Kerk als parochie
2008-05-09
De missionaire roeping van de gemeente krijgt vandaag alle aandacht.- Jaargang 52
- nummer 10
Femke, een willekeurig gemeentelid, is er blij mee: 'De kerk is er niet voor haar eigen leden, maar voor de wereld. We moeten nog meer werk maken van onze roeping om Gods grote daden te verkondigen.' Bij sommigen roept al die nadruk op het missionaire echter ook weerstand op.
Bij Wim bijvoorbeeld: 'Ik word moe van al dat gepreek over missionair gemeente-zijn vandaag. Daar kan ik niets mee.' Hoe zit dat met die missionaire roeping van de gemeente? Is dit onze enige roeping en moet Wim maar zorgen dat hij erin meekomt?
Of is er ook nog een roeping tot vreemdelingschap en zouden Femke en Wim elkaar daarin kunnen vinden?
Parochianen
Als protestantse christenen zijn wij niet gewend om voor een kerkelijke gemeente het woord 'parochie' te gebruiken. Bij een parochie denken wij doorgaans aan een plaatselijke afdeling van de Rooms Katholieke Kerk, een locale gemeenschap waaraan de pastoor leiding mag geven. De gelovigen die deel uitmaken van een parochie worden ook wel 'parochianen' genoemd. Ondanks de RK-associaties die het vandaag oproept, zit er van oorsprong toch wel iets moois in deze aanduiding.
Deze is aan het Griekse woord voor 'bijwoners' ontleend, een woord dat in de Bijbel vaak in één adem klinkt met de aanduiding 'vreemdelingen'.
Vreemdelingen en bijwoners
In het Oude Testament was je 'een vreemdeling en bijwoner' wanneer je ergens als buitenlander verbleef. In het algemeen had je dan nauwelijks enige rechten. Zo voelde Abraham zich 'een vreemdeling en bijwoner' bij de Hethieten van wie hij een graf voor Sara kocht (Genesis 23:4). In de Bijbel krijgt deze vreemdelingschap echter ook een religieuze dimensie.
Eenmaal in het bezit van Kanaän dienden de Israëlieten zichzelf nog steeds als 'vreemdelingen en bijwoners' te beschouwen. Bij God namelijk, omdat het land in feite alleen God zelf toebehoort (Leviticus 25:23).
In Israëls gebeden werd dat besef soms ook tot uitdrukking gebracht.
Door zichzelf als 'vreemdelingen en bijwoners' te typeren, erkenden de oudtestamentische gelovigen dat al het hunne van God is en beleden ze ook de vluchtigheid van hun bestaan op aarde (1 Kronieken 29:15; Psalm 39:13; Psalm 119:19).
Petrus
In het Nieuwe Testament wordt deze notie op de christelijke gemeente overgedragen. Dit gebeurt vooral in de eerste brief van Petrus. Gelijk in de aanhef spreekt Petrus zijn lezers aan als 'uitverkoren vreemdelingen' (1 Petrus 1:1). In 1:17 typeert hij hun leven op aarde als de tijd van hun 'bijwonerschap' (paroikia; NBV 'uw leven als vreemdeling'). In 2:11 combineert Petrus beide aanduidingen in de bekende tweeslag van 'bijwoners (paroikoi) en vreemdelingen'. De NBV heeft dit niet onaardig geparafraseerd als 'vreemdelingen die ver van huis zijn.' Duidelijk is in elk geval dat het hier om een belangrijk motief gaat. Vanuit het perspectief van Petrus' brief zijn alle christenen per definitie 'parochianen'. Hun zijn in de wereld wordt
gekenmerkt door hun bijwoner- en vreemdelingschap.1)
Missionaire roeping
Het spreken over de kerk als een gemeenschap van bijwoners lijkt in eerste instantie wat lastig te combineren met het spreken over de missionaire roeping van de kerk. Daar zal het ook wel mee samenhangen dat je over die vreemdelingschap weinig meer hoort. En wanneer het toch ter sprake komt, hebben christenen daar vandaag soms heel andere associaties bij. Het motief van de vreemdelingschap wordt dan bijvoorbeeld zo uitgelegd, dat christenen in onze samenleving een steeds kleiner wordende minderheid zijn. Wat dan als extra stimulans wordt gezien om er missionair nog een schepje bovenop te doen.
Want dit kan toch niet Gods bedoeling zijn! Op deze manier wordt het motief van de vreemdelingschap echter geen recht gedaan.
Nieuwe identiteit
Petrus noemt de christenen aan wie hij schrijft geen vreemdelingen en bijwoners, omdat ze maar weinig in aantal zijn, maar omdat hun roeping dat met zich meebrengt. God heeft ons uit de duisternis geroepen naar zijn wonderbaarlijke licht (1 Petrus 2:9). Die roeping brengt met zich mee dat we voortaan niet meer aan de wereld of aan onszelf toebehoren, maar enkel aan God. 'Wel in de wereld, maar niet van de wereld' heette dat vroeger. Dus niet het gegeven dat we in de samenleving een minderheid vormen maakt ons tot vreemdelingen. Ook niet dat christenen soms vervolgd worden vanwege hun geloof, een thema dat bij Petrus veel aandacht krijgt. Dat laatste bepaalt christenen wel bij hun vreemdelingschap in de wereld, maar veroorzaakt die niet. Het is God zelf die ons tot vreemdelingen maakt, enkel doordat Hij ons uit de duisternis roept en ons een nieuwe identiteit geeft.
Die nieuwe identiteit komt tot uitdrukking in de prachtige namen die de christelijke gemeente mag dragen: 'een uitverkoren geslacht, een koninkrijk van priesters, een heilige natie, een volk dat God zich verworven heeft'. Het is deze nieuwe identiteit waarmee de vreemdelingschap gegeven is. Het woord 'heilig' zegt het al: apart gezet in de wereld om helemaal op God en zijn koninkrijk gericht te kunnen zijn. Het is deze 'status aparte' die de kerk in de wereld tot een gemeenschap van bijwoners, een parochie maakt.
Priesterlijke roeping
Wat dat laatste concreet betekent, kan duidelijk worden door in te zoomen op de benaming 'koninkrijk van priesters'. In het Oude Testament wordt deze naam aanvankelijk aan Israël gegeven. Het volk Israël was er als geheel toe bestemd om een koninkrijk van priesters te zijn (Exodus 19:6). Je zou kunnen zeggen dat dit Israëls missie was in de wereld.
Israël kreeg de priesterlijke missie om aan de wereld voor te leven wat het is om God volledig te zijn toegewijd en in de zegen van zijn heil te mogen delen. Zo zou Israël deze zegen ook richting de volken kunnen bemiddelen en zelfs een verbindingsschakel tussen God en wereld mogen zijn.
Israël was echter nog niet in staat om aan deze priesterlijke roeping te beantwoorden. Na de zonde met het gouden kalf zag God zich genoodzaakt om het priesterschap voorlopig aan één stam te verbinden, de stam van Levi. Voorlopig, omdat het doel dat God voor ogen stond ruimer was.
In 1 Petrus 2:9-10 wordt verkondigd dat de tijdelijke begrenzing van het priesterschap tot de stam Levi met de uitverkiezing van Christus is opgeheven.
Ja, zelfs dat de aanvankelijke begrenzing van het priesterschap tot het volk Israël nu is opgeheven. In Christus heeft de priesterlijke roeping zich tot al de zijnen uitgebreid, uit welk volk ze ook afkomstig zijn.
Gods grote daden
Uit dit woord van Petrus leid ik af dat de missionaire roeping van de gemeente een aspect is van onze priesterlijke roeping, maar dat de priesterlijke roeping als zodanig breder is en aan het missionaire voorafgaat.
Dat wil ik illustreren aan de hand van wat Petrus 'het verkondigen van de (Gods) grote daden' noemt (1 Petrus 2:9). Dit wordt in de praktijk vaak opgevat als een eenduidige oproep om als gemeente missionair te zijn. Vanuit onze context met zijn nieuw missionair elan mag dat ver-
klaarbaar zijn, in de context van Petrus' brief is dit een versmalling van waar de gemeente toe geroepen is.
Het is belangrijk om te zien dat Petrus voor 'verkondigen' een bijzonder woord gebruikt dat in het Nieuwe Testament alleen hier voorkomt.
Petrus heeft het overgenomen uit de Griekse vertaling van het Oude Testament (de Septuaginta). Daar wordt het gebruikt voor de lofprijzing die in de tempeldienst plaatsvindt (zie o.a. Psalm 107:22). Deze achtergrond klinkt mee als Petrus de priesterlijke roeping van de gemeente als 'het verkondigen van Gods grote daden' beschrijft. Dat moeten we dan niet versmallen tot de missionaire roeping van de gemeente. De roeping van de gemeente is primair priesterlijk van aard en bestaat in een volledige toewijding aan God. In 2:5 schreef Petrus daar al het volgende over: 'Vorm een heilige priesterschap om geestelijke offers te brengen die God, dankzij Jezus Christus, welgevallig zijn.' Bij die geestelijke offers mag je denken aan een nieuwe levenswandel en ook aan het gaande houden van de gebeden en van de lofprijzing. De christelijke gemeente is dus meer dan haar evangelisatie-
opdracht, hoe belangrijk die ook is en hoe nodig ook om daarvoor aandacht te vragen vandaag. Voorop staat dat echter dat de kerk een gemeenschap van bijwoners is, uit de duisternis geroepen om Gods eigendom te zijn en Hem daarvoor de lof te brengen (vgl. Jesaja 42:12; 43:21).
Ten dienste van de wereld
Dat ik aandacht vraag voor de notie van de vreemdelingschap is geen pleidooi om als kerk enkel voor eigen parochie te preken. Ook dat zou eenzijdig zijn. De vreemdelingschap ontslaat ons niet van onze roeping naar buiten - in het vervolg van hoofdstuk 2 zegt Petrus daar nog behartenswaardige dingen over -, maar gaat daaraan vooraf en onderstreept de priesterlijke identiteit van de gemeente. Die priesterlijke identiteit bestaat in een volledige toewijding aan God en komt tot uitdrukking in de verheerlijking van de grote daden van Hem die ons uit de duisternis geroepen heeft. Het staat buiten kijf dat dit ook om een missionaire uitwerking vraagt. Priesterlijk is ook dat de gemeente Gods zegen aan anderen mag bemiddelen en zo een verbindingsschakel tussen God en wereld is. Met haar toewijding aan God is de kerk er tegelijk ten dienste van de wereld.
Missionaire 'malligheid'
Maar anders dan de uitspraak van Femke suggereert, gaat het kerk-zijn daar dus niet in op: 'Haar eerste relatie is die tot haar Heer en deze relatie is zowel de inspiratiebron als de inhoud als ook de maatstaf van haar toewending tot de wereld.' Woorden van de theoloog Berkhof, lang geleden geschreven, maar nog steeds en weer opnieuw actueel, omdat ze een gezond tegenwicht bieden aan de soms wat al te wettische drang vandaag om heel de gemeente in een eenzijdig missionaire mal te persen.
Dat leidt tot een vorm van 'mal-ligheid' die de gemeente vermoeit en belast, mensen als Wim in de knel brengt en doet snakken naar een kerk die behalve missionair ook een plaats van rust en verademing kan zijn, een plaats om zich in het wonderbaarlijke licht van Gods heil te verblijden. Een kerk als parochie.
1) De enige keer dat Paulus over 'vreemdelingen en bijwoners' schrijft, is in Efeziers 2:19. Het verschil met Petrus is opvallend. Paulus zegt tegen de heiden-christenen dat zij nu geen vreemdelingen en bijwoners meer zijn, maar huisgenoten van God. Heel Paulus' spreken over vreemdelingschap wordt bepaald door zijn inspanning om de kloof tussen jodenchristenen en heidenchristenen te overbruggen.
Heidenchristenen krijgen bij God geen tweederangspositie, ook zij mogen helemaal bij God thuis zij.
Petrus laat zien dat dit laatste in de wereld wel weer een nieuwe vreemdelingschap meebrengt.
Bovenstaande bijdrage is de vrucht van een workshop, die door Jaap Dekker gegeven werd op de Ontmoetingsdag van 5 april in Houten. Dr. Jaap Dekker is kerndocent van de Nederlands Gereformeerde Predikantenopleiding voor de Bijbelse Vakken en predikant van de NGK te Amstelveen.