De vrouw is de heerlijkheid van de man

1985-05-17
  • Jaargang 29
  • nummer 20
Verkeerd initiatief
"Tegen haar aard, en tegen de haar toegewezen rechtspositie in, had de vrouw tegenover den man initiatief genomen; ze had niet bedacht, en ook niet vóór alles erkend, dat de vrouw, wel verre, van in zichzelf glorieus te zijn, de glorie van den man, en de man glorie van God te wezen heeft; ze had niet den man als háár “hoofd", en niet God als het “Hoofd" van den man erkend of doen erkennen." .

In een diepgaand betoog n.a.v. Gen. 3: 15 schreef K. Schilder de bovenstaande zin (Heild. Cat. 11, 291 V.). Duidelijk is, ook uit het vervolg, dat hij denkt aan 1 Cor. 11: "het 'hoofd der vrouw is de man", (vs. 3) en "de vrouw is de heerlijkheid van de man" (vs 7). Verrassend is in dit verband het woord "initiatief". Het is afgeleid van het latijnse initium = begin, en wordt door Van Dale o.m. weergegeven met "het doen van de eerste stap" en "zelf beginnen zonder af te wachten wat anderen gaan doen." Is het "de" vrouw dan verboden initiatief "te nemen? Gaat dat "tegen haar aard en tegen de haar toegewezen rechtspositie in? Een bevestigend antwoord leidt tot onmogelijkheden. Maar Schilder is uiterst voorzichtig in zijn woordkeus: de vrouw 'had initiatief genomen "tegenover den man". M.a.w. zij verbrak dat wat zo kenmerkend is voor 'het hoofd' en 'de volgenden': de éénheid. Zij pleegde geen overleg, hield geen ruggespraak, verwees niet. Zij negeerde, inderdaad, haar rechtpositie als 'hulp' (pendant, tegenhanger). en was niet trouw aan Gods opdracht samen, met Adam de hof te bewaren. Zij miskende de orde die God vanaf den beginne had ingesteld. Net zo goed als Adam dat daarna deed tegenover zijn Hoofd. Intussen brengt Adams positie als 'hoofd der vrouw' met zich mee, dat Paulus kan schrijven: gelijk door, één mens (Adam) de zonde de wereld is binnengekomen...(Rom. 5 : 12-21; vgl. 1 Cor. 15 :21,22).

Geen rolverwisseling
Over die door God ingestelde orde en de miskenning daarvan gaat het in 1 Cor. 11: er mag geen plaats-, geen rolverwisseling optreden. Iedere man, schrijft Paulus, die profeteert met gedekten hoofde, doe zijn hoofd schande aan. Een 'bedekking' betekent: een afschermen, een niet laten zien. Leg daar Ex. 34 : 29-35 (vgl. 2 Cor. 3 : 7 v.v.) maar eens naast. Wanneer Mozes van de berg Sinaï afkwam, moest hij zijn gelaat bedekken, want de glorie van God straalde van hem af. Hij weerspiegelde Gods oneindige heerlijkheid. De Israëlieten durfden hem niet eens te naderen.
Daarom deed Mozes een doek voor zijn gelaat, een bedekking, tenminste zolang hij bij de mensen was en zolang die glorie was te zien. Maar hij deed die bedekking gelijk weer af wanneer hij met God ging spreken. Het paste hem niet, het was beneden zijn waardigheid met bedekt gelaat voor God te verschijnen (vgl. Num. 12 : 6-8).
In de wereld van Paulus en de Corinthiërs was het- kennelijk niet "mannelijk" een sluier, een bedekking te dragen. Daarom kan Paulus schrijven: "want een man moet het 'hoofd niet dekken (omhullen, verbergen): hij is 'het beeld en de heerlijkheid Gods. Door geen 'verhulling' te dragen geeft hij er blijk van, zijn plaats te kennen in de door God aangegeven orde. Omgekeerd: door wel een hoofddoek, sluier te dragen, zou hij (naar het gebruik van die tijd) tonen te willen zijn als de vrouw. Vertaald naar onze tijd: alsof hij in een jurk zou willen verschijnen met onbedekten hoofde? Net zo vreemd als dat op ons zou overkomen, even vreemd, zegt Paulus, was het in zijn tijd dat een man meteen hoofddoek om zou bidden of profeteren.
Maar bij de vrouw ligt het nu net andersom. "Dat vrouwelijke gemeenteleden, daartoe door de Geest bewogen, in de gemeentelijke samenkomsten deelnamen aan de gebeden en de profetie, is. blijkbaar geen onderwerp van discussie". Maar het eigene, het vrouw-zijn, moet herkenbaar zijn en door haar geaccepteerd worden.
Optreden zonder sluier' of hoofddoek zou in die tijd betekend hebben: als de man willen zijn. Maar juist omdat haar oorspronkelijke plaats niet die van een hoofd is, zal zij ten teken daarvan haar hoofd bedekt houden. Het ontblote hoofd berooft haar van iets, wat zij juist bewaren moet: haar vrouw-zijn. Zij gaat dan staan op een plaats, waar God haar in de goedheid van zijn heilsplan niet wil laten komen; de plaats waar haar vrouw-zijn niet meer tot zijn recht komt." Gods genade heft 'de natuur niet op en doet Gods goede schepping niet teniet. Het "in Christus is noch man noch vrouw" vaagt het eigene van vrouwen man niet weg, noch hun eigen oorspronkelijke positie.

Complement: een compliment!
Het joodse ochtendgebed: "ik dank U, dat ik niet ben geschapen als een heiden, een slaaf, een vrouw", heeft denkelijk alles te maken met de beperkingen, die de thora oplegde i.v.m. de eredienst in de tempel etc. Die beperkingen zijn verleden tijd, niet het eigene en de eigen plaats 'van man en vrouw in Gods schepping. Er is een 'tijd geweest, dat Adam "alleen op de wereld" was. Middellijkerwijs bracht God hem tot het besef van "hu1pJbehoevendheid" (Gen. 2: 18-20).
Daarna schiep God Eva "als hulpe tegen hem over", als zijn tegenhanger en complement. Hulpe - geen hulpje en ook geen hulpeloos wezen. Samen met haar kon hij de opdracht "bouwen en bewaren" vervullen. Zij was de nodige hulp - en niet alleen m.b.t. de voortplanting. De vrouw valt niet onder de BTW, ze is geen toegevoegde waarde aan de man: ze is eigenwaardig en volwaardig. En “zij is bestemd het leven te leven, dat de man als haar hoofd voor haar openlegt (niet: oplegt, P.), waarin hij haar voorgaat en dat hij haar voorleeft (men zou ook kunnen zeggen: dat hij voor haar leeft)."

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief