Wat zijn verloren schapen?
1984-06-08
Wanneer we ons gerealiseerd hebben, dat "heel Israël" tenminste het Tienstammenrijk en ten meeste het volk van de 12 stammen Israëls betekent, kunnen we verder gaan. We kunnen trachten vast te stellen, wie die verloren stammen zijn, voor wie God de Heere nog zulk een overvloed van rijke beloften heeft lopen. Want bij een openvallende erfenis loont het de moeite, de erfgenamen op te sporen.- Jaargang 28
- nummer 23
Toen onze Heiland aan zijn twaalf discipelen de instructie voor hun apostolisch werk gaf, noemde Hij drie dingen 1):
niet naar de heidenen gaan,
niet naar de Samaritanen (halve heidenen) gaan,
maar naar de verloren schapen van het huis van Israël gaan.
Daar moeten we niet aan voorbijlopen. Dat is een belangrijke instructie, die het leven van de apostelen tot het einde gestempeld heeft. Van zending in Juda, onder de Joden dus, wordt niet eens gesproken. Daar predikte de Heiland zelf 2), daar ging Hij twee tot drie jaar rond, daar heeft Hij de kruisdood gevonden. Maar ook de heidenen - waar wij het eerst aan zouden denken - worden nog niet op hun program gezet; daar is later Paulus speciaal voor aangewezen.
Naar wie werden de twaalf dus gestuurd? Naar de verloren schapen van het huis Israëls.
Dat huis Israëls, zo hebben we gezien, bestond niet uit Juda - maar uit het Tienstammenrijk plus Juda plus wie sedert eeuwen en sedert de Babylonische ballingschap verstrooid waren. Wanneer we Calvijn naslaan zien we, dat Calvijn begreep dat de apostelen niet naar de heidenen werden gestuurd - maar dat hij een bladzijde verder 3) vaststelde, dat ze dus naar de heidenen zijn gegaan. Maar zo komen we er niet uit; we zullen zelf, en dieper, moeten graven.
Weliswaar heeft de Heiland, na zijn opstanding, het zendingsbevel uitgebreid tot "al de volken 4)" - maar de preferentie van de "verloren schapen van het huis van Israël" is niet vervallen. Dit moeten we in het oog houden.
De Heiland sprak vaker over verloren schapen 5). Schapen die aan dieven en rovers zijn overgeleverd, bijvoorbeeld. Hij noemde Zich de goede herder, die zijn leven voor zijn schapen stelt; waarmee Hij zijn discipelen instrueerde, hoe zich ten aanzien van hun bekeerlingen te gedragen 6). Ook dit moeten we ter harte nemen, wanneer we naar de erfgenamen van Gods beloften zoeken. Want de apostelen hebben vrijwel allen hun leven gegeven voor hun schapen, welke schapen - als de apostelen hun opdracht trouw hebben uitgevoerd bij voorkeur verloren schapen van het huis van Israël waren: mensen uit het Tienstammenrijk.
Tegen een Phoenicische vrouw, die om hulp vroeg, sprak de Heer: Ik ben slechts gezonden tot de verloren schapen van het huis van Israël 7). Dat kwam overeen met zijn opdracht aan zijn apostelen.
Maar op haar duidelijk gelovig aandringen weigerde Hij haar verzoek toch niet. Ook dat klopte met de uitbreiding, welke Hij later aan zijn dienaren gaf. Was het bondsvolk niet daartoe geroepen: om Gods heil voor de gehele wereld te betekenen?
Ook over nog andere schapen heeft de Heiland gesproken 8). Hij kende "nog andere schapen, die niet van deze stal zijn; ook die moest Hij leiden en zij zouden naar zijn stem horen en het zou worden één kudde, één Herder". Ook voor déze schapen zou de Heiland zijn leven beschikbaar stellen 9) en over deze doelstelling kwam verdeeldheid onder de Joden, die er niets van begrepen.
Begrijpen wij het wel? Er is veel gegist naar de betekenis van deze duistere zinspeling en er zijn diverse oplossingen voor het raadsel gevonden. Mogen wij er de onze aan toevoegen? Dan denken wij aan de belofte, door Ezechiël geprofeteerd: "En Ik zal hen tot één volk maken op de bergen van Israël en één koning; niet langer twee volken en twee koninkrijken" 10). Dan had de Heiland de "verloren stammen" op het oog, dragers van Gods onberouwelijke beloften, niet minder dan de Joden.
Hij predikte voor déze stal, voor de Joden; een betrekkelijk klein deel van het Tweestammenrijk. Maar de grote massa van het bondsvolk (de andere stal) leefde buiten Palestina, was weggevoerd naar Assyrië; en vandaar tot de einden der aarde getrokken. Waar dan wel? Naar Egypte, naar Pathros (dat is Zuid-Egypte of Soedan), naar Elam, dat zijn de hooglanden ten Oosten en Noordoosten van Babylonië; ook naar Sinear (Babylonië), naar Ethiopië of Abessinië, naar Hamath oftewel Phoenicië en naar de kustlanden der zee 11), welke een hoofdstuk apart zouden kunnen beslaan. Al deze landen wilde Hij bereiken door zijn apostelen. Het zendingsveld lag zo ver over de aarde verspreid, dat de Heiland er bij zei: ge zult niet alle steden van Israël zijn rondgekomen 13), voordat de Zoon des mensesn komt, De schapen zonder herder waren verstrooid "onder allerlei volken, die ze niet kenden 12)". Babel kende men wel - Hizkia had de diplomaten gaarne ontvangen. Assyrië kende merr ook maar al te goed. Maar de verloren schapen waren naar ándere landen gegaan, of gevoerd, of gevlucht, die ze voorheen niet kenden.
Op nog enkele plaatsen van het oude testament willen we wijzen, wanneer het om verloren schapen of schapen zonder herder gaat 14).
Jesaja tekent de nood van een herderloze kudde: de wachters zijn blind, zij allen hebben geen kennis, zij zijn allen stomme honden, vraatzuchtig, onverzadigbaar; herders, die niet weten acht te geven.
En Jeremia is nog strenger over verdwaasde herders, wier kudde verstrooid is 15); over herders, die de schapen, welke de Heere weidt, verderven en verstrooien; die neergeveld, verbrijzeld en geslacht zullen worden; over een kudde verloren schapen, misleid door hun herders. We denken aan herders als koning Achab, die terwille van een wijngaard zijn naaste liet vermoorden; aan koning Jerobeam, die het volk door middel van zijn kalverendienst uit de tempel hield.
De verloren schapen van het huis van Israël - dat is Gods ganse bondsvolk, dat misleid, verlopen en verloren is.
Wanneer duidelijk is geworden, dat "heel Israël", Gods oogappel, het volk van zijn genadige keuze op een aantal Joden na, aan het Palestijnse oog was onttrokken, komt de vraag op: wat deden de apostelen nu met de opdracht van hun Meester? Wisten zij het adres van de verloren schapen?
Het antwoord kan categorisch zijn: natuurlijk wisten zij, waarheen ze moesten trekken. De Heere geeft nooit onmogelijke opdrachten.
De apostelen hebben, als hun Meester, geweten waar Noord en Zuid, waar Oost en West lagen en waar de "einden der aarde" zich bevonden.
Dit is geen speculatie - althans niet meer dan Jacobus deed, toen die zijn algemene zendbrief "aan de twaalf stammen in de verstrooiing"
adresseerde. Want Jacobus, de broeder des Heeren, opvolger van Petrus als bisschop van Jerusalem, schreef zijn kostelijke en wijze brief niet aan de (sedert Stefanus' dood 16) in Judea en Samaria ondergedoken christen-Joden, maar aan gans Israël, aan de twaalf stammen. En de schrijver van zulk een wijze brief wist stellig de adressen; wist als een wijze herder waar hij zijn schapen kon vinden.
Dat moeten de andere apostelen even goed hebben geweten. Om de verstrooide schapen van het huis Israëls te vinden, behoeven we dus maar de apostelen te volgen. Dan komen we vanzelf in de juiste landen: Noord en Zuid, Oost en West en de verre eilanden der zee.
Er is slechts een moeilijkheid. De Bijbel zwijgt vrijwel geheel over de zendingsreizen van de twaalf apostelen - vermeldt des te uitvoeriger de reizen van de heiden-apostel, Paulus. Wij moeten dus ons licht opsteken bij de oudste kerkelijk geschiedschrijvers en daarmee critisch omgaan; onderzoekende alle dingen en het goede behoudende.
Voor we daarmee beginnen - en er liggen verrassingen te wachten willen we vast één ding noemen. De Assyrische vorst Salmanassar 111 liet een gedenksteen na, waarop koning Iehu staat afgebeeld met de naam: "Zoon van Omri". Deze steen van Mesa wordt bewaard in het Brits Museum te London. Omri was de eerste koning van Israël, die in authentieke bronnen buiten het oude testament vermeld wordt.
Lang daarna werd Israël nog steeds "huis van Omri" genoemd 17).
Welnu, toen de Assyriërs 150 jaar na Omri de tien stammen wegvoerden, spraken ze over Gods volk nog als "het volk van Omri".
De naam werd geschreven als G'omri, later veranderd in Kumri, Cymry. Eerste verrassing: de Kelten van Wales noemen zich officieel nog steeds Cymry en zeggen daarbij af te stammen van Israël. Dat is dan nog maar een klein deel van het Tienstammenrijk, want dat rijk is verspreid over de gehele aarde.
Zullen we verder gaan als er weer plaats is?
1) Matt. 10: 5, 6 - 2) Matt. 11 : 1 - 3) Instit. J, 497/8 - 4) Matt. 28: 19 5) Joh. 10 - 6) zie ook Jes. 40: 11 - 7) Matt. 15 : 24 - 8) Joh. 10: 16 _ 9) id. : 17 - 10) Ez. 37: 15 - 11) Jes. 11 : 11 - 12) Zach. 7: 14 - 13) Matt. 10: 23 - 14) Jes. 56: 10, 11 - 15) Jer. 10: 21; 23 : 1; 25 : 34; 50: 6 – l6) Hand.8 : 1 - 17) W.P. Ene. onder Omri.