De tijd, dat de Israëlieten in Egypte gewoond hadden, is 430 jaar (2)

1985-06-07
  • Jaargang 29
  • nummer 23
Het vierde geslacht
Het antwoord op de gestelde vraag is gevonden: niet een verblijf van 430 jaar in Egypte, doch van 215 jaar. Maar we kunnen er niet omheen om aan deze periode meer aandacht te besteden. Door Schrift met Schrift te vergelijken zien we hoe getrouw de Here in het nakomen van Zijn beloften is. In Genesis 15 : 14 en 16 staat: Doch ook het volk dat zij zullen dienen, zal ik richten, en daarna zullen zij met grote have uittrekken".
"Het vierde geslacht echter zal hierheen (d.wz. het land Kanaän) wederkeren, want 'eerder is de maat van de ongerechtigheid der Amorieten niet vol". Ja, het vierde geslacht van hen die in Egypte kwamen, zal na de uittocht in Kanaän komen. We zullen het zien.

1. Mozes en Aäron, de mannen tot wie de Here had gezegd: "Leidt de Israëlieten uit het land Egypte volgens hun legerscharen (Ex. 6 : 25)" - wie waren zij?
Levi kwam met 3 zonen in Egypte. De naam van de 2e zoon was Kehath en één van de zonen, die hem daar werden geboren, heette Amram. En Amram nam zich Jochebed, de dochter van Levi, die haar moeder aan Levi in Egypte baarde (Num. 26: 59), dus zijn tante, tot vrouw. Uit dit huwelij1k werden Mirjam, Aäron en Mozes geboren.
Levi - Kehath - Amram -Mozes en Aäron - hun kinderen.

2. In Num. 1 lezen we dat bij de eerste telling van Israël's leger in het 2e jaar na de uittocht o.a. Nahesson en Elisama als hulp voor Mozes door de Here worden aangewezen.
Wie was Nahesson? Juda kwam met 3 zonen en 2 kleinzonen in Egypte, onder wie Perez, de oudste van de tweeling die Tamar hem baarde, en diens zoon Hezron. Aan Hezron werd Ram geboren. Ram verwekte Amminadab en deze verwekte Nahesson, de vorst der Judeeërs: Nahesson verwekte Salma (1 Kron. 2 : 10, 11). Juda - Perez - Hezron - RamAmminadab - Nahesson - Salma. En wie was Elisama? Hij behoorde tot de stam van Efraïm, de zoon van Jozef.
In 1 Kron. 7 : 25-27 Vinden we een deel van zijn geslachtsregister: Efraïm - Resef - Telah - Tahan - Ladan - Ammlbud - Elisama - Nun - Jozua, Op het eerste gezicht zouden we zeggen, dat voor de stam Efraïm de belofte voor het 4e geslacht blijkbaar niet in vervulling is gegaan. Maar we verwijzen hiervoor naar een eerder artikel (Van Paddan-Aram tot Egypte) waarin we aantoonden dat Jozef toen zijn vaderen broers in Egypte kwamen, al een flinke zeventiger was. Meer dan 40 jaar daarvoor getrouwd met Asnatlh, de dochter van Potifera, werd hem al spoedig Manasse geboren; Manasse - want (zeide hij): "God heeft al mijn moeite doen vergeten, en ''ook het gehele huis mijns vaders (Gen. 41 : 51)". En daarna Efraïm - "God heeft mij vruchtbaar gemaakt in het land mijner ellende (vers 52)".
Jozef had bij de komst van Jakob al zonen en kleinzonen.

3. In Num. 16 vinden we de geschiedenis van de opstand van Korach, Dathan en Abiram en de gevolgendaarvan, Korach-de zoon van Jizhar, zoon van Kehath, zoon van Levi.
Dathan en Abiram, zonen van Eliab, zoon van Pallu, zoon van Ruben.
En we lezen verder in vers 27: "Toen trok de vergadering weg uit de omtrek van de woning van Korach, Dat!han en Abiram, en Dathan en Abiram traden naar buiten en stonden aan de ingang van hun 'tenten met hun vrouwen, zonen en kleine kinderen."

4. Achan vergreep zich aan het gebannene bij de val van Jericho.
Hij was de zoon van Karmi, zoon van Zabdi, zoon van Zerah, zoon van Juda, Met zonen en dochters kwam hij om (Joz. 7 : 24-26). Hij behoorde bij degenen die waren geteld door Mozes en de priester Eleazar in de velden van Moab aan de Jordaan bij Jericho, en die het voorrecht hadden het beloofde land re mogen binnentrekken. Want onder hen behoorde niemand, die was geregistreerd bij de eerste telling in het 2e jaar na de uittocht. De Here had van hen gezegd: "zij zullen voorzeker in de woestijn sterven (Num. 26 : 65)".
Allen waren zij gestorven, behalve Jozua en Kaleb. Met Eleazar, de priester, behoorden zij tot de oudsten. De Levieten zijn ongestraft gebleven; zij behoorden niet tot de voor de krijgsdienst geregistreerde Israëlieten (Num. 1 : 1-3).

5. Ja, ook Kaleb, die van huis uit niet eens tot de Israëlieten behoorde.
Kaleb, de zoon van Jefunne, de Kerïiziet. Een nakomeling van Esau langs de lijn van Elifas-Kenaz-Jefunne. Een Edomiet! Het is heel goed mogelijk dat Elifaz, door de honger gedreven, eveneens met zijn familie naar de voorraadschuren van Egypte is getrokken en hem - met vele andere vluchtelingen - een plaats in de onmiddellijke nabijheid van de Israëlieten is toegewezen, Is niet een menigte van allerlei slag met hen uitgetrokken (Ex. 12 : 38)?
Door huwelijk met een vrouw uit de stam van Juda kan het geslacht van Kenaz na verloop van tijd in deze stam zijn opgegaan. "De Edomiet zult gij niet verafschuwen, want hij is uw broeder, De kinderen, die hem in het derde geslacht geboren worden, mogen in de gemeente des Heren Immen". Zo lezen we later in Deut. 23 : 7-8. Wanneer Kaleb met de verspieders wordt uitgezonden wordt hij al vorst en hoofd genoemd (Num. 13 : 2,3).
Bij het uitbrengen van het verslag bleek hij volkomen trouw te zijn gebleven aan de Here, zijn God (Joz. 14 : 8). En wat heeft de Here tot Mozes gezegd? Doch omdat bij mijn knecht Kaleb een andere geest is en hij Mij volkomen gevolgd heeft, zal Ik hem naar bet land brengen, waar hij heen geweest is, en zijn nakomelingschap zal het bezitten (Num. 14 : 24)".

Daarentegen voor Jozua géén bijzondere toezegging; hij was al door geboorte erfgenaam.
Hij krijgt later naar het bevel des Heren de stad, die hij had gevraagd: Timnath-Serah op het gebergte Efraïm (Joz. 19: 50). De Here Zelf had Kaleb een erfdeel toegezegd.
Niet een bijwoner, maar een mede-erfgenaam zou hij mogen zijn. En Mozes had dit woord des Heren reeds vroeger aan hem doorgegeven. Dat blijkt wanneer Kaleb dat 45 jaar later Jozua in herinnering brengt: "Daarom heeft Mozes te dien dage' gezworen: voorzeker zal het land,dat uw voet betreden heeft, voor altijd het erfdeel van u en uw zonen zijn, omdat gij volkomen trouw gebleven zijt aan de Here, mijn God (Joz. 14: 9)". Blijkbaar wist Mozes niet goed raad met die belofte aan een Keniziet.
Wanneer hij woorden des Heren aan de Israëlieten moest doorgeven, zei hij: De Here, uw God. Tegenover Kaleb: De Here, mijn God. De Here had Kaleb echter al Zijn knecht genoemd en deze wilde van ganser harte zeggen: mijn God, óók mijn God! Gods woorden zijn getrouwen waarachtig. Na 430 jaar, juist op de dag af, trokken de Israëlieten uit Egypte.
Het 4e geslacht van hen, die 215 jaar eerder in dat land waren binnengekomen, was bij de intocht in Kanaän.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief