De dood in zijn ware gedaante
1985-04-19
Okke Jager,"De dood in zijn ware gedaante".- Jaargang 29
- nummer 16
Uitg. Ten Have. Baarn: 222 blz. Prijs f 24,50.
Het is de hoogste tijd om aandacht te besteden aan het boek van Okke Jager "De dood in zijn ware gedaante". Intussen is er nl. al een vervolg verschenen "Liever langer leven". Dr Jager heeft wel een bijzonder vruchtbare pen, Het eerste hoofdstuk "De uitstelbaarheid van de dood" begint nogal schokkend. Jager constateert all op de eerste pagina, dat de meeste doden niet door God opgeroepen zijn. Wijzelf begeven ons steeds weer moedwillig in gevaar. - Zelfdoding op termijn is algemeen geaccepteerd. Alleen bij 'bewuste suïcide spreken we echter over zelfdoding.
De mens is zelf verantwoordelijk voor heden en toekomst van de samenleving. Daarom moeten wij met alle macht trachten de dood terug te dringen. Over dit thema handelt dit boek.
Veroudering en sterfte moeten we even resoluut bestrijden al andere door mens en natuur veroorzaakte calamiteiten. Jager wil dan ook niets weten van uitdrukkingen als: God nam hem weg op zijn tijd. Alsof de luchtverontreiniging van de hemel komt. Naar twee kanten wil Jager zich verweren, zowel tegen de traditionele als tegen de moderne aanvaarding van de dood. In hoofdstuk 2 “De werkelijkheid van de dood”, wijst Jager o.m. op de troosteloosheid van de dood. Niemand kan zich de immense eenzaamheid voorstellen waarin elk stervend mens door de tunnel gaat. De stervende neemt afscheid van zichzelf. Immers sterven is afscheid van het leven nemen en dat leven zijn wij zelf. Jager meent, dat het een illusie is, dat op het moment van ons heengaan onze taak voltooid is. Als dat waar zou zijn, had Jezus zijn gestorven vriend Lazarus met rust moeten laten. Ik vind, dat hij hier en ook elders wel wat erg vlug met zijn conclusies is.
In het 3e hoofdstuk worden we geconfronteert met het bagatelliseren van de dood. Dat heeft, schrijft hij, door de eeuwen plaats gevonden. Bij de christenen krijgt dat ook nog een christelijk tintje. Zo wijzen de calvinisten erop, dat de eeuwige bestemming al voor de geboorte vaststond. Voor hen was sterven geen kunst meer. Overigens wijst de wijze van spreken over de dood aan, dat het nog altijd een taboe is. Daarom spreekt men over “ad patres gaan”, “het hoekje omgaan”, “de kraaienmars blazen”, enz. Door deze spottende uitdrukkingen wordt de dood lichter gemaakt, iets minder echt. Als één van de oorzaken van de berusting noemt Jager de invloed der massamedia. Het gespeeld geweld versterkt de illusie van eigen onsterfelijkheid. Moord is zo normaal, dat 40% van de Zweedse kinderen van 6 tot 10 jaar gelooft, dat een mens alleen door moord kan sterven. Wanneer opa is overleden vraagt het kind: wie heeft opa doodgeschoten?
Jager wijst ook op de krantenberichten. Men spreekt over een rustig weekend, want er waren slechts twee verkeersslachtoffers. Het tegennatuurlijke van de dood wordt ook geromantiseerd. Het grootste raadsel in de geschiedenis van de christelijke wereld vindt Jager de voorchristelijke lijdzaamheid tegenover de dood. Alles wordt immers door God bepaald. Zondag 10 moet het dan natuurlijk bij hem ontgelden. Liederen als “wat God doet dat is welgedaan” vinden bij hem geen genade.
Nog altijd leeft bij ons de taaie dwanggedachte: wanneer het leven ons niet mishaagt, mag de dood ons ook niet mishagen, want deze komt uit de hand van dezelfde Meester. En dan de rouwadvertenties. Men doet alsof God alles bepaalt. Maar God is te goed om overal goed voor te zijn. Het bagatelliseren van de dood heeft een schijn van bestaansrecht. De dood is er niet meer, want Christus heeft hem overwonnen. Het laatste hoofdstuk, “De herwaardering van de dood” beslaat bijna de helft van het boek. De nieuwe theologie, merkt Jager op, wil wel niets weten van de traditionele berusting, maar is toch ook weer in het oude spoort gekomen. En zelfs tot meer dan berusting. De herwaardering van de dood is uitgelopen op de verheffing van de dood tot iets waardevols. Jager noemt daarbij een elftal vormen van herwaardering, zoals de lof der eindigheid, de stervensbegeleiding en het leerzame lijden. In dit hoofdstuk brengt hij, evenals in andere, de kernbewapening ter sprake. Hij spreekt hier over de zelfvernietigingsdrang van het westen. En dan nog de slotzin: zolang het leven waard is geleefd te worden, is het ook waard verlengd te worden.
Het boek van Jager is vaak boeiend om te lezen. Er blijft ook zijn enorme belezenheid uit. Zijn taalgebruik is aantrekkelijk. Soms wel wat speels en niet altijd van overdrijving vrij te pleiten. Zijn conclusies trekt hij nog al eens te vlot. Het op één lijn plaatsen van zelfdoding en het hebben van riskante leefgewoonten, en dat is bij hem een belangrijk gegeven, plaatst hij ten onrechte op één lijn. Dat is net zo min hetzelfde als doodslag en dood door schuld identiek zijn. Met de Bijbel gaat hij vaak op merkwaardige wijze om. Aan tal.van Bijbelse begrippengeeft hij een andere, naar het mij, voorkomt onjuiste inhoud. Het ergste is wel, dat hij ook meedoet aan de mode van deze tijd, het loochenen van Gods almacht. Voor hem is God niet meer de almachtige. Na Auschwitz is God de lijdende en machteloze, die overschreeuwd wordt door de dood. Hij ontkent dan ook, dat de dood al verslagen is. Dat zou te kort doen aan de verschrikking van de dood. God zal wel eens almachtig worden, maar Hij is het nog niet. Hij is nog gewikkeld in een gevecht met allerlei tegenmachten, waarvan de dood de meest vijandige is. Het is allemaal erg interessant om te lezen. Toch zijn er veel vraagtekens te plaatsen, omdat de bijbelse fundering zwak is.