn gebonden banden uitgestrekt werden.
Juist omdat Zijn zegenende handen gebonden en uitgestrekt waren, mogen wij onze handen opheffen naar Gods genadetroon.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief