Dat koninkrijk van u!

2011-09-16
  • Jaargang 55
  • nummer 18
In de vorige eeuw schreeuwde de literator Gerard Reeve tegen God: Dat koninkrijk van u, komt er nog wat van? Het klonk toen oneerbiediger dan het waarschijnlijk bedoeld was.

In het verwoeste Jeruzalem, tijdens de ballingschap, hoor je die schreeuw uit de mond van de gelovigen. Het boek Klaagliederen is er vol van: ‘Slaven (Edomieten) heersen over ons, en niemand die ons uit hun greep verlost’ (5:8). Ook God niet: ‘zonder mededogen liet Hij onze vijanden triomferen’ (2:17). Die schreeuw verstomde niet, maar sloeg opvallend genoeg toch ook steeds weer om in een lofzang. Ondanks alles beleden ze toch: ‘U, Heer, zetelt voor eeuwig, uw troon staat vast van geslacht op geslacht’ (5:19-20).

Ook al oordeel
‘Aan de Heer zal dan het koningschap toebehoren’, had Obadja geprofeteerd.
We zien dit Godswoord vervuld in onze opgestane Heer, Jezus Christus, die van God het koningschap ontving.
We moeten zijn koningschap niet beperken tot zijn werk in de kerk, voor de gelovigen. Jezus heeft als Heer het laatste woord over de gang van de wereldgeschiedenis. ‘Mij is gegeven alle autoriteit in hemel en op aarde’, vermeldt Matteüs als een van Jezus’ laatste woorden gesproken op aarde (28:18v). Als koning is hij ook rechter, die terugkomt om te oordelen de levenden en de doden.
En ook nu al oefent hij zijn gezag als rechter uit. Er volgt niet alleen heil in de geschiedenis, waar de Heer zijn voetstap zet. Paulus schrijft over de toorn van God die zich vanuit de hemel openbaart over het kwaad en onrecht van hen die met hun onrechtvaardigheid de waarheid geweld aandoen (Romeinen 1:18).
Er wordt al op het eindgericht vooruitgegrepen in de oordelen die Jezus als Heer over machthebbers als Assad of Khadafi voltrekt. Ze onderdrukken met geweld de waarheid zoals God die ook door de schepping heeft bekend gemaakt. Gods levensorde voor volken, waarvan ook andere religies zoals de Islam op hun wijze getuigen, vertrappen ze in niets ontziende grootheidswaan.

De rechter is heiland
Jezus drukt zijn stempel op de geschiedenis met zijn gericht over hen die de waarheid in bloed en tranen smoren. Maar als Heer blijft hij ook altijd heiland. Hij gaf zijn leven aan het kruis om de machten te onttronen (Kolossenzen 2:15). Daarin ging het hem echter om het heil van mensen, vervreemd van God, en om de heling van een schepping ten prooi aan zinloosheid en vergankelijkheid (Romeinen 8:20v). Zijn oordeel heeft altijd deze positieve inzet. We zagen dat bij Obadja: het gericht over Edom betekende de redding van Juda, waardoor wereldwijd de toekomst open bleef.
Gods oordelen in de geschiedenis, als anticipaties op het eindgericht, willen heil en heling bewerken, het gezegende leven waar mens en wereld, ook de Arabische, wel bij varen. Dat levert een inzicht op, dat ons helpt te begrijpen waarom Gods oordeel in de Arabische wereld zich niet lijkt door te zetten.

Gods geduld
Door het eindgericht, in al zijn verschrikkelijkheid, heen komt de hemel op aarde waar God voorgoed zijn woning maakt (Openbaring 21). Maar dit gericht is finaal; de bijbel biedt geen hoop voor hen die bewust voorbij geleefd hebben aan waar Jezus Christus als Heer en heiland voor staat. Omdat het definitief is, maakt God er geen haast mee. Betekent dat uitstel van het gericht en daarom afstel? Spottend opperden tijdgenoten van de apostel Petrus deze mogelijkheid (2 Petrus 3:3).
Ze hadden ergens de klok van het evangelie horen luiden: Waar blijft Jezus nu? Hij had toch beloofd terug te komen? Er is intussen nog niets gebeurd.
Het kan ook de klacht opleveren, waar Reeve’s schreeuw een echo van was. Dat koninkrijk van u, komt er nog wat van?
Die klacht klonk door in de reactie van de inwoners van Jeruzalem, toen ze door Obadja aan Jeremia’s profetie werden herinnerd. Ondergang van Edom? Wanneer dan wel?
Of vandaag in het Midden-Oosten: wanneer zijn we af van Khadafi of Assad? Petrus’ antwoord is duidelijk.
God volgt zijn eigen agenda, niet de onze. Hij gaat anders met de tijd om dan wij. Er is echt geen vertraging in het spel. Het voortduren van de tussentijd heeft met Gods geduld te maken. Hij wil dat niemand door zijn oordeel getroffen wordt (3:9). Van de God en Vader van onze Heer Jezus Christus mogen wij toch ook niet anders verwachten. Het geldt niet minder van volken en naties, van tyrannen als Assad en Khadafi. Huiveringwekkend is het te vallen in de handen van de levende God. Vallen zullen ze, tenzij er iets verandert. Daarvoor schept God tijd en gelegenheid.

Het oude Godswoord
Wat zeiden de profeten ook alweer over het gericht over Edom? Inderdaad, zij spráken erover. Wij hóren erover. De uitvoering ervan zelf komt daarentegen bij de profeten nauwelijks in zicht. Met de kennis van nu kunnen we het oordeel over Edom zeker wel dateren in de geschiedenis. Tijdens het bewind van de Babylonische koning Nabonidus kwam er een einde aan Edom als zelfstandig land (553 v.C.). Daarna dreven Arabische stammen hen het land uit.
Maar we weten dat uit buitenbijbelse bronnen. Profeten kondigen het oordeel alleen maar aan; we krijgen van hen er geen ooggetuigenverslag van.
Het oude Godswoord over Edom werd steeds weer opgepakt en geactualiseerd in nieuwe situaties. Zo werd in de tijd tussen aankondiging en voltrekking van het oordeel het wankelende vertrouwen van de aangevochten Judeeërs versterkt. Opvallend is nu dat Obadja ook de Edomieten zelf lijkt te hebben aangesproken (vss 2-15). Als we terecht mogen aannemen dat hij tijdens de ballingschap in Juda heeft gewerkt, is het heel goed mogelijk dat de Edomieten zijn boodschap hebben gehoord.
Zij waren de slaven (van Babylon) die voor hun meesters het vuile werk in Juda opknapten (Klaagliederen 5:8).
Natuurlijk is de ondermijnende taal van Obadja hen dan ter ore gekomen.
We zouden daar de conclusie aan kunnen verbinden dat in de tussentijd zelfs de gehate Edomieten nog een kans kregen hun gedrag te wijzigen. Werd het geduld van Juda tot het uiterste op de proef gesteld, het oordeel over Edom werd niet automatisch voltrokken. Een laatste appèl werd er op hen gedaan.
Kan dit ook niet gezegd worden ten aanzien van de onderdrukkende regiems in de Arabische wereld? Geen afstel van hun oordeel, maar een laatste kans op bezinning en omkeer. Maar dan moet die tijd ook gebruikt worden.

Het publieke geweten
Zelfs de machten van het kwaad krijgen nog een allerlaatste kans om aan het gericht te ontkomen. Dan moeten ze wel in duidelijke taal gewaarschuwd worden. En dat is de taal van de politiek, die de druk op hen zo hoog mogelijk opvoert, diplomatiek, economisch. Jezus als Heer van de geschiedenis kan ook van die taal gebruik maken. Een land als Syrië moet voorpaginanieuws blijven. Vanuit haar eigen profetische roeping zal de kerk in het publieke domein waarden als gerechtigheid, menswaardigheid en leefbaarheid blijven benoemen als onverhandelbare rechten. Zij zijn verankerd in Gods levensorde voor de volken, zoals zij die uit de Schrift heeft vernomen. Zou de kerk niet het publieke geweten van de samenleving moeten willen zijn? Als de Arabische wereld al lang weer achterpaginanieuws geworden is, blijft de kerk in navolging van haar Heer het voor haar opnemen. Aanhoudende druk in het publieke domein, en aanhoudend gebed voor Gods barmhartigheid voor een wereld waar nog zoveel rechtvaardigen zijn, onder wie veel christenen. En heel praktisch, ook in Nederland zijn er Syrisch-christelijke gemeenschappen. Kennen wij hen?
Kunnen we iets voor hen betekenen in deze voor hen moeilijke tijden?
Misschien kunnen we met hen het Godswoord van de profeten delen, ter bemoediging.

Dr. Bob Wielenga is emerituspredikant van de NGK Kampen en werkte van 1979 tot 2002 als zendeling in Zuid-Afrika.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief