Oom Ko
2008-05-09
Mijn oom Ko is voor mij een bekende onbekende. Bijgaande foto stond in ons huis en hij was met enige regelmaat onderwerp van gesprek. De reden: hij was in de oorlog omgekomen.- Jaargang 52
- nummer 10
Als radio-amateur had ook hij al vroeg in bezettingstijd met enige regelmaat berichten over Duitse troepenbewegingen en andere mogelijk relevante informatie naar de Nederlandse regering in Londen doorgeseind.
En dat werk gedaan met (achteraf bezien) onbegrijpelijke naïviteit en onvoorzichtigheid. 't Was gemakkelijk gebleken om zijn activiteiten van de zender te traceren en hij was opgepakt. Om nooit meer terug te keren.
Een stukje zeep
Vierendertig dichtbeschreven kantjes is de correspondentie met mijn tante.
De doorgenummerde pagina's zijn gestuurd vanaf juni 1942 tot 10 april 1943. Het adres was eerst cel 698 van de 'Polizeigefängnis' Scheveningen, later 'gemeenschapscel A' aan de Gansstraat 164 in Utrecht en weer later de 'Deutsches Strafgefängnis Wolvenplein' in Utrecht (alle drie, meen ik, nog steeds als detentiecentrum in gebruik) Ze bevatten weinig concrete informatie, want ongetwijfeld werd alles eerst door de censuur gehaald maar ze geven wel een beeld van de man en zijn omstandigheden.
De cel met 7 anderen, de voedselpakketten die niet waren aan gekomen, en soms wel. 'Ik heb gebrek aan een stukje zeep, een paar sterke veters en een beetje schoensmeer. Ook zou ik graag een kamphemd of zo iets hebben wat niet te gauw vuil is. Schoon ondergoed en sokken krijg ik hier en mijn zakdoeken wasch ik zelf uit.' Geregeld gaat het over zulke stellig heel belangrijke zaken.
Hervonden geloof
Ik citeer uit de correspondentie vooral het element van zijn geloof. Als ik het goed begrijp, stond hij voor zijn arrestatie binnen de familie niet bekend als al te vrome, maar veeleer als redelijk nonchalant levende jongeman, die zijn vrouw wel zeer was toegedaan (Ze hadden geen kinderen). In de periode van zijn gevangenschap is daar verandering in gekomen. De correspondentie gaat veel over geloof en de steun die je daaraan hebt.
De eerste brief:'Ik ben goed gezond en kan het tamelijk goed stellen en alles is goed. Het is immers in Gods hand. Dat Hij een Verhoorder der gebeden is heb ik aan je brief ondervonden.
Bidt daarom allen veel voor mij; ik doe dat den heelen dag voor ons beiden en heb een grooten steun weer gevonden die ik bijna verloren was.' De brief eindigt met:'Doe alle bekenden de groeten, vooral in den winkel en zeg dat ze goed voor je
zorgen, want dat is mijn grootste zorg, maar ook dat is in Gods hand, en denk aan het gebed.'
Nog steeds niets
Brief twee, gedateerd 6 augustus 1942, meldt 'dat ik goed gezond ben en het tamelijk goed stellen kan in vertrouwen op God.' Kennelijk is de eerste brief van mijn tante pas in juni aangekomen. De gevraagde artikelen zijn nooit aangekomen, 'hoewel ik heel erg om enkele dingen verlegen zit.
Ik heb gevraagd om een stukje zeep, een paar sterke veters, een beetje schoensmeer.
Vooral een zakbijbeltje met een foto van je ingeplakt en een trui… Dan heb ik een overhemd nodig. Ik zie hier reeds lang verlangend naar uit, maar nog steeds niets, zelfs geen brief.
Schrijf zo spoedig mogelijk hoe het met je gaat, want anders ben ik niet gerust.' Dan volgt de aansporing: 'houdt alles vol in het gebed; ik doe het ook en het is zo'n grote troost voor mij te weten dat we een Vader in de Hemelen hebben die alles bestuurt en regeert.' De brief eindigt: 'Blijf maar bidden liefste; ik doe het ook en tot een volgende keer'.
Gebedsverhoring
Op 16 augustus 1942 meldt hij dat hij naar Utrecht is verhuisd en de omstandigheden daar aanmerkelijk beter zijn. 'Ik heb in Sch. meest alleen gezeten, maar hier zijn we met 7 man in een groote cel en het eten is uitstekend.
Ik ben goed gezond. We hebben boeken in de cel, ook een bijbel, een damspel, domino en hebben ook al enige dagen den geheelen dag aardappelen geschraapt.' Werden in Scheveningen klaarblijkelijk voedselpakketten geweigerd, 'ook dat is hier anders, al mijn celgenoten krijgen geregeld pakketten toegezonden, en alles wordt precies in 7 verdeeld, dus gelijk op. Er wordt bij het eten gezamenlijk gebeden en uit den bijbel gelezen; er is nog een gereformeerde bij en twee R.K.' Hij vraagt nog steeds om veters, 'die trui of zoiets, en een paar pakjes gesneden roggebrood, een paar pakjes sigaretten, en een pakje shag… en enige sigaren en een stukje scheerzeep.' Het einde van de brief luidt: 'Blijf allen volhouden in het gebed; iederen keer ondervind ik gebedsverhoring op zichtbare wijze.
Vele zoenen en een innige omhelzing van je man. Moge God geven dat we weer spoedig bij elkaar zijn. Ik bid er dag aan dag vurig voor.'
Op 30 augustus blijkt een pakket 'in goede orde aangekomen'. Het hemd 'heb ik op het oogenblik aan en de veters zal ik voorlopig niet verslijten.' Het was 'een fijn pakket dat met vreugde ontvangen werd'. Keer op keer blijkt de praktische godsvrucht en de oproep om te blijven bidden ontbreekt nooit. 'Blijf toch allen vooral veel voor mij bidden want inderdaad vermag een krachtig gebed des rechtvaardigen veel'. Zo gaat het verder.
Hier zien we iemand werkelijk in het hart. Mijn oom die ik nooit heb gekend.
Later werd hij overgebracht naar het beruchte en vreselijke kamp Neuengamme bij Hamburg. Daar is hij aan een besmettelijke ziekte gestorven.
Zoals een overlevende kampgenoot na de bevrijding aan mijn tante vertelde, heeft, zoals met zo velen gebeurde, zijn lijk drie weken buiten de barak gelegen voordat hij begraven werd. Mijn tante is door die ondoordachte opmerking zeer geschokt. En zij was niet de enige.
Wat blijven er veel onbegrijpelijke dingen in het leven…
Drs. Pieter van Kampen is predikant van de NGK van Vlaardingen.