Het Volk Israël
1985-05-10
Naar aanleiding van een bezoek, dat ik voor enkele maanden aan Israël bracht, volgen hier enkele overpeinzingen over het Joodse volk.- Jaargang 29
- nummer 19
Hier volgt dus niet een reisbeschrijving al zou daar een interessant verhaal, over te schrijven zijn. Evenmin wordt ingegaan op de vraag naar de betekenis en positie van de staat Israël.
Het lijden van de Joden
Bij een bezoek aan Israël wordt men op bijna elke plaats geconfronteerd met de Bijbel. Israël, het land van de Bijbel wordt daarom wel het vijfde Evangelie genoemd.
Al is de natuur mooi en zijn de bezoeken aan historische plaatsen erg interessant, het meest kwam ik onder de indruk van het volk der Joden zelf.
Vooral het verschrikkelijke lijden, dat de Joden alle eeuwen door treft, raakt je erg. Bij Jeruzalem bevindt zich een groot monument, met museum, Yad Vasham, gesticht ter herinnering van de vervolging der, Joden onder het nationaal socialisme. Het laat iets zien van het lijden der Joden in de Tweede Wereldoorlog, waarbij 6 miljoen loden vermoord werden. Er leven nog veel slachtoffers van de afschuwelijke Duitse vernietigingskampen. Aan de rand van Jeruzalem ligt het dorpje Kfar Saul. In 1950 is daar een psychiatrische inrichting van gemaakt, o.m. voor mensen die de verschrikking van de holocaust nooit te boven zijn gekomen. De mensen, die hier wonen zijn wrakken. Te ziet er mensen heen en weer sloffen, die menen, dat ze nog steeds in een kamp zitten. Af en toe kijken ze op met angst in, hun ogen. Veertig jaar na de oorlog is hun lijden nog niet afgelopen. Het blijkt ook niet mogelijk in hun psychische toestand veel verandering te brengen. Er is ook veel geld voor nodig om deze inrichting in behoorlijke staat te brengen. Israël kan dat niet betalen, omdat de oorlog bijna alle inkomsten opslokt. Bij een bezoek aan de Knesset, het Israëlische parlement, viel me ook op, dat alles sober was ingericht. Via de tv is men dan ook bezig met een hulpactie voor deze inrichting. En het lijden van het volk der Joden gaat nog steeds door.
De Knecht des Heren
Het is niet zo wonderlijk, dat er Joden zijn, die bij het lezen van Jesaja 53, de profetie over de lijdende knecht des Heren, zichzelf daarin herkennen. Israël is onderdrukt van Egypte tot Auschwitz. En de onderdrukking is nog niet ten einde. Nog steeds worden in Oost-Europa en het Midden-Oosten Joden onderdrukt. Ook de staat Israël mist nog de nodige stabiliteit, omringd als het is door doodsvijanden. Zal Israël in staat zijn blijvend deze druk te weerstaan? Financieel economisch is men in elk geval aan het eind van zijn latijn. Veel Joden menen dan ook, dat de lijdende mens in Jesaja 53 het Joodse volk is. Israël, zo meent men, is daar het messiaanse offer. Martin Buber schreef dat de Knecht des Heren in Jesaja 53 messiaanse trekken vertoont, maar hij ziet er tegelijk ook Israël in. Voor veel christenen is de Joodse uitleg van Jesaja 53 een onbegrijpelijke zaak. Het is immers een duidelijk profetische aanduiding van de Messias. De conclusie is dan wel eens, dat de Joden zich blijkbaar niet willen laten overtuigen. Een aanwijzing meent men daarvoor ook te vinden in het feit, dat Jesaja 53 nooit in de synagoge voorgelezen wordt.
Toch zitten de Joden, aldus ds. J. Dijk in “Uw volk is mijn volk” helemaal niet in verlegenheid met de figuur van de Knecht des Heren. Het is duidelijk, zo meent men, dat het volk Israël bedoeld wordt. Immers in Jesaja 49:3 lezen we: “Gij zijt mijn Knecht Israël, in wien Ik mij zal verheerlijken”. De uitdrukking “Mijn knecht” is trouwens in de Schrift niet aan een bepaalde persoon gebonden. Abraham, Mozes, de profeten, ja zelfs de Perzische koning Kores worden knechten genoemd. En zo ook het volk Israël. Ds. Dijk stelt daarom de vraag, waarom niet beide tegelijk waar zou kunnen zijn. Israël is toch vanouds het volk van de Messias en anderzijds kun je ook de Messias nooit los zien van Israël. Hij meent, dat we te maken hebben met het zogenaamde profetisch perspectief.
De profetie wordt etappewijze vervuld. Eerst bij het volk Israël, maar later ten volle bij onze Heiland. Iets dergelijks vind je in Matth. 2: 13-15: "Uit Egypte heb Ik mijn Zoon geroepen." Mattheüs laat dit slaan op Jezus, terwijl Hosea het in Hosea 11 heeft over het volk 'Israël. Deze profetie wordt tenslotte in Jezus ten volle vervuld. De gedachte, dat bij Jesaja 53 ook aan het volk Israël gedacht moet worden is te begrijpen. Wanneer we in Jesaja 53 lezen: geen gedaante, noch heerlijkheid, niet begeerd, veracht, de onwaardigste onder de mensen, een lam ter slachting geleid. Is het leven van de Joden niet eeuwenlang zo geweest? Het is niet zo vreemd,dat Israël bij het lezen van Jesaja 53 zegt: zie, dat zijn wij. Toch twijfel ik aan deze uitleg. Ridderbos schrijft in de “Korte verklaring”, dat de Knecht des Heren onmogelijk een historische figuur uit het verleden of heden kan zijn. Wanneer in Jesaja over de knecht des Heren gesproken wordt draagt de voorstelling overal een zeer persoonlijk karakter. Uit het bovenmenselijk karakter des tekening volgt ook, dat de profeet het oog heeft op een grote gestalte van de toekomst. In Jesaja 53 wordt de Knecht des Heren ook duidelijk van Israël onderscheiden. Zo wordt in vers 9 gesproken over zijn zondeloosheid in tegenstelling met de zonde van het volk in vers 5. Heel de tekening van de Knecht des Heren als man van smarten, die plaatsvervangend lijdt voor zijn volk en als lam ter slachting geleid wordt, is bij uitsluiting een profetie van Christus. In dit verband wil ik nog wijzen op de ontmoeting van Filippus en de kamerling. Wanneer de kamerling vraagt van wie de profeet dit zegt, van zichzelf of van iemand anders, is het antwoord van Filippus duidelijk. Uitgaande van dit Schriftwoord predikte hij Jezus. Hoe zwaar het lijden van het Joodse volk ook geweest is, ik geloof toch, dat we bij Jesaja 53 alleen aan het lijden van onze Heiland hebben te denken.
Antisemitisme
Waarom moest het Joodse volk de eeuwen door zo lijden tengevolge van vervolging, achteruitzetting, uitstoting, ja zelfs slachtpartijen? In dit verband spreekt men van antisemitisme. Een wat vreemde benaming voor Jodenhaat. Het gaatniet over haat tegen de semitische volken, maar tegen een bepaald semitisch volk, het Joodse. Juist de Arabische volken, ook semieten, deden en doen mee aan het vervolgen van Israël. Vroeger werd de haat tegen de Joden nog al eens verdedigd wegens de kruisdood van onze Here Jezus. Men sprak zelfs over Gods moorders. De Joden, zo stelde men, hebben zelf een vloek over zich gehaald, toen zij bij de kruisiging van Christus riepen: zijn bloed kome over ons en onze kinderen. Daarmee zou het Joodse volk voor eeuwig door God zijn verworpen. Een vreemde argumentatie. Onze belijdenis zegt terecht, dat Jezus onder Pontius Pilatus gekruisigd is. Daar was ook wel een aantal Joden schuldig aan. Relatief echter maar een klein deel van de Joden. Op grond daarvan kon God toch niet het hele volk Israël verwerpen.
De eerste christelijke gemeenten bestonden dan' ook grotendeels uit Joden.
Maar ook voor de Joden, die wel aan de kruisiging deelnamen, is vergeving mogelijk. Christus zegt aan het kruis: "Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen." Petrus merkt later op: "En nu broeders, ik weet, dat gij uit onkunde gehandeld hebt, gelijk ook uw oversten."
Antisemitisme 'heeft zich ook niet pas na de dood van Christus geopenbaard.
We lezen ervan in Gen. 26: 16 (Isaäk en Abimelech) Ex. 1: 9 (Farao), Ester 3 : 8 (Haman) . Men heeft ook wel getracht uit bepaalde teksten af te leiden, dat de Bijbel zich, ook in antisemitische zin uitlaat. Zo verwees M. Dibelius (An die Thessalonicher, 1937) naar wat Paulus schrijft in 1 Thess. 2: 14. Paulus zegt hier, van de Joden in Judea, dat zij zelfs de Here Jezus en de profeten gedood en hem, Paulus, tot het uiterste hebben vervolgd; dat zij Gode niet behagen en aller mensen vijanden zijn, doordat zij hem trachten te verhinderen tot de heidenen te spreken tot hun behoud, om aldus te allen tijde de maat van hun zonde vol te maken. Daarom is over hen de toorn gekomen tot het einde. Hier kan, natuurlijk geen sprake zijn van antisemitisme bij Paulus, die zelf een Jood is en zich daar ook helemaal niet voor schaamde. Paulus wijst er hier op, dat het zover met zijn volk gekomen is. Ze hebben Jezus en de profeten gedood en verhinderen zelfs de prediking van het Evangelie, waardoor ze behouden kunnen worden. Het zondeproces is hier volgroeiden daarop volgt onherroepelijk het oordeel.
Het zijn scherpe woorden van Paulus. Ze mogen echter niet opgevat worden als een gericht over heel het volk Israël, maar tegen die Joden, die de maat van hun zonde vol gemaakt hebben. Antisemitisme kan geen enkel argument aan de Schrift ontlenen. Antisemitisme is ook op verschillende gronden verdedigd. Vroeger vooral op religieuze gronden. Sinds de vorige eeuw op grond van dwaze rassentheorieën. Denk aan de Neurenberger wetten van 1935, waarbij huwelijk en geslachtelijk verkeer tussen Joden en niet-Joden strafbaar werd gesteld. Het is ook moeilijk te zeggen,waaruit dat antisemitisme, die Jodenhaat. is voortgekomen. Gewezen is op het exclusief een godendom van de Joden in een wereld van 'het veelgodendom.
Ook het zich apart houden van de Joden wordt wel als oorzaak aangewezen. Is er sprake geweest van jaloersheid? Daar was weinig reden toe; in de tijd, dat Israël in Palestina woonde. Babyloniërs en Assyriërs. hadden een veel rijker cultuur dan de Joden. Zou toch de voornaamste oorzaak niet zijn, dat de Joden het volk zijn waaruit Christus geboren zou worden en geboren is?
Het is een wonder. van God, dat ondanks alles de Joden ook als volk zijn' blijven' bestaan, Karl Barth heeft daarom eens gezegd, dat het voortbestaan van het Jodendom het enige natuurlijke Godsbewijs is. Christenen hebben helaas ook aan het antisemitisme meegedaan. Toch moet men hierover niet te generaliserend spreken. Met name Calvinistisch Nederland is jarenlang een toevluchtsoord voor vervolgde Joden geweest. Het is niet toevallig, dat de calvinist Revius de dichter was van: "T'en zijn de Joden niet, Heer Jesu, die u cruysten".
Er ligt een bedekking op hun hart
Daar is me nog een andere indruk uit Israël bijgebleven, nl. dat nog altijd het woord van Paulus bewaarheid wordt, dat we vinden in 2 Cor. 3 : 14-16: "Want tot heden toe blijft. dezelfde bedekking over de voorlezing van het oude verbond, zonder weg genomen te worden; omdat zij slechts in Christus verdwijnt .. Ja, tot heden toe, ligt telkens wanneer Mozes gelezen wordt, een bedekking over hun hart. maar wanneer iemand zich tot de Here bekeerd heeft, wordt de bedekking weggenomen." In Jeruzalem kom je in aanraking met orthodoxe Joden, die met fanatisme ijveren voor de naleving van de wetten van Mozes.
Wanneer op vrijdagavond de sirene het begin van de sabbat afkondigt, wordt in de wijken van de orthodoxe Joden alle verkeer stilgelegd. De Joden haasten zich in hun sabbatskleren naar de synagogen, waar een gebedsdienst gehouden wordt en bij het zingen het verlangen naar de komst van de Messias, de grote Zoon van David wordt uitgesproken. Op zaterdag volgt dan de hoofddienst, waar uit de boeken van Mozes en de profeten gelezen wordt. De Klaagmuur blijft dag en nacht bezet door biddende Joden. Men slooft zich uit om de wetten van Mozes na te komen. Hun ijver is zeer groot. Men Vreest, dat een heerschappij van allround. orthodoxe Joden voor de anderen, ook voor de christenjoden, kwalijke gevolgen zou hebben. Zo blijft men met verlangen uitzien naar de Messias. Men ziet niet. dat de Messias al voor 2000 jaar gekomen is. De bedekking, de sluier op hun hart, maakt hen daar blind voor.
Onze roeping
Wat is nu onze roeping tegenover de Joden?
Dat is in de eerste plaats de verkondiging van het Evangelie, de Blijde boodschap dat Jezus gekomen is en in onze plaats voor onze ronden geleden heeft. Hij is de ware Knecht des Heren, door Jesaja voorzegt. Een andere weg is er ook voor de Joden niet. Die verkondiging van het Evangelie is een moeizame zaak. Het lijkt vaak een ploegen op rotsen. Maar vergeet dan niet, dat hier ook bij ons schuld is. Paulus zegt in Romeinen 11 : 11, dat de zaligheid de heidenen is ten deel gevallen om Israël tot jaloersheid te verwekken. Is daar in de geschiedenis veel van terecht gekomen? Ook christenen hebben deelgenomen aan het discrimineren van Joden en zelfs aan vervolgingen. Maar dat is niet de weg waardoor men Joden tot jaloersheid kan brengen. Dat kunnen we alleen als we in woord en daad laten zien, dat onze enige verwachting is op onze Heer en Heiland. Als we ook aan de Joden iets laten zien van de liefde, waartoe we in 1 Cor. 14 worden opgeroepen. Laten we ook in ons gebed Gods oude Bondsvolk niet vergeten.