Gezonden om Licht te brengen (1)

1985-06-07
  • Jaargang 29
  • nummer 23
Ter inleiding
Ineen tweetal artikelen wil ik het hebben over de zending van onze kerken in NateI. In het eerste sta ik stil bij het ontstaan van onze zending in Nederland en in Zuid-Afrika, in het tweede wil ik een aantal problemen aanstippen waar we in de praktijk van het werk mee te maken hebben.

Veel lezers van Opbouw is de Natalse zending bekend. In de loop van haar 25-jarig bestaan is er ook het een en ander over haar' gepubliceerd. In 1971 schreef Joh. Lagendijk "Van zorg en zegen" over het Kamper aandeel in de Natalse zending; in 1973 publiceerde de zendende kerk van Haarlem een geschrift "Zendingsspiegel" over de tienjarige arbeid van ds W. L. Kurpershoek in Natal; in 1984 verscheen van de hand van Tj. Schaafsma "Gezonden om Licht te brengen" over de 25 jaar Kamper zending. In dit verband mag ook vermeld dat mevr. Chr. Breman haar dokteraalscriptie theologie (Utrecht) wijdde aan de Natalse zending.
Wanneer ik dan nog wijs op de zeer regelmatig verschijnende zendingsbladen van Leerdam en Kampen, op de rubriek die ds. Kurpershoek al sinds jaar en dag in de Ned. Geref. Kerkbode voor Noord- en Zuid-Holland vult, op de artikelen die ds P. Busstra in de lokale kerkbode van Bunschoten schrijft, mag toch wel gezegd dat het onze zending niet aan documentatie ontbreekt.
Wie weet waar te zoeken, zal in overvloed vinden.

Kampen 1951
Wie het zendingswerk zoals dat door onze kerken gedaan wordt goed wil begrijpen, moet terug gaan in de geschiedenis naar het jaar 1951 toen op de Generale Synode van de Vrijg. Geref. Kerken, in Kampen bijeen, art. 52 D.K.O. vervallen werd verklaard en de daarop gegronde zendingsorde werd opgeheven, en er geen nieuwe zendingsdeputaten meer werden benoemd. Dit is een ingrijpender besluit geweest dan zich uit deze woorden laat aflezen.
Waar ging het om? Het ging om de vraag wie als zendende instantie moet worden aangemerkt: is dat de kerk in haar lokale gestalte, de plaatselijke gemeente, of de kerk bijeen in haar kerkverbandelijke vergaderingen?
Aanvankelijk, op de Generale Synode van de Geref. Kerken van Middelburg 1896, werd door dr A. Kuyper gesteld: zending gaat uit van de plaatselijke kerk. Maar de praktijk werd wel even anders. Zendingswerk werd veelomvattend; allerlei andere zaken dan louter en alleen evangelie.
verkondiging werden aangepakt als medisch werk, schooldiensten e.d, De plaatselijke gemeente kon zulk omvattend zendingswerk niet meer bekostigen en vaak ook niet meer begeleiden door gebrek aan kennis van zaken.
Andere plaatselijke kerken moesten ingeschakeld worden die uiteraard ook zeggenschap wilden hebben. En van het een kwam het ander: zending kwam terecht op de agenda van kerkelijke vergaderingen. Uiteindelijk waren het de Zendingsdeputaten door de Generale Synode benoemd die het zendingswerk runden terwijl de plaatselijke kerk in het hele stuk verder niet voorkwam. De afstand tussen zendingswerk en plaatselijke gemeente werd hoe langer hoe groter; geen gemeente bezat de vrijheid om zelf zendingswerk aan te vatten gebonden als ze was aan de kerkverbandelijke afspraken neergelegd in de zendingsorde.
Niet onbegrijpelijk was het dat in de kerken die met de Vrijmaking waren meegegaan, verzet rees tegen deze “hiërarchischgenootschappelijke" inslag van het zendingswerk. En dat verzet resulteerde in een principiële ommezwaai in Kampen 1951: de plaatselijke kerk moest zendende instantie zijn. De kerk in haar kerkverbandelijke gestalte had met zending verder niets uit te staan. Zending 'behoorde niet langer tot de zaken die de kerken gemeenschappelijk aangaan. Vandaar ook dat zendingszaken in onze kerken niet verder komen dan het kerkenraadsniveau: dat van de zendende kerken, en laten we aannemen ook dat van steunbiedende kerken, of zonder meer winst is, staat m.i. open voor discussie.
In de verwarrende situatie die ontstond na het besluit van 1951, en die altijd nog op beschrijving wacht, gebruikte de kerk van Kampen de haar geschonken vrijheid om in eigen verantwoordelijkheid zendingswerk aan te vangen in gehoorzaamheid aan het' woord van Jezus in Matth. 28: "gaat dan heen...". In elk geval constateren we dat de strijd om de verhouding tussen kerkverband en plaatselijke gemeente, zoals die gewoed heeft , in de kerken van de Vrijmaking, zijn invloed heeft gehad op de organisatie van het zendingsgebeuren aan het thuisfront.

De hulpdiensten
Voor een goed verstaan van het zendingswerk van onze kerken is een andere zaak de moeite van onze aandacht waard. Voor de oorlog was men gaan spreken van hoofd- en nevendiensten.
De evangelieverkondiging was de hoofddienst, medisch werk bijvoorbeeld was neven- of hulpdienst. Uiteraard leidde dat tot een onvruchtbare discussie over de relatie tussen beide diensten. Vandaag zouden we zeggen, het ging om de verhouding tussen woord en daad in de zending. Vooral in de kerk van Kampen was men ernstig bezwaar gaan koesteren tegen de enorm uitgegroeide nevendiensten die het plaatselijke gemeenten onmogelijk maakten ooit zelf zendingswerk aan te vatten. Bovendien, was dat wel zending in eigenlijke zin, medisch werk, schoolwerk en wat dies meer zij?
Kampen oordeelde: geen hulpdiensten meer. Ook niet als opstapje voor zendingswerk in eigenlijke zin. Natuurlijk, aandacht voor zieken moet er zijn op het zendingsveld. Maar daarvoor moesten aparte organisaties worden opgericht om toch duidelijk te laten uitkomen dat medisch werk niet viel onder de kerkelijke zending. De verhouding tussen woord en daad in de zending werd zo radicaal beslist ten gunste van het woord alleen.
Ook in de Vrijg. Geref. Kerken van vandaag is dit de praktijk: de nevendiensten zijn niet-ambtelijk-kerkelijk georganiseerd. Kerken zenden alleen predikantzendelingen uit. Wel moet bedacht worden dat wat wij in Nederland netjes (onder-) scheiden, in de 3e wereld wordt samengevoegd, als eenheid wordt beleefd. En het is nog maar de vraag wie het Bijbels gelijk aan zijn kant heeft.

Waarom Zuid-Afrika?
Deze vraag wordt binnen onze kerken meermalen gesteld. Er zijn in dat land toch' al christelijke, ja zelfs Gereformeerde kerken die zendingswerk kunnen verrichten? Kunnen wij ons niet beter richten op de zgn. onbereikte volkeren, de maagdelijke terreinen? Een vraag die zich laat horen. Maar die alleen historisch beantwoord kan worden.
Inde 50-er jaren deden de Vrijg. Geref. Kerken zendingswerk in Indonesië, historisch een verklaarbare zaak. De meeste Nederlandse ket1ken zaten in dat land.
Ook de kerk van Kampen oriënteerde zich in die richting; maar' een mogelijke samenwerking met de kerk van Enschede op Nieuw-Guinea sprong af op verschil van inzicht over de betekenis van de nevendiensten. Samenwerking met de kerk van Zwolle voor het Seemba-werk (ds S. J. P. Goossens) werd verbroken. Het werd toen zoeken in 'n geheel nieuwe richting, 'buiten Indonesië elders in de wereld. In die 50-er jaren geen geringe onderneming.
Men werd 'toen geattendeerd op mogelijkheden in Zuid-Afrika waar een kleine Vrijg. Geref. immigrantengemeente was met dr C. van der Waal als predikant.
Afgaande op de rapporten die vanuit Zuid-Afrika binnen kwamen besloot men in Zuid-Afrika te gaan werken ven zond daartoe in 1958 ds J. Vonkeman uit. Om een lang en moeizaam verhaal heel kort te houden: er waren geen mogelijkheden toen Vonkeman aankwam.
Zendingswerk in de Republiek kon alleen geschieden onder de paraplu vaneen door de regering erkende kerk, en dat was de gemeente van dr Van der Waal toen in elk geval nog niet. Daar zat Vonkeman dus. Een zendeling zonder terrein. Het was die Gereformeerde Kerk van Suid-Afrika, de Dopperkerken. die toen Kampen een terrein hebben aangeboden, een zgn. maagdelijk gebied, waar ze zelf geen mankracht voor had. Deze kerk overwon haar niet onbegrijpelijke vrees voor Vrijg. Geref. kerkelijk denken en zo kwam Kampen in Zuid-Afrika terecht. Later bleek dat er nog een macht aan werk te doen viel dn dit reusachtig grote land zodat ook (Je zendende kerken van Haarlem, Leerdam en veel later Bunschoten, zendelingen hebben uitgezonden, naar het Nqutu district in Noord-Natal.
Dat Kampen en ook Haarlem in die tijd de grootste problemen hebben gekend over hun samenwerking met een "valse" kerk, want in correspondentie samenlevend met de Synodale kerken en weigerend een uitspraak te doen over de Vrijmaking, laat zich verstaan. Maar ieder kan die 'geschiedenis gedocumenteerd terug vinden in de boven vermeide geschriften. Het is Zuid-Afrika geworden: de Richmond- en Nqutu-districten in Natal. Zo is het gegaan. Beter: zo is het geleid. We belijden toch dat zendingswerk Gods eigen werk is, opkomend uit zijn bewogenbeid met de verlorenheid - van mensen die Hem niet kennen. Hij zelf neemt dat werk ter hand met gebruikmaking van de kerk en haar arbeiders.
Terug ziende zeg ik dan ook: ja zeker, hier heeft God ons willen hebben.

Stand van zaken nu
De kerk van Kampen werkt met drie zendelingen in het Richmond district bij Pietermaritzburg: er is medisch werk," er is ook schoolwerk,een bijbelschool, en alles wat er zo bij zendingswerk komt kijken. De kerk van Haarlem heeft haar rol overgedaan aan die van Den Haag die nu dus verantwoordelijk is voor ds. Kurpershoek, Leerdam heeft ds Keesenberg, Bunschoten ds Busstra uitgezonden. Ze werken nabij Vrijheid. Ook daar zijn de gebruikelijke diensten en zendingsbezigheden, o.a. een levensschool. Het werk wordt gezegend: er zijn op het moment dat u dit leest waarschijnlijk al4 erkende zwarte, predikanten, erkend in het zwarte Dopperkerkverband waarbij de uit !het werk ontstane kerken zich hebben laten inschakelen.
De mogelijkheden om te werken zijn er nog altijd; de noodzaak niet minder. Problemen zijn er ook; maar daarover dan de volgende keer.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief