Het functioneren van de belijdenis (3)

1984-06-15
  • Jaargang 28
  • nummer 24
“Mijn vader weet alles!" zegt een jongen van 8 jaar trots. Diezelfde jongen, als hij 18 is: "Mijn vader? Belachelijk zoals die over de dingen denkt!" Die jongen, als hij zelf vader is van een zoon van 18: "Wat was mijn vader toch een wijze man!"

Een Duitse theoloog 1) vergelijkt de houding van de kerk t.o.v. haar belijdenis met die verschillende manieren waarop iemand tegen zijn vader aankijkt. Soms stelt de kerk de belijdenisgeschriften op een torenhoog voetstuk, en beschouwt zij ze als het eind van alle tegenspraak.
Dan lijkt zij op die jongen van 8, die trots zegt: "Mijn vader weet alles!" Van de weeromstuit kan de kerk ook laatdunkend neerzien op die oude, stoffige traditie, gedreven door de lust om zèlf de bijbel te lezen en uit te leggen, zonder gehinderd te worden door de uitleggers van vroeger met hun beperkte blik en vooroordelen. Dan lijkt zij op die jongen van 18, die zijn schouders ophaalt over die hopeloos ouderwetse vader van hem. Maar de kerk kan ook een bezonkenheid van oordeel bereiken, waarin zij beseft hoe beperkt van inzicht zij zélf is, en hoe veel inzicht in de Schriften is opgeslagen in de oude boeken van haar traditie. Dán lijkt zij op die jongen, die, volwassen geworden, zijn vader, met al z'n tekortkomingen, toch eert om z'n wijsheid. Voor deze laatste houding pleitte Kuper toen hij schreef - zie 'Opbouw' van vorige week - dat wij bij het samenvatten van de bijbelse boodschap niet 'van meet aan' moeten beginnen, maar ons moeten aansluiten bij de belijdenisgeschriften waarin ons voorgeslacht, zich over diezelfde boodschap verantwoord heeft. Het lijkt mij, dat Kuyper daarin groot gelijk heeft. Het is een kwestie van volwassenheid om als kerk bescheiden te erkennen, dat de Heilige Geest niet bij onze generatie begonnen is inzicht in Gods Woord te schenken.

En daarmee kom ik dan bij dat vreemde woord 'biblicisme'. Daar zit het woord 'biblia' = bijbel in, maar voorzien van de uitgang -isme, die vaak duidt op het schromelijk eenzijdige verklaren of handelen vanuit één principe (b.v. evolutionisme, pacifisme, wetticisme). Welnu, met 'biblicisme' wordt die richting bedoeld, die zich voor leer en leven enkel en alleen door de bijbel gezeggen laat, en aan de eeuwenlange traditie van omgang met de bijbel geen boodschap heeft. Een voorbeeld. Een Jehova's-getuige redetwist met u over het bijbels gehalte van uw geloof. Hij/zij verwijt u, dingen te leren die helemaal niet in de bijbel staan, b.v. dat God drie-enig is. Nietwaar, in de konkordantie is het woord 'drie-enig' niet te vinden. En dus, als u gelooft in de drie-enige God, bent u onbijbels bezig. Aldus de Jehova's-getuige, die hier biblicistisch redeneert: alleen de bijbel spreekt gezaghebbend; alles, wat mensen in de loop van de tijd uit de bijbel hebben afgeleid, moet je naast je neer leggen.
Nu lijkt dit biblicisme sterke papieren te hebben voor christenen, die zijn opgevoed bij de inzichten van de Reformatie. Immers, die leus 'alleen de bijbel!' kon zó weggelopen zijn uit het onderricht van Luther en Calvijn. Waren zij het niet, die tegenover de RK-kerk vasthielden aan het 'sola gratia' (= alleen door genade en niet om onze goede werken worden wij vrijgesproken), het 'sola fide' (= alleen door geloof in Christus en niet door wat wij zelf kunnen, worden wij gered) en het 'sola scriptura'? Met dat laatste bedoelden zij, dat alléén de Schrift, en niet de uitleg van de Schrift door de Paus gezaghebbend voor ons is. Vgl. NGB art. 7: "Men mag ook geen geschriften van mensen, hoe heilig zij geweest zijn, gelijk stellen met de goddelijke Schriften, noch de gewoonte met de waarheid Gods, (... ) noch de concilies, decreten of besluiten." En Luther heeft gezegd: Gods Woord staat boven alle woorden van mensen. 2)Maar wie nu op grond daarvan zou verwachten, dat de reformatoren aan de traditie geen boodschap meer hadden, heeft het mis. Dezelfde Luther, die zo stoer sprak: "Ik stel tegenover alle uitspraken van de Vaders (d.w.z. de kerkvaders, vdD), tegenover aller mensen, engelen en duivelen kunst en woord: de Schrift!" 3) heeft ook zijn eigen program met déze woorden samengevat: Terugkeer tot de bijbel, tot Augustinus en de kerkvaders." 4) En Calvijn heeft de mensen, die in zijn tijd al protesteerden tegen het gebruik van woorden die niet in de bijbel voorkomen, te verstaan gegeven, dat er niets tégen is om met die duidelijke woorden te ontvouwen wat in de Schrift voor ons begrip moeilijk en ingewikkeld is. 5) Trouwens, zijn hoofdwerk, de Institutie, bevat geen tientallen, maar hónderden citaten van kerkvaders als Augustinus en Chrysostomus.
Voor het biblicisme, dat over de traditie heen rechtstreeks grijpt naar de bijbel, is dan ook bij de Reformatie geen enkele steun te vinden. Maar is dat dan niet inkonsekwent en halfslachtig, gezien dat 'sola scriptura'? Nee, want dit motto bedoelt alleen te zeggen, dat de traditie nooit een zelfstandige maatstaf is voor de leer der kerk, naast de bijbel. Luther, Calvijn en allen die in hun spoor gingen, hebben de traditie, hoe eerbiedwaardig ook, lakoniek naast zich neergelegd zodra zij daarin onbijbelse dingen opmerkten. Maar zij hebben tegelijk scherp beseft, dat de traditie van de kerk niet aan elkaar hangt van feiten en gebreken. Integendeel, in menig opzicht achten zij de bijbelse waarheid uitnemend onder woorden gebracht en geïnterpreteerd in de leer van de kerkvaders en de leeruitspraken van de oude kerk. Vandaar, dat de Reformatie b.v, de belijdenis van Nicea / Constantinopel geheel voor haar rekening heeft genomen. Zij heeft erkend, dat zij de bijbel en het rechte verstaan daarvan via de traditie ontvangen heeft, en zij verweet Rome juist, die traditie te hebben verlaten!
Daarom moeten wij voorzichtig zijn met het tegenover elkaar stellen van Schrift en traditie, bijbel en belijdenis. Zeker, van nevenschikking mag geen sprake zijn. De Schrift gaat altijd uit boven de traditie; de bijbel valt nooit samen met de belijdenis.
Maar dat betekent niet, dat de belijdenis geschriften alleen maar in de weg staan als wij de bijbel zélf willen lezen. Alleen al de drang, om de bijbel zelf aan het woord te laten, zonder dat menselijke stemmen dat Woord vertroebelen, is een vrucht van de traditie - zie NGB art. 7! In tal van opzichten hebben wij onze kijk op de bijbel, die naar onze overtuiging door de bijbel zelf wordt voorgeschreven, aan de gereformeerde traditie te danken.
Denk maar eens aan de grote aandacht voor het verbond zoals die in onze kerken was en is aan te treffen. Voor hoevelen is er niet een verrassend licht over Doop en Avondmaal en heel het leven als kind van God opgegaan, vanuit het inzicht in de rijkdom van het bijbelse spreken over Gods verbondsomgang met ons. Maar laten wij niet doen alsof wij de bijbel op dit punt 'ontdekt' hebben. Geen sprake van! De weg naar die ontdekking is gebaand door o.a.de Zwitserse theoloog Bullinger, wiens inzichten weer door de Heidelberger Catechismus zijn vastgelegd. En zo zijn er veel meer voorbeelden van te noemen, hoe ons omgaan met de bijbel, dat wij zelf als rechtstreeks ervaren, ons is aangereikt door de traditie.
Het is daarom zelfs de vraag, of het ideaal van het biblicisme wel in de werkelijkheid bestaat. Over de traditie heen rechtstreeks naar de bijbel grijpen: kàn dat? De Jehova's-getuige, die verwijt met traditionele begrippen als 'drie-eenheid' het bijbelse spreken over God te verduisteren, denkt ongetwijfeld dat hij/zij zelf met het bijbelwoord alleen bezig is. Maar in werkelijkheid kijkt hij door de sterk vervormende bril van mijnheer Russell (de oprichter van de secte van de Jehova's-getuigen) naar de bijbeltekst: over traditie gesproken!
En zou de volle-evangelie-broeder, die beweert, dat de bijbel veel rijker over de Heilige Geest spreekt dan de Catechismus, van zichzelf weten dat hij met behulp van het begrippen-apparaat van John Wesley en Andrew Murray de bijbel heeft leren lezen?
Nee, niemand van ons leest de bijbel onafhankelijk van een bepaalde traditie. Daar hoeven we niet om te treuren. De Heilige Geest maakt nl. graag van ánderen gebruik om ons inzicht in Gods Woord bij te brengen.
Waarom gaan we anders naar de kerk en vormen we bijbelkringen, als Hij ons er in ons eentje uit zou willen laten komen? Welnu, zo reikt de Heilige Geest ons ook de wijsheid van het verleden aan om te verstaan wat wij lezen. Dat die wijsheid altijd vermengd is met menselijke dwaasheid, valt niet te betwisten.
Daarom ontslaat Hij ons niet van de plicht, dat wat de ander zegt, al heet hij ook Calvijn, Augustinus, dominee X of zuster Y, te toetsen aan de bijbel. Dat blijft de enig gezaghebbende bron. Sola Scriptura! Maar laten wij nier te gauw denken dat we het beter weten dan het voorgeslacht. Een van de meest oorspronkelijke (en bepaald niet streng gereformeerde) theologen die Nederland in deze eeuw heeft voortgebracht, O. Noordmans, heeft ons dat toen hij aan het begin van zijn ambtswerk stond als volgt voorgehouden: "Wat 'de gereformeerde kerk van alle tijden' heeft gezegd, is meer dan een peuleschilletje en men doet wel zich goed te bedenken voor men van een ander gevoelen is. ( ... ) Goed, ge kunt die antwoorden bestrijden. Maar juist, wanneer gij het moogt doen, zult ge er niet gemakkelijk toe komen. ( ... ) Dan doet zich voor hen die bedenkingen mogen hebben de vraag in de praktijk op: hoe zult ge het beter zeggen? Zijt gij dieper ingeleid? Meer van de Schriften doorvoed! (. .. ) Iedereen mag de antwoorden tegenspreken, maar het is de vraag, of niet menigeen het zou opgeven." 6) Waarmee wij terug zijn bij die jongen die, toen hij zelf opgroeiende kinderen moest opvoeden, tot de slotsom kwam dat het toch wel meeviel met die vader van hem... Daarmee mag overigens niet verdoezeld worden, dat de gereformeerde traditie, hoe eerbiedwaardig ook, inderdaad haar beperktheden kent.
Daarover een volgende keer.
Maar - om het in de woorden van Noordmans te zeggen - "Het is niet beleefd een wratje op een overigens schoon gelaat te fixeren." 7) Ofwel: staar je op die beperktheden niet blind; je zou er kolossale schatten die in de traditie zijn opgeslagen door over het hoofd zien. Dat zou niet alleen een belediging zijn voor de vaderen, maar ook een tekort doen van onszelf.

1) Walter Kreek, in: Warum wirst du ein Christ genannt, Vorträge und Aufsätze zum Heidelberger Katechismus in Jubileumsjahr 1963.
2) W. J. Kooiman, Luther en de bijbel, Baarn 19773, 6l.
3) a.w., 63.
4) a.w., 18.
5) Institutie I, XIII, 3. Hij noemt als voorbeelden de woorden 'Drieëenheid' en 'Persoon'.
6) O. Noordmans, Catechismusprediking, in Verzamelde Werken I, Kampen 1978, 107, 109, 110.
7) a.w., 112.



Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief