Het liedboek

1983-06-17
  • Jaargang 27
  • nummer 24
Lied 198
De dichterlijke tekst van dit Lied bestaat uit twee onderscheiden delen: in de eerste helft wordt een aanwijzing gegeven in beeldende taal van het toekomstige heil. "In de eerste helft nadert men gaandeweg tot vlak bij het (nog onuitgesproken) heilsgeheim, De tweede helft spreekt van 't feit zelf: Christus is opgestaan. De laatste vijf regels van het lied spreken de woorden "Pasen" en "Pinksteren" welbewust uit: de opgestane in de levensgemeenschap van wie Hem zijn toegedaan". Het lied zinspeelt duidelijk op Johannes 20.
Voor de melodie is de twee-deling ter harte genomen. "De melodie krijgt hiermee als het ware een exegtisch functie". (Comp. p. 500, 501). Het ligt voor de hand om het lied in wisselzang te zingen: 1e regel groep A; 2e regel groep B, 2e halfvers A + B (Comp.)
Tekst: 3; melodie: 3.

Lied 199
Dit Lied is gedicht tegen de achtergrond van de oorspronkelijke rijmpsalm van de engelse dichter Milton, "waarbij het probleem van de verzoening van de eerbied voor de bijbeltekst met de eisen van de gekozen poëtische vorm een rol heeft gespeeld." Daarbij zijn overigens allerlei vervormingen ont staan: uit het verband gerukte en tot een willekeurige volgorde samengelezien strofen, mishandeling van de tekst etc. (zie Comp. p. 505, 506 voor deze grëlige gang van zeken). Hoe het ook zij, het lied vereist o.i. nogal wat interpretatie zowel wat de tekst zelf als wat de inhoud betreft, het is erg verwarrend. Als kerklied achten we het daarom niet geschikt.
Jammer dat door de afwijzing van de tekst ook de mooie melodie uit het gericht verdwijnt.
Tekst: 1; melodie: 3.

Lied 200
De dichter van dit Lied heeft zonder twijfel het ontwaken van de natuur in de lente voor ogen gestaan toen hij dit paaslied maakte: "Christus, de Opgestane, is voor hem de heerser over het heelal, Die het teven overmacht schenkt over alle dood, ook die in de natuur". (Cornp. p. 507).
De diohter-vertaler heeft slechts een fragment van de oorspronkelijke 14 strofen uitgekozen, nl. de eerste twee en de laatste twee, terwijl de 3e strofe van het middengedeelte is overgebleven. Het Paasfeit wordt in zijn allesomvattende betekenis goed in dit lied weergegeven. Jammer dat het begin van strofe 5 het geheel wat ontsiert: "Ook wij, wij zetten blij van zin. "
In de prachtige melodie weerspiegelt zich zowel de blijdschap van het paasgebeuren alsook het ontwaloen van de natuur.
Tekst: 3; melodie: 3.

Lied 201
Dit Lied is een vertaling van het Paaslied van één van de grote kerkvaders en dichters van de Oosterse kerk, Johannes Damascenus (675-748). Het correspondeert met het lied van Mozes aan de Schelfzee: "zoals Mozes Israël door de Rode Zee leidde, zo leidt Christus ons van de aarde naar de hemel".
(Comp. p. 509). Toch is daarmee de zin van verschillende gezegden o.i. met dufdelijk en eerder wat verwarrend, zoals b.V. in strofe 2: ,,0 laat ons waarlijk zuiver zijn" en "Christus staat opgericht".
Niet fraai is voorts de 3e regel van strofe 1: Pasen des Heren, Pasen is 't".
Het lied spreekt in zijn geheel niet duidelijk van de heerlijkheid van het Paasfeest, De melodie is voor de kerkzang niet bepaald gemakkelijk.
Tekst: 1; melodie: 3.

Lied 202
We hebben hier te doen met een opstandingslied uit de 12e eeuw, waarbij het natuur beleven sterk gebonden is aan het Paasfeit. "Het aanbreken van de lente is een beeld van het aanbreken van de eeuwige lente, de aard wordt zo schoon als hot paradijs" (Comp. p. 512). Het bezingen van het paasgebeuren gaat echter naar onze mening te veel schuil achter de natuurlyriek, zoals dit b.v. heel sterk spreekt in strofe 2. In strofe 3 rijst de waag naar de betekenis van de zinsnede: ,~heerst uw ongerechtigheid over ons geslacht niet meer", Wat de melodie betreft: deze is niet geschikt voor de gemeentezang, eventueel wel voor koorzang.
De diverse melodieën zijn, op zichzelf genomen, wel mooi, maar men heeft bij het opnemen van dit lied helaas te weinig de gemeente voor ogen gehad: "Het melodie-schema doorkruist het strofen-schema" .
Tekst: 1; melodie: 2 (voor de kerkzang).

Lied 203
Dit Lied is een vertaling van een van Luther's vrije liederen, waarin de bevrijding van zonde en dood centraal staat. "Het gaat hem om de bevrijding van allen, die in hun deplorabele staat van slavernij aan de doodsmacht hun enige hoop op Christus hebben gesteld". (Camp. p. 514).
In strofe 5 en 7 wordt verhand gelegd met het paaslam en het paaslam in het O.T. De vraag rijst echter of het lied niet aan kracht gewonnen zou hebben indien deze beide strofen achterwege waren gebleven, zoals dit b.v. het geval is in het Ev. Ref Kirchengesangbuoh van Zwitserland, De melodie is erg mooi en niet moeilijk.
Tekst: 3; melodie: 3.

Lied 204
Deze lofzang van Luther voor het Paasfeest, waarvan dit Lied een vertaling wil zijn, is reeds vanaf 1524 in alle Duitse gezangboeken te vinden, Vergelijking met het origineel valt evenwel ten gunste uit van dit laatste. Deze tekst doet wat erg "rijmelig" aan en de gehele inhoud komt niet erg sprekend en weinig inspirerend over.
De melodie verdient enige opletendbeid wat de duur van de noten betreft: begin van eerste en derde regel dubbellang gevolgd door noten van de helft- of een kwart-duur.
Tekst: 2; melodie 3.

Lied 205
Dit Lied geeft een vertaling van een Duits gezang, waarin de betekenis van de opstanding feestelijk wordt uitgezegd. En het komt daarbij nog iets beter tot haar recht dan in het origineel het geval is.
De melodie is vrij algemeen bekend en geliefd.
Tekst: 3; melodie: 3.

Lied 206
Dit Lied munt niet uit door duidelijke taal als gevolg van het dooreenvloeien van diverse beelden.
"Het correspondeert met de Lofzang van Hanna, maar de dichter zinspeelt op haar als hij het beeld van de onvruchtbare rots oproept, die water voortbrengt als Mozes er op slaat. Zoals Samuël het kind was uit de onvruchtbare schoot, zo -is Christus tevoorschijn gekomen uit de harde rots van Zijn graf." (Comp. p. 517).
Deze vermenging van beelden: rots van Mozes, Hanna, de moordenaar aan het kruis, maakt bet geheel te ondoorzichtig voor een goed kerklied. En dan blijven er nog vragen over de betekenis van de 1e regel van strofe 3 en de zin van het woord "gisteren"in strofe 4 en 5.
De melodie is wel geschikt voor koor-, maar niet voor de gemeentezang.
Tekst: 1; melodie (Voor gemeentezang): 2.

A. t.a.v. de tekst der liederen: het cijfer 1 bij, niet voltrit Schriftuurlijke tekst, b.v. vanwege het bumanistisch karakter of door een sterke piëtistische inslag; het cijfer 2 bij een weliswaar Schriftuurlijke, maar niet direct begrijpelijke, en aanspreekbare tekst; het cijfer 3 als de tekst volkomen Schriftuurlijk en zonder meer verstaanbaar is.

B. t.a.v. de melodie der liederen: het cijfer 1 voor een niet-aanvaardbare melodie; het cijfer 2 voor een onbekende melodie die na enige oefening, eventueel met behulp van een koor, door de gemeente wel te zingen is en voorts ook voor een melodie die niet bepaald tot "de beste" behoort; het cijfer 3 voor "een goede" melodie, geschikt voor de gemeentezang.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief