Het functioneren van de belijdenis (2)
1984-06-08
Maar holt die argwaan de trouw aan de belijdenis, waarvan in de bovengenoemde Verklaring getuigenis wordt afgelegd, niet uit? Wanneer je zo hamert op de Heilige Schrift als norm, óók van de belijdenisgeschriften, houd je dan uiteindelijk niet de Heilige Schrift als enige norm over? Anders gezegd: leidt deze afwijzing van het confessionalisme niet tot biblicisme?- Jaargang 28
- nummer 23
Inderdaad staan onze Ned. Geref. kerken bloot aan het gevaar van een eenzijdige reaktie op de vrijgemaakte hantering van de belijdenis als regel van het geloof.
Eenmaal gefascineerd door de ontdekking, dat het levende en krachtige Woord van God nooit kan worden opgesloten in de confessie, maar daar altijd bovenuit gaat, 1) is er stellig ontvankelijkheid voor de verleiding, om het kerkelijk belijden als een niet-bindende interpretatie van de inhoud van de bijbel te beschouwen. Toch is het geen holle frase, de Ned. Geref. betuiging van trouw aan de belijdenis zoals die in 1974 werd afgelegd.
Onze kerken beseffen nl. terdege, dat het levende en normatieve Woord van God ons bereikt, dankzij de confessionele duidelijkheid die de Reformatie verschaft heeft. Nadrukkelijk wordt in de Verklaring van 1974 dan ook verwezen naar de continuïteit met de kerk van alle eeuwen, waarin wij in onze tijd gemeente van Christus willen zijn. Onze positie wordt misschien het beste getypeerd door de lijn die Abraham Kuyper uitzette in 1880: "Wet des geloofs en des levens is mij alleen Gods Woord. Dàt blijft, al het andere wisselt: (... ) Slechts beginne men nooit van meet af, maar belijde zijn geloof steeds op de historische lijn, d.i. in aansluiting aan de Belijdenis der Vaderen, maar die zo mogelijk beter uitgedrukt, Schriftmatiger bepleit, scherper tegen de ketterij ook onzer dagen gehandhaafd, en zóó uitgesproken, dat ze ons eigen geslacht een woord op de lippen legge, dat naar onze behoefte ons het scherpwette zwaard reikt, om in den geestelijken tegenstand waaraan wij ten prooi zijn, met vaste hope en blijmoedig geloof pal te staan voor onze Heer." 2)
De nadruk die Kuyper in 1880 al legde op de noodzaak, om de belijdenis verder te ontwikkelen en op de aktualiteit toe te spitsen - hij spreekt van "voortdurende reformatie ook op het stuk der belijdenis" 3) - kenmerkt ook de Ned. Geref. omgang met de belijdenis: En - durf ik beweren - in zekere zin eveneens de Chr. Geref. omgang met de belijdenis. In de nieuwe Chr. Geref. liturgische formulieren zijn aanvullingen op en korrekties van de belijdenis geschriften aan te treffen. Zo wordt in het herziene Avondmaalsformulier nadrukkelijk gewezen op de toekomstgerichtheid van het Avondmaal: "Met groot verlangen mogen wij samen aan het Avondmaal uitzien naar de wederkomst van onze Heiland, Die ons genodigd heeft tot het bruiloftsmaal van het Lam. Dan zal Hij met ons de vrucht van de wijnstok nieuw drinken in het Koninkrijk van Zijn Vader." Deze verwijzing naar het Avondmaal als een vooruitlopen op het bruiloftsmaal van het Lam, ontbreekt in zowel de HC als de NGB, maar vindt terecht een plaats in de huidige onderwijzing van de gemeente over de betekenis van het Avondmaal. In het nieuwe formulier voor de bevestiging van ouderlingen en diakenen worden de ouderlingen aangesproken op hun herderlijke taak, terwijl art. 30 van de NGB uitsluitend de dienaren des Woords 'herder' wil noemen. Ook hier een volkomen juiste bijstelling van de belijdenis aan de hand van bijbelse maatstaven. Ziehier twee voorbeelden van het proces van bijbels/kritisch toetsen van de belijdenis, waaraan geen kerk ontkomt die ernst wil maken met de voortgang van het Schriftonderzoek in de loop der eeuwen, en de ontwikkeling van de geschiedenis. Gereformeerd-zijn kàn niet bestaan in een pure herhaling van wat eeuwen geleden gezegd is; de kerk moet in aansluiting aan haar belijdenis blijven zoeken naar wat God door Zijn Woord in onze tijd te zeggen heeft.
De vraag naar het functioneren van de belijdenis kan echter pas ten volle beantwoord worden, door aandacht te schenken aan de manier, waarop de leden van de kerk in 1984 hun geloof in Christus beleven. Immers, zo brengt de bijbel de belijdenis van de kerk ter sprake: niet als het voorwerp van haar geloof, maar als de uiting van haar geloof. 4) 'Belijden' is in de bijbel de term voor het ten overstaan van de wereld uitdrukking geven aan het geloof in Christus. De belijdenisgeschriften zullen pas dán goed functioneren, wanneer zij vorm geven aan die acte van belijden: "Dat het leven en werken der kerk het rechte leven en het rechte werken van de kerk van Jezus Christus zijn, dáárom - en dáárom alléén! - gaat het in de belijdenis." 5) Welnu, in die zin functioneren de drie formulieren van enigheid in de Ned. Geref. kerken, ook in de Ned. Geref. kerk te Haarlem, volop.
Zij staan weliswaar niet als zodanig in het centrum van de belangstelling, maar werken des te meer in op de manier van christelijk leren en leven zoals onze kerken die door de Heilige Schrift geboden achten.
Laat mij u daar tenslotte drie voorbeelden van geven - voor elk van de drie formulieren van enigheid één.
1. Wanneer wij in aanmerking nemen, dat de inzet van de HC, die de enige troost in leven en sterven ter sprake brengt, programmatisch is voor het geheel van dit belijdenisgeschrift, kunnen wij zonder overdrijving stellen, dat de Catechismus nog steeds een zwaar stempel drukt op de vroomheid en geloofsbeleving die in de Ned. Geref. kerken worden nagejaagd. In een tijd, waarin velen het geloof laten opgaan in zijn politieke konsekwenties, staat voor onze kerken centraal de persoonlijke verhouding tot God, gebaseerd op de verzoening in Christus Jezus, om van daaruit ook aandacht te hebben voor de konsekwenties -van ons geloof voor onze handel en wandel.
2. Het unieke gezag, dat door de NGB aan de Heilige Schrift als het door Gods Geest aan mensen ingegeven Woord van God wordt toegekend, wordt in de Ned. Geref. kerken metterdaad erkend. Met name op de prediking is de manier, waarop in dit belijdenisgeschrift zorgvuldig steeds weer gevraagd wordt naar de betekenis van het bijbelwoord als de beslissende norm, van grote invloed. Het zware accent op de uitleg van de bijbel en het uitgangspunt dat hij het laatste woord heeft inzake onze vragen en problemen, zijn bepalend voor de verkondiging van het evangelie in onze kerken.
3. De beslistheid waarmee in de Ned. Geref. kerken de kinderdoop wordt verdedigd, laat zich o.a. verklaren uit de instemming met de hoofdinstelling van de DL, dat onze keuze voor God voorafgegaan en bepaald wordt door Gods keuze voor ons. In de diskussie met allen die de kinderdoop verwerpen, blijkt steeds weer het verkiezend voornemen van God het punt te zijn waar alles om draait: aanvaardt God een mens tot Zijn kind, afhankelijk van diens geloofsbeslissing, öf is het geloof niet meer dan het menselijk antwoord op de genade waarmee God ons, zonder voorwaarden te stellen, vanuit Zijn eeuwigheid tegemoet komt?
Geleerd door de DL herkennen onze kerken deze tweede lijn als voluit bijbels, en wordt vrijmoedig gekozen voor het bedienen van de Doop aan kinderen van gelovigen, hoewel die nog niet een bewuste keuze voor God hebben kunnen maken.
Deze drie voorbeelden illustreren, hoezeer de Ned. Gerei. kerken gevormd zijn door de drie formulieren van enigheid in hun belijden van Christus als Heer.
Of iedereen zich daarvan ten volle bewust is, is een andere zaak. In leerdiensten en katechese wordt in elk geval stelselmatig ontvouwd, hoe onze vaderen het spoor hebben gewezen, waarin wij in onze tijd verder willen gaan.
1) C. Veenhof, Prediking en uitverkiezing, Kampen 1959. 200.
2) Aangehaald in C. Veenhof, a.w. 195.
3) T.a.p.
4) A. A. van Ruler, Hoe functioneert de belijdenis?, in Theologisch Werk VI, Nijkerk 1973, 90.
5) A.w. 97.