Aan mijn kinderen
1984-06-08
Kindren van mij, ik leg deze gedichten - Jaargang 28
- nummer 23
in jullie kleine, onzeekre handen neer,
dat je, ze later lezend, op ziet lichten
de noden en verlossing van weleer.
Ik wil nog eens met opgeheven hoofde
en een hartstochtelijke dankbaarheid
het zeggen: ja, 't is waar wat wij geloofden,
kind'ren, 't is waar, 't is waar, wij zijn bevrijd!
0, in vrij land mogen jullie leven,
en wij zijn vrij van wat ons heeft benauwd:
angst dat we jullie moesten overgeven
aan 't Beest der eeuw dat alle geesten knauwt,
angst voor een volk van trieste slavenzielen
dat schichtig kijkt en praat achter de hand,
angst dat de besten zonder weerklank vielen,
angst voor een dood, een onbewoonbaar land ...
Maar nu ik weer door dorpen en door steden
de vlaggen heb zien waaien op de wind,
van oost tot west het land heb doorgereden
als een die overal zichzelf hervindt,
nu er van alle daken, alle ramen
geroepen werd wat lang verborgen lag,
kregen de dingen weer hun eigen namen,
zoals voor Adam op zijn scheppingsdag!
Wij zijn ons zelf weer! jubelden de kleuren ...
Want wat een vlag zegt, kun je pas verstaan,
als je vijf jaar achter gesloten deuren
de strakke plooien door je hand liet gaan:
een vlag leeft in de wind, een vlag wil vrij zijn,
hoog in de lucht uitlaaien als een vlam,
die doopt met vuur van goddelijk nabijzijn
elk huisdak waar de geest in wederkwam ...
't Was Pinkster, toen 't begon, maar wij, verblinden,
hadden het Pinksterfeest niet meer herkend.
0, laten we ons opnieuw met God verbinden,
nu Hij met Pinkster Zijn verlossing zendt,
biddend dat Hij Zijn wind op ons laat waaien,
ons slappe lichaam weer met kracht omgordt,
boven ons hoofd Zijn vuurtongen gaan laaien,
in onze geest Zijn Geest worde uitgestort!
Hoor, hoe de mond weer vrijuit leert spreken
die zo lang heeft gezwegen, als een graf!
kindren, gedenk van jaar tot jaar dit teken,
zwijg nooit, als je de Geest te spreken gaf!
Gedenk 't verbond van jullie kindse jaren,
de doop met vuur en wind, als door Gods hand:
wie dit bewaart, zegt God, zal Ik bewaren,
eeuwig doen wonen in een vaderland,
maar wie 't verbond brak, voor Mijn oog gesloten,
de trouw verstiet, hem doe Ik desgelijk:
Ik zal hem eeuwig uit Mijn volk verstoten
als een verrader van Mijn hemels rijk ...
Kindren, ik bid dat God jullie mag sparen
tot een lang leven uit een vrije geest,
alleen vergeet nooit dat voortaan de jaren
tellen van Pinksterfeest tot Pinksterfeest.
Want geen volk zal ooit opstaan tot nieuw leven
dat niet zijn vrijheid uit Gods hand ontving.
Daarom heb ik dit boek voor je geschreven,
van vuur en wind, tot een herinnering.
Muus Jacobse, 1945
Wie de Tweede Wereldoorlog en de bevrijding enigszins bewust heeft meegemaakt, wordt in de maand mei telkens weer met belangrijke herinneringen geconfronteerd. En hoe diep dat allemaal wel zit, blijkt uit de nog steeds doorgaande stroom van boeken over die tijd. Van verschillende kanten heb ik bovendien de vraag gehoord: Wat hebben we gedaan met de vrijheid die we in 1945 hebben gekregen? Onlangs las ik ergens over een gesprek tussen twee mensen. De ene was geboren in 1920, de andere in 1960. "Ik ben nog van voor de oorlog", zei de oude man. ,,Ja", zei de ander, "ik ook."
En wat te denken van cynische uitspraken als: "Geen nieuwe atoombommen, vóór de oude op zijn!" Op vakantie in Zweden las ik ergens op een muur gekalkt: "Auschwitz is a lovely place." (Vertaal maar met: Auschwitz is een verrukkelijk oord.) Wat hebben we met onze vrijheid gedaan? Mijn gedachten vliegen van links naar rechts. Een àndere herinnering: Ergens in Zuid-Duitsland vond ik een heel klein oorlogskerkhof; daar lag onder andere een Russische soldaat van zeventien jaar, doodgemarteld door de Gestapo.
Zeventien jaar! Ik dacht aan mijn leerlingen op school: zeventien jaar!
Hebben wij onze vrijheid ontvangen uit Gods hand en hebben wij die vrijheid bewaard voor onze kinderen?
Wat hebben wij ermee gedaan?
Muus Jacobse oftewel Klaas Heeroma kon dit gedicht in 1945 voor zijn kinderen schrijven. Nu we bijna veertig jaar verder zijn, zou je jaloers op hem kunnen worden. Er wordt al gesproken over het gevaar dat onze jeugd (zeventien jaar!) een nieuwe "lost generation" dreigt te worden, een verloren generatie voor wie geen plaats is op de arbeidsmarkt: niemand zit op hen te wachten. Wat moet je straks zeggen, als ze hun diploma in ontvangst komen nemen?
Als christenen, als gereformeerden, als vrijgemaakten moeten we maar geen al te grote woorden gebruiken.
"Staat dan in de vrijheid waarmee Christus u vrijgemaakt heeft." Boven welk kerkelijk blad stonden die nogal triomfalistisch aandoende woorden ook weer?
Ik begin meer en meer te beseffen dat de werkelijke vrede die de Here ons brengt, inderdaad alle verstand te boven gaat!
Leest u het gedicht nog eens door?
Ik heb het gehaald uit de bundel "Vuur en wind", gedichten die merendeels illegaal in de oorlog zijn verschenen en na de bevrijding zijn herdrukt.