Het orgel speelt
1985-05-31
- De plaatsen zijn vrij, wanneer het orgel gaat spelen.- Jaargang 29
- nummer 22
- De plaatsen moeten bezet zijn, wanneer de kansel gaat spreken.
Niet lang geleden maakte een van onze medewerkers mij er op attent dat ik wel weer eens over het kerkelijk orgelspel mocht gaan schrijven. Dat zou een mens vergeten als hij er niet aan herinnerd werd. Welnu, graag wil ik mijn zegje doen over wat met het kerkelijk orgelspel samenhangt. En daarbij heb ik niet bijzonder onze organisten op het oog - maar alle kerkgangers, niemand uitgezonderd.
Want wat er in en rondom de kerkelijke samenkomst gebeurt is iets, wat de hele gemeente aangaat. Niemand kan zich daar aan ontdekken met de mededeling, dat hij niet muzikaal 'is aangelegd. Zo iets zou een verwijt aan de Gever van alle goeds inhouden en een vrijbrief pretenderen om kerkelijk ongemanierd te zijn. Wie zou dat nu willen?
Een van mijn beste vrienden, een organist, vond in zijn kerkblad de mededeling: de plaatsen zijn vrij, wanneer het orgel gaat spelen. Hij vond dat een duidelijke uitspraak, al was hij het er niet mee eens. Hij zorgde er voor, 'dat de gemeente de volgende week in haar kerkblad las: de plaatsen moeten bezet zijn, wanneer de kansel gaat spreken.
Dat laatste gaf meer opschudding dan de eerste mededeling. Waarom? Omdat een kansel waarschijnlijk niet zelf spreken kan; dat zal een predikant wel moeten doen. Welnu - zo bedoelde mijn vriend de organist - het orgel kan ook niet vanzelf spelen; dat moet een organist doen.
Dit even ter inleiding. Wanneer "het orgel speelt" is daar iemand aan het werk: iemand die iets presteert dat voor de hele gemeente bedoeld is. Sterker: dat voor de Heer der kerk bedoeld is. Al zou niemand, zelfs u niet, er naar luisteren - er is Een, die keurend luistert en die ervan gediend wil zijn. Daar houdt de organist rekening mee. U ook?
Daarmee zitten we op het niveau, dat bij ons onderwerp past. Want het muzikale gedeelte van de eredienst is geen zaakje voor de liefhebber, die toevallig met wat muzikaliteit begiftigd is. Zelfs niet voor de muzikale kerkganger, die er graag naar luistert.
Het muzikaal gedeelte van de eredienst is een stukje eredienst; is een deel van de wekelijkse ontmoeting van de bruidskerk met haar Heer. Wanneer de gemeente 'baar lofprijzing opzendt, of haar zonden belijdt, of haar Heiland voor haar noden aanroept, dan vraagt de goede orde van Gods huis dat die zang goed geleid wordt. En dat niet alleen.
De Schrift geeft ons tal van aansporingen om die zang te versieren, aan te moedigen, of in passende banen te leiden.
Wanneer is dat begonnen? Want zo oud is het orgel toch niet, dat 'het al in de oudtestamentische eredienst gebruikt werd? Nee, dat is waar. In de tempeldienst was geen orgel, al hebben psalmberijmers dat orgel wel in psalm 150 ingelast. Maar in de tempeldienst waren wel veel geoefende zangers en geoefende harpspelers, zonen van Levi. Ze werkten bij toerbeurt, ze waren terdege opgeleid en moesten hun kennis blijven ontwikkelen. Baartoe waren ze, zegt de Schrift, vrijgesteld van handenarbeid of broodwinning, want "dag en nacht" van de morgen tot de avonddeden ze dienst als tempelmuzikanten.
Daarna heeft de kerkzang een ziekelijk leven geleid. In de catacomben en in geheime samenkomsten viel niet veel te zingen.
Later wel, toen de kerk in vrijheid en tot aanzien kwam. Maar toen waren er geschoolde kloosterlingen en jongenskoren - de gemeente moest zwijgen. Die had nog geen deel aan het wekelijks lofoffer . Pas na de Reformatie kreeg de gemeente een mondige rol in de kerkzang.
Daar hebben met name Luther en Calvijn voor gezorgd. Luther, die goede, in het gehoor liggende melodieën maakte en liet maken; Luther, die tal van psalmen en andere schriftplaatsen berijmde tot kerkliederen. parafrasen zoals men hier zegt. Ook wenste Luther een kerkkoor , dat de gemeentezang ondersteunde en eventueel afwisselde in oudtestamentische respons. Calvijn ging nog verder. Die dacht niet direct aaneen koor - al liet hij de schoolgaande kinderen als motor van de gemeentezang optreden.
Maar Calvijn dacht aan de complete psalmbundel , dicht bij de oorspronkelijke tekst staande; op nieuwe wijzen, die op deze woorden gecomponeerd werden.
Hij droeg de beste voorzangers van Genève op, de melodieën te maken, de beste dichters om de psalmen te berijmen. Hij instrueerde zijn onderwijzers. hun klas elke week een nieuwe psalm .
te leren. En wat de kinderen op school leerden en thuis zongen werd door 'de ouders gretig opgenomen: die wilden de aanstaande Zondag niet achterblijven!
Een der eerste kerkvergaderingen, het Convent van Wezel, 1568 aanvaardde de Nederlandse vertaling van Calviin's Franse psalmbundel. Ook bepaalde dit Convent dat men in de kerkgebouwen "bordekens" moest hangen, die de psalm van de aanstaande week vermeldden.
Het feit dat deze eerste Nederlandse psalmberijming - gemaakt door ds Petrus Datheen - zo gebrekkig was, hard een bedenkelijke devaluatie van de kerkzang ten gevolge. Want weliswaar hard Datheen van àlle regels het aantal noten en lettergrepen gelijkgebreid (hij kon blijkbaar goed tot tien tellen), maar over klemtoon, zeggingskracht en '"prosodie" had hij nooit iets gehoord. Tot zijn verontschuldiging merken we op dat Davheen een Waal was, dus een Franssprekend man en dat de klemtoon in het Fran's dikwijls genegeerd werd.
En "prosodie", de samenhang van woord en toon, was in die tijd nog niet in tel.
Toch heeft die gebrekkige psalmzang van Datheen enorm goede effecten gehad. Behalve dat de gemeenten leerden haar partij mee te zingen in het gedurig 'offer' de cultureel begaafden begrepen dat dit veel beter moest geschieden. Dat deze zaak de Koning der kerk waard moest zijn. De dichters begonnen verbeterde psalmberijmingen te maken en te publiceren: in tientallen kwamen ze uit. In 1773 werd een keuze uit de beste drie gemaakt: het boekje dat het tot voor kort volhield en hier en daar nog vegeteert, zij het vol onbegrepen, en verouderde uitdrukkingen,
En het was in de 17e eeuw Constantijn Huygens, een vooraanstaande figuur, die een prachtig pleidooi schreef om het orgel in dienst te stellen van de gemeentezang.
Dat orgel stond lang voor de Reformatie al in de kerk, en het was van hogerhand gespaard tegen' de beeldenstorm. Maar het werd gebruikt voor boertige muziek buiten de kerkdiensten: om de burgerij te plezieren wanneer men elkaar ontmoette in het stadscentrum of school voor een regenbui. Vanaf 1637 kreeg het orgel een rol om de schreeuwerige gemeentezang te ordenen.
Dat orgel zorgde er voor, dat men elke regel gelijk begon en gelijk eindigde. Er begon iets van betamelijkheid en goede orde te gloren. Er werden meer en betere orgels gebouwd. Er werd een generatie van kerkorganisten gevormd.
Maar cultuur staat nooit stil: die streeft naar het hoogste goed. Ais zij niet groeit streeft zij niet; als zij niet streeft gaat ze dood. Wanneer we de kerkelijke composities uit het verleiden vergelijken met vandaag, dan zien we (uitzonderingen als Sweelinck en Van Noort daargelaten) dat de kerkelijke kunst met sprongen vooruit ging. Sedert 1931 kennen wij in ons land de Gereformeerde Organistenvereniging, die "het 'muzikale deel van de eredienst"
in haar statuten schrijft, die haar leden opwekt tot het bijwonen van maandelijkse vergaderingen en excursies, cursussen en congressen, discussies en uitwisseling van composities mitsgaders onderlinge en opbouwende kritiek.
De kunst waait onze organisten niet aan. Het talent krijgen ze om niet - maar dat talent rendabel maken, dat is hun opgave. Want dat is nu juist wat de Gever van alle goeds verwacht: dat ze met hun talenten woekeren, er rente van maken, het bezit vergroten; alle antikapitalistische gebabbel 'ten spijt.
Kijk, dat zit er achter wanneer “het orgel speelt". Daar is een broeder of zuster 'aan het werk die gestudeerd heeft voor rzijn functie en die deze kennis 'Onophoudelijk vergroot. De Schrift zegt van de oudtestamentische zangers en speellieden dat zij "kundig waren tot hun werk, allen meesters". Zou dat voor vandaag geen prachtige norm zijn? En als uw gemeente nu eens niet over een "meester" beschikt - maar het met minder moet doen? Dan is het zo mogelijk nog belangrijker.
die organist aan te moedigen, naar hem te luisteren, in wisselwerking met hem te blijven.
Afbrekende kritiek vernietigt alles; opbouwende gesprekken maken er iets van want – nog eens gezegd – het muzikale deel van de eredienst is geen zaakje voor de muzikale liefhebber, maar is een levensbelang voor iedere kerkganger. “Komt nu met zang en roert de snaren, gij volk dat leeft van ’s Heeren recht”. “Lieflijk en recht te allen tijde is het onze God ons lied te wijden”. “Hijzelf heeft zijn getrouwe scharen een lofzang in de mond gelegd”. “En zo danst in het morgenlicht heel Gods volk voor zijn aangezicht en slaat de harp en roert de trom in ’s Heeren heiligdom”. “Cither, cymbel, tamboerijn, laat uw maat de maatslag zijn van Gods ongemeten wezen. Opdat zinge al at leeft, juiche al wat adem heeft tot Gods eer. Hij zij geprezen”.
Ja, dat staat op hoog niveau nietwaar? Maar nu zijn we dertig eeuwen verder in de tijd en doen we het ook beter?