Het levende woord (slot)

1983-07-08
  • Jaargang 27
  • nummer 27
Het is bekend dat de broeders van het Seminarie met nadruk bovenstaande terminologie hanteren en naar voren brengen, bij voorkeur tegenover het (wetenschappelijke, abstracte) theologisch spreken. Naar mijn mening is zeker niet alle theologisch spreken abstract, het hangt er maar van af HOE men theologisch bezig is.
Maar dit daargelaten, dat zij de nadruk leggen op het Levende, concrete spreken van de Heilige Schrift zal bij niemand onzer bezwaar ontmoeten.

Integendeel. Dat het onderwijs op de opleidingsinstituten de studenten moet Ieren zich met name in bun preken van .deze taal van de Schrift te bedienen, in plaats van de gemeente te vermoeien met algemene beschouwingen en theoretische uiteenzettingen is hoop ik onder ons wel een algemeen gevoelen. Toch mi daarop blijvend moeten worden gewezen. In dit opzicht voor het streven van het Seminarie niets dan lof.
Hiermee is echter niet alles gezegd, wat over de taal van de Schrift of van de Heilige Geest gezegd wordt. Een bepaalde zaak heeft hierbij de bijzondere interesse van de broeders: het is die van het zogenaamde antropomorfisme, het mensvormige van het spreken van de Bijbel. Zij willen daarvan volstrekt niet weten en zijn van oordeel dat het breken met de gedachte van het antropomorfe spreken van de Schrift een kwestie is van reformatie van het theologisch onderwijs. Waar dijt niet gebeurt is de zaak niet gezond en wordt niet gewerkt in de reformatorische lijn, hetgeen ook van 'Apeldoorn' gezegd wordt, zie het derde artikel van Janse, Vanwege het grote belang dat Janse en zijn medebroeders aan deze kwestie 'hechten, vraagt zij toch wel van onze kant extra aandacht.

De eerste kwestie
De eeuwen 'door heeft men in zijn theologisch bezig zijn' gesproken over het mensvormige, van Gods openbaring: in de oude Christelijke kerk, in de Middeleeuwen, ook in de tijd van de grote Reformatie en daarna, Calvijn b.v. spreekt er rustig over 'als een vanzelfsprekende zaak. Aan de Here worden een aangezicht, ogen, mond, oren, enz. toegekend. De Bijbel spreekt over zijn neus, lippen, tong, zijn ledematen als arm, hand en voeten.
Ook spreekt de Schrift als bij de mensen van Gods 'psychische' reacties als liefhebben,' lachen, naijver, vreugde, toorn en haat, Als gangbare onderscheiding kunnen we zeggen: Volgens een zeer breed gevoelen wordt God in de Bijhel antropomorf beschreven wat zijn gestalte betreft en anthropopaath wat zijn emotionele leven aangaat.
(Kuitert; De mensvormigheid Gods, pag. 7). We spreken in dit artikel over het antropomorfisme als term, waarin d~t alles is samengevat.
Het is uitgesloten in één artikel over deze zaak ook maar enigszins volledig te spreken. Ds Visee heeft er vele artikelen aan gewijd die in de meer genoemde bundel 'Onderwezen tin het Koninkrijk der hemelen' met de nollen een 50 bladzijden beslaan (de bundel).
Dit was ruim 15 jaar voordat dr H.M. Kuitert er een proefschrift aan wijdde van ruim 300 pagina's.
Het waren knap geschreven artikelen, die m.i. toch niet vrij waren van spitsvondigheden en sofismen, die het eigenlijke van de kwestie niet of nauwelijks raakten. Bavinck omschrijft dit 'wezen' van de zaak aldus: ... wijl de openbaring Gods in natuur en Schrift bepaaldelijk aan menschen is gericht, daarom is het een menschelijke taal, waarin God van zichzelven tot ons spreekt; daarom zijn het menschelijke woorden, waarvan Hij zich bedient; daarom zijn het menschelijke gedaanten, waaronder Hij verschijnt.
In de Schrift komen dus niet hier en door enkele anthropomorpaismen voor; de gansche Schrift is anthropomorphisnsch (U, 68.). De mogelijkheid ertoe 'acht Bavinck hierin gegeven, dat de gansche schepping, schoon als creatuur oneindig ver van God verwijderd, toch een schepsel, een werk Gods en Hem verwant is ...
zij is er van den beginne .op 'aangelegd, om God te openbaren ...
Er is van God niet anders dan op antropomorfe wijze te spreken.
(70). Bavinck spreekt hierbij van een tot ons nederdalen door God, een zich accommoderen (aanpassen) naar ons 'beperk, eindig, menselijk bewustzijn (73). Wie het recht der anthropomorpbismen bestrijdt, ontkent in beginsel daarmede de mogelijkheid, dat God zich aan zijn schepselen openbaart, moet vandaar voortschrijden tot de loochening der scheppingen houdt tenslotte niets over dan een eeuwig dualisme tUS1SenGod en wereld, het oneindige' en het eindige.
Zo Bavinck. Dit alles liegt er dus niet om!
Ds Visee, die aanvankelijk ook alles wat God heeft geopenbaard mensvormig noemde, is later van gevoelen dat deze term voor heel de openbaring moet worden losgelaten.
Hij fundeert deze mening aldus: ... de mens heeft zijn taal van zijn Vader in de hemelen geleerd, van Hem, die zo vóór en na de val rechtstreeks tot hem sprak: Adam heeft de mal van -Gods lippen afgelezen, haar uit Gods eigen mond gehoord. pag. 36.
Visee zegt hier meer dan de Bijbel zelf ons doet weten, Nergens wordt ons in de Schrift meegedeeld hoe de mens precies 'aan zijn taal is gekomen. We weten niet of hij al sprak voordat God tot hem sprak. Maar in dit opzicht runnen we met Visee meegaan: de mens sprak niet een taal uit zichzelf", als een grootheid, die buiten God en zijn schepping omging, waarbij God zich zou hebben moeten aanpassen als aan een Hem vreemde zaak. En dat is vermoedelijk de eigenlijke bedoeling van Visee.
Maar dit brengt de oplossing van het vraagstuk toch geen stap dichter bij. Want wanneer we gelovig erkennen, dat des mensen taal een gave, hoe dan ook, van God was, dat neemt niet weg dat het een menselijke taal was, want God gaf hem een taal, die bij hem paste.
God spreekt tot ons in menselijke taal, zegt ook Visee (37). Maar daarmee is het probleem dat Bavinck bezig hield, dus geen stap nader tot zijn oplossing gebracht.
Visee tracht tot een oplossing te romen door te wijzen op Gods scheppen van de mens naar zijn beeld. Niet God heeft zich tot de mens sprekende, aan den mens geadapteerd (aangepast), maar hem van meestaf aptitudo geschiktheid voor het Woord Gods gegeven (38). Dat zal wel waar zijn, maar ook dit brengt ons geen stap verder in de onderhavige 'kwestie'.
Want God sprak in mensentaal, omdat Hij ons schiep naar Zijn beeld, maar toch als mens, naar mensenmaat eindig, beperkt, creatuurlijk Zijn taal wordt met goddelijk, maar blijft mensentaal, wat is dat anders dan antropomorf?
Theologische spitsvondigheid brengen ons hier niet verder. Bavinck wees er ook al op, dat er zij. het op creatuurlijke wijze verwantschap is tussen God en bet schepsel, Daarin zag hij de mogelijkheid van het antropomorfisme juist gewond. We moeten hier de theologen maar met elkaar de degen laten kruisen en niet te snel van de bittere noodzaak van reformatie op dit punt spreken. Ik wijs nog op één ding. Janse citeert in een gehouden referaat prof. dr D.H. Th. Volienboven, die heeft geschreven dat God in zijn openbaring ons mededeling geeft, in het verbond, (lus steeds onder de wet: God spreekt in voor den Mensch verstaanbare taal.
Juist, En in het verbond blijft de mens, naar Gods beeld geschapen, onder de wet, ook met zijn taal. Dat de mens theomorg is geschapen doet daaraan niets af of toe. Dat heft zijn creatuurlijkheid niet op en daarmee is de vraagstelling gegeven:

De tweede kwestie
De tweede kwestie die hier rijst is de eigenlijke!
Komen wij ooit boven de menselijke taal uit? Kunnen en moeten we de antihropomorfe spreekwijze 'vertalen' om achter de eigenlijke waarheid te komen?
Daartegen richt zich met name de strijd van Janse en de nadruk van zijn medebroeders op liet Schriftuurlijk spreken en op de taal van de Heilige Geest. Op dat' punt vragen zij 'doorgaande reformatie', stelling nemende in de dertiger jaren, met name in de publicaties van A. Janse en daarna van Visee.
Ik wil beginnen met iets van Bavinck door te geven. Tegenover het verwijt dat anrhropomorphismen een' vereindiging van God zouden betekenen, zegt hij: Als dat zo is, zouden we geheel over God moeten zwijgen. Maar - en nu komt het: Men 'heeft deze consequentie, die echter wel voor de hand ligt, wel zoeken te ontgaan, door onderscheid te maken tusschen voorstelling en begrip. Hij verwijst dan naar Plato, het neoplatonisme en de gnostiek. "En Hegel is er 'opnieuw mede voor den dag gekomen. Maar daarmede komt men toch geen stap verder ...
Ook de meest abstracte namen, zoals bet zijn, de substantie, het absolute, het ééne, de geest, de rede, zijn en blijven anthropomorpbismen".
Bavinck met dus in het overwinnen van het anthropomorphisme geen oplossing, ja, acht die overwinning een totale onmogelijkheid.
(11, 73). De Schrift spreekt over God op menselijke wijze, zegt Bavinck, als hij handelt, bij de alomtegenwoordigheid Gods, over Gods gaan, komen, nederdalen.
En ook wij 'komen daarboven niet uit, schrijft 'hij dan veelbetekenend (U, 138). Het accepteren van antropomorfisme in de Schrift als bij Bavinck behoeft dus zeker niet gepaard te gaan met de theologische boogmoed van het willen vertalen van de menselijke spreekwijze in een taal op' hoger niveau, waarin de echte waarheid pas tot uitdrukking zou komen.
Het is veelmeer een herinnering dat we over de hemelse majesteit Gods niet aardselijk moeten denleen.
Visee citeert in noot 83 van het genoemde artikel via K. Schilder een uitspraak van A. Janse de vader van 'onze' Janse - die aldus luidt: Wij mogen er (d.d. van Gods oor) geen schepselen-oor van maken. God heeft 'op Goddelijke wijze' Zijn oor. Als dit niet een zakelijke erkenning van het antropomorfe spreken van de Schrift is, dan weet ik het niet meer. Wat in menselijke taal, en menselijke vorm dus, is gezegd is waar, volkomen waar, maar op 'goddelijke wijze'. Dat mogen we zeggen, maar HOE dat is, dat is Gods geheim en daar moeten we afblijven! Ons past niet 'n poging de mededeling Gods, die gedaan is in voor de mens verstaanbare taal en woorden te vertalen in den vorm dien ze voor God heeft, noch ook deemoed wanneer zulk 'n pogen misbruikt, citeert Janse van prof. Vollenhoven, die daarmee op dezelfde lijn zat als Bavinck, Natuurlijk is er over de kwestie van het - al of niet - antropomorfe spreken van. de Heilige Schrift veel meer te zeggen, maar ik meen dat we de kernvragen zo toch wel hebben geraakt en dat in elk geval duidelijk: is geworden dat we alle spreken over anthropomorfisme niet over één kam moeren scheren om daarvandaan dan op te roepen tot reformatie, ongenuanceerd, Waar over de door mij genoemde 'tweede kwestie' eenstemmigheid bestaat, is verdere discussie op zijn minst gewettigd, en past geen veroordeling. Tegen mogelijke en ook gebleken gevaren moet gewaarschuwd worden, . maar dat geldt, ook tien aanzien van het verwerpen van alle antbropornorfiemen, zoals blijkt uit de stellingname van Kuitert!

Hiermee besluit ik van mijn kant de discussie met ds Janse, tenminste voorlopig, Het zal onze lezers duidelijk geworden zijn dat het ons beiden ging om de zaak, om belangrijke zaken en met om een persoonlijke strijd. Mij ging het er ook niet om aan het werk van het Seminarie afbreuk: te doen. Het Seminarie is er en doet zijn werk en de broeders van het Seminarie laten hun geluid horen in onze kerken.
Ik voel me aan hen nauw verbonden door bun eerbied voor het levende Woord van God en hun hartstochtelijke begeerte de kerken daarbij, ook in de toekomst te bewaren. Mijn artikelen in beide series wilden niet 'anders zijn dan een bijdrage tot dit streven door een poging tot verduidelijking van hun stellingname en correctie van al te simpele adagia.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief