Hoe gaan wij met de Bijbel om?

1983-06-17
  • Jaargang 27
  • nummer 24
De krant meldde onlangs het volgende: In zes van elke tien woningen in ons land is een Bijbel aanwezig. Dat is gebleken uit een onderzoek, dat eind vorige maand gehouden is door het Nederlands Instituut voor de Publieke Opinie (NIPO) in Amsterdam. Er werd voor dit onderzoek een aselecte steekproef gehouden onder 911 personen van 18 jaar en ouder. Vergelijking met een soortgelijk onderzoek van eind mei 1978 wijst uit, dat het Bijbelbezit sindsdien niet noemenswaard is toegenomen.
Destijds bleek in 59 procent van de woningen een Bijbel aanwezig te zijn, nu Ligt het percentage op 61. Nu is BIJBELBEZIT te onderscheiden van BIJBELGEBRUIK' Op de vraag of men wel eens in de Bijbel gelezen had, antwoordde 72 procent van de ondervraagden positief. (net als vijf jaar geleden). Alle ondervraagden van gereformeerde signatuur verklaarden wel eens in de Bijbel gelezen te hebben. Dit alles gaf ons voldoende aanleiding om opnieuw aandacht te besteden aan onze omgang met het Woord van God, dat ons de weg wijst niet waarlangs wij thuis KUNNEN komen, maar waarlangs wij thuis MOETEN komen!

Gods Boek
De Bijbel is Gods Boek! De Bijbel is het Boek van Gods Openbaring!
God openbaart Zich in de natuur en in de Schriftuur. Zo belijden wij het met artikel twee van de Nederlandse Geloofsbelijdenis: "Ten tweede geeft Hij Zichzelf nog duidelijker en volkomen er aan ons te kennen door zijn heilig en goddelijk Woord voorzover dit voor ons in dit leven nodig is tot zijn eer en tot heil van de zijnen".
Hoe staan wij vandaag tegenover het gezag van de Bijbel? Is het voor ons nog het levende Woord van de levende God? Of vinden wij bet slechts een menselijk boek waarvan de Here op zijn tijd gebruik wil maken als het Hem uitkomt om mensen te redden? Of zijn wij onder de indruk gekomen van de Schriftcritici, die het ontleedmes in de Bijbel hebben gezet en zijn gaan selekteren wat belangrijk en niet belangrijk is, ja zelfs, wat wij moeten handhaven als behorend tot bet centrum en wat wij eventueel kunnen missen als deel uitmakend van de omtrek?
Maar centrum en omtrek vallen beide binnen één cirkel, zei Herman Bavinck reeds. Geloven wij nog in God als de God van wonderen?
Naarmate de mens meer en meer meent zichzelf te kunnen bedruipen, heeft hij minder beboefte aan een wonder. De moderne mens kan nagenoeg alles. De reageerbuisbaby is er als een recent voorbeeld van het bijna onbeperkt vermogen van de mens om in te grijpen in het Scheppingsgebeuren.
Wat moet je dan nog met een verbaal beginnen als dat van de sprekende ezelin van Bilearn? Dat is toch dwaasheid of een sprookje' Met dergelijke dingen kun je de mensen toch niet meer opzadelen in deze moderne eeuw?! Toen men eens aan wijlen ds A. K. Straatsma, destijds bekend predikant in de N.H. kerk te Den Haag, vroeg of hij nog werkelijk geloofde in die sprekende ezelin, repliceerde hij als volgt: "Waarom zou ik dat niet geloven? Ik heb in mijn leven al zoveel ezels en ezelinnen horen spreken!".
En nog spitser was de reaktie van N. Baas, destijds straatevangelist te Amsterdam: "Als u voor mij een ezel maakt, zal ik hem laten spreken." Ja, God is een God van wonderen! En een kinderlijke geIoofshouding heeft geen moeite met het geloof in wonderen. Immers; het kind leeft van en Jaaft zich ààn het wonder.

Persoonlijk Bijbelgebruik
Hoe is onze instelling tegenover de Heilige Schrift? Dat is de eerste vraag, die dient gesteld te worden.
We moeten goed in de gaten houden, dat de Bijbel een boek van geheel eigen aard is. Daarom moet men hem niet beschouwen als een soort studieboek waarvan men de stof onder de knie moot zien te krijgen, terwijl daarvoor uiteraard een bepaald intellektueel niveau vereist is.
Het Woord van God krijgt niemand onder de knie. Wie zich zo opstelt gaat boven de Bijbel staan en lijdt aan verschrikkelijke' hoogmoed.
Nee, wij moeten in ootmoed leren luisteren naar de bijbelse boodschap en aan God vragen in hot gebed of Hij onze ogen wil openen, opdat wij de wonderen van zijn goddelijk onderwijs mogen ontdekken. Dan zullen we het niet kunnen laten een loflied op de Bijbel te zingen. Een tweede voorwaarde is, dat we er de tijd voor moeten nemen. In dat verband heeft ds C. A. van Harten, emeritus Hervormd predikant, eens het volgende geschreven: "Er was eens in een gemeente een boer, die de gewoonte had om na de hooibouw met zijn knechten een dagje uit te gaan, het ene jaar hierheen, en het: andere jaar weer ergens anders naar toe. Op een keer kwamen ze op het idee om eens naar het Rijksmuseum te gaan. Daar hadden ze in de krant iets over gelezen. Dat moest buitengewoon interessant zijn. Zij erheen. Een toegangsbewijs gekocht. En toen al dat moois bewonderen. Ze gingen met grote stappen van de ene zaal naar de andere, want ze wilden alles zien.
Ze werden doodmoe. Toen ze tegen melktijd thuiskwamen, waren ze het er allen over eens: Dat doen we nooit meer. Je kunt beter een week lang onder de hooivork lopen dan één dag door het museum sjouwen. Zoals deze boer met zijn knechten door het museum draafde, zó dreven heel veel brave christenmensen door de Bijbel heen. Met hetzelfde resultaat.
Ze worden doodmoe. En ze zien niets, dat de moeite waard is. Voor hen is de Bijbel a.h.w. één lange gang, die smal is met aan weerszijden kaal geschopte deuren. Elk jaar hollen ze weer door die gangen heen en ze zien nooit iets anders dan diezelfde deuren, die almaar kaler worden vanwege de vele voeten, die er langs gaan en er tegenaan schoppen. Als ze er nu de tijd eens voor namen om bij zo'n deur stil te staan! En aan te kloppen!
En dan geduldig te wachten tot die deur opengaat! Dan zouden ze ontdekken, dat er achter die verveloze deuren prachtige zalen liggen met grote ramen en een schitterend uitnicht. Als we zó de Bijbel lezen en op alle deuren kloppen, zullen we de ene verrassing na de andere beleven. En achter de deuren, die het moeilijkst opengaan, liggen soms de rijkste schatten verborgen."
Het was een lang citaat, maar we wilden het u niet onthouden.
Want het geeft nauwkeurig aan en brengt precies in beeld hoe wij vaak met de Bijbel omgaan, de goede uitzonderingen niet te na gesproken.
Maar wie zich serieus met Bijbelonderzoek bezighoudt zal ervaren boe het hem in zijn geloofsleven enorm verrijkt Hij is te vergelijken met iemand, die aan een vruchtdragende appelboom schudt en bemerkt, dat er altijd wel een paar appels naar beneden komen (het beeld is van Luther).

Behoefte aan een goede gids
We denken wanneer het gaat over Schriftuitleg onwillekeurig aan het verhaal, dat Lucas ons vertelt in Handelingen 8 : 26-40. De opperschatbewaarder van de koningin van Ethliopië las op de wagen op weg naar Jeruzalem de Bijbel (Jes. 53) met een biddend hart. En hij nam er de tijd voor. Maar hij had dringend behoefte aan een goede gids in Bijbelland. Filippus was daarvoor de door de Geest aangewezen man. En we kennen allemaal wel het verblijdende resultaat!
Door trouwe Bijbellezing leert de mens zichzelf kennen zoals hij werkelijk is. En dat is heel belangrijk.
Want die muur van misvormde zelfkennis, die de breuk tussen de mens en zijn God markeert, moet omvergehaald worden. Dan pas is er werkelijk uitzicht op de Here Jezus Christus! Want om Hèm gaat het in de Bijbel en om Hem moet het gaan in de prediking van het evangelie wil het althans de naam van prediking, verkondiging van het evangelie waard zijn.
De reformatoren zijn niet moe geworden dat steeds weer onder de aandacht van de gelovigen te brengen.
Calvijn heeft opgemerkt, dat de gemeenschap met Christus een groter geschenk is dan hemel en aarde samen. Dat zijn woorden om eens diep over na te denken! Wij mogen willen we recht doen aan de hele Bijbel in de prediking van het evangelie als opening van het Woord, Christus nooit uit het oog verliezen. Wij moeten Christus in de verkondiging zien en Christus moet ZICHZELF in die verkondiging zien!
De prediking zal dus bij alle vertroosting en vermaning, onderwijzing in de weg van het Verbond dienen te bevatten. Dat is niet alleen voor de gemeente nodig, maar ook van belang voor de ambtsdragers. Het is fijn als je als dominee mag merken, dat je ook iets hebt meegegeven aan de ouderlingen en de diakenen, materiaal waarmee ze in de gemeente aan de slag kunnen. De prediking mag zo instruerend zijn voor de vervulling van de ambtelijke dienst. Die Bijbel bindt ook samen. In de samenkomsten van de gemeente, in Bijbelkringen en in allerlei andere kerkelijke aktiviteiten Ik denk daasbij niet in de laatste plaats aan de evangelisatie. We mogen met die Bijbel worstelen, biddend worstelen om te verstaan wat God met zijn getuigenis bedoelt. En we hebben dan de belofte, dat de Heilige Geest ons in alle waarheid leiden zal.
Die Geest is de Auteur van de hele Bijbel! In verband met de funktie van de prediking, die ik zojuist noemde, geef ik een citaat van J.C. Sikkel, dat haarscherp verwoordt waarom het in de Woordbedierring draait: "Eén hof des Heeren is Gods Woord. En elke preek moet de gemeente in dien hof brengen; zóó dat zij ziet en beseft, dat zij in dien hof is; en dat zij dien hof, en altijd alleen dien hof haars Gods immer beter en meer leert kennen.
De prediker brengt haal" door zijn tekststof telkens van een andere zijde in dien hof; door een ander hek; langs een ander pad; in een ander deel; soms dringt hij verder door, soms leidt hij haar op punten, waardoor het geheel meer spreekt; soms bepaalt hij zich tot één plekje, tot één plantje in den hof, maar altoos wordt de gemeente door de preek in dien ruimen hof geleid; altoos ziet zij dien hof Gods in zijn volle schoonheid; altoos dient de nauwkeurige arbeid van den dienst des Woords haar, om, en in den omvang, en in de onderdelen van dien hof des Heeren, de heerlijkheid van Gods Woord te genieten."
Ja, wij mogen de heerlijkheid van Gods Woord genieten! Maar dan niet om ons daartoe stilzwijgend te beperken. De HERE vraagt onze reaktie op het gelezen en beluisterde Woord. En wel in de stijl van een enthousiaste belijdenis: "Wat fijn, Here God, dat ik U heb leren kennen. Dat is voor mij pas écht leven! Ik wil mijn hele leven graag aan U geven. Want U bent het voor mij helemaal!"

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief