De weg naar Chalcedon

1985-06-07
  • Jaargang 29
  • nummer 23
We zijn nu toegekomen aan de beslissende periode voor de Christologie, namelijk de korte, tijdsspanne tussen het uitbreken van de Nestoriaanse controverse in 428 en het Concilie van Chalcedon in 451. De lezer moet echter worden gewaarschuwd dat in geen enkele fase van de ontwikkeling van de theologie van de Kerk, de fundamentele kwestieszijn verweven met de botsing tussen verschillende vormen van politiek en persoonlijkheden. 1)

Brandstichter
De vorige keer hebben we al kort iets meegedeeld over de persoon van Nestorlus. Eerst nog, iets meer over zijn persoonlijkheid.
Zoals vaker in deze artikelen worden uitspraken geciteerd uit diverse boeken, met een verschillende invalshoek: "Nestorius was geen diplomaat. Hij werd grof, als het niet nodig was en hij werd onzeker, als het om essentiële dingen ging. Hij fulmineerde tegen de ideeën van zijn, tegenstanders, noemde deze 'zottenpraat' en 'kikvorsengekwaak' en moest ervaren dat men hem onder het spreken steeds in de rede viel." 2) Nestorius (liet) van groepen die volgens hem maar enigszins naar ketterij zweemden, de kapellen in brand steken. Toen enkele ketters hun eigen kapel in brand staken, om te voorkomen dat Nestorius dat zou doen, ging daarbij ook een aantal huizen in de omgeving in vlammen op en verwierf Nestorius zich de bijnaam "brandstichter". De starre houding van Nestorius droeg niet bij tot zijn eigen populariteit en leidde tot heftige tegenstellingen over zijn persoon. 3)

Verre van scruptuleus
Geen gemakkelijk heer dus,net zo min als zijn tegenstander, de leider van de Zetel van Alexandrië. Opnieuw citeren we: "Maar Nestorius had niet alleen de hartstochten van het volk geprikkeld. Op de stoel van de patriarch te Alexandrië zetelde een man, die hem als theoloog en tacticus verre de baas was: Cyriuus van Alexandrië." 4) En "De oppositie tegen Nestorius vond een briljante, zij het verre van scrupuleuze spreekbuis in Cyrillus, de patriarch van Alexandrië." 5) De twee gaan op een bepaald moment 'Anathemas', vervloekingen, in elkaars richting slingeren, wat de onderlinge betrekkingen uiteraard nauwelijks heeft verbeterd,

Uitersten
Maar nu eerst terug naar de zaak zelf. Is Maria 'Theo-tokos', Moeder van God? Nee, zegt Nestorius. Ja, zegt Cyrillus. Misschien nog wat verder terugreikend, "Nee", zijn de mannen van Antiochië geneigd te zeggen, terwijl de theologen uit Alexandrië vinden van wèl. Of, om het te zeggen in de mooie termen van Professor van der Meer: "De mystieke Alexandrijnen gingen van God uit, en zagen Christus de kosmos vervullend en als gekleed in het gewaad van Zijn mensheid, als een goddelijke drager van het menselijke en in hun voetspoor kwamen de Monofysieten er toe enkel de ons verschenen God te zien, waarin de mens ten onderging.
De Antiocheners daarentegen gingen als realisten uit van de mens Jezus der evangeliën, die door de Geest was gezalfd door Christus; en bewoond was door God, en zo konden de Nestorianen, die deze opvatting verdedigden, in de verdenking komen een goddelijke dubbelganger in en naast de mens Jezus te zien.
De eersten kwamen er toe van één natuur in Christus te spreken, en de menswording in sommige consequenties te kort te doen; de laatsten spraken van twee personen in Christus, en raakten aldus gevaarlijk aan Zijn eenheid als verlosser. De Kerk, die God mocht danken dat zij de leer omtrent Christus nog veilig kon stellen in de taal en met het vlijmscherpe denken der laatste Hellenen, heeft deze uitersten tenslotte verworpen. Zij sloot zich aan bij de meesterlijke termen der Cappadocische Vaders in het Oosten, die gewezen hadden op de ongereptheid van beide naturen en op hare wederzijdse doordringing. Op de beroemde kerkvergadering van Chalcedon van 450 kondigde zij de beroemde christologische formule af: In Christus zijn twee naturen in één persoon." 6)

Wat is nu eigenlijk aan de orde? Als we deel één van de verklaring van de Heidelbergse Catechismus van Prof. K. Schilder opslaan, wordt ons in groot detail (en in een behoorlijk moeilijk betoog) duidelijk gemaakt welke problemen er allemaal konden zijn. Ik noem er twee. Een argument dat steeds weer opgeld deed, aldus Schilder, was dit: “Hoe kan nu een moeder "jonger" zijn dan haar kind? Hoe kan nu Maria moeder van God zijn, die ”ouder' is dan zij zelf?
Eer Maria was, is immers Hij? Daarom - zo luidde de conclusie: "Ge moogt niet zeggen dat zij God "gebaard" heeft; ge moogt niet verder gaan dan te zeggen dat zij God "ontvangen" heeft in het lichaam." (209) Maar, stelt hij, stel je voor dat dat argument ook was gebruikt, niet in termen van tijd, maar van ruimte? Dan was ook bij de nieuwe voorgestelde term de moeite: "Hoe kan een moeder kleiner zijn dan haar kind? Buiten waar "Maria" is, is immers Hij God is toch alomtegenwoordig" in de ruimte, gelijk hij "al tiidig"is in de tijd?" 7)

Twee losstaande naturen
Nestorius' bezwaar tegen de term "Theotokos" komt voort uit zijn idee dat er in Jezus twee, nauwelijks met elkaar verbonden, personen zijn. In Echternachs woorden: "De twee naturen zijn aan elkaar gehecht -" als het ware als twee metalen platen. Hun eenheid bestaat in de gemeenschap van hun werken. In zoverre worden zij verenigd "tot één waardigheid, tot één eer." En dus, als Nestorius gelijk heeft, dan heeft niet God geleden, maar de ménselijke natuur.
Hij kon zich niet voorstellen dat de goddelijke Logos werkelijk bij menselijk lijden of verandering betrokken kon zijn en wijde daarom dus de twee naturen gescheiden houden. En ten tweede beklemtoonde hij dat Jezus een waarachtig menselijk leven had geleid dat groei, verzoeking en lijden omvatte. Dat had niet kunnen gebeuren, zei hij, als de menselijke natuur was vermengd en overweldigd door de goddelijke natuur. En dus geloofde hij dat de Alexandrijnen de godheid van Jezus Christus te zwaar benadrukten, Zo komt hij tot de termen: één 'prosoopon', één 'gezicht', maar twee 'fuseis', 'naturen'.
Een soort morele wilsverbinding blijft dan bestaan tussen het goddelijke en menselijke. En dus, Maria bracht een mens ter wereld, een voertuig voor Gods wezen, maar" niet zèlf God. Want de godheid kan niet negen maanden in de schoot van een vrouw worden gedragen, of in babykleren worden gewild, of hebben geleden en sterven. Nee, het was duidelijk, dat de "mens" de tempel was waarin 'God' woonde. Kijk maar in Johannes 2 : 19.

Voetangels en klemmen
Zo zien we termen opkomen die in de toekomst nog moeten worden verduidelijkt: wat is precies een 'prosoopon' en wat een 'fusis'? Wat is (ook een vraag voor te toekomst) een 'hypostatische eenheid'? Men krijgt langzamerhand in dit (toegegeven wat trage) verhaal, met vele kronkelingen en met veel laveren, de indruk dat in de termen van het Concilie van Chalcedon: 'onvermengd, onveranderd, En gescheiden en ongedeeld' heel wat méér voetangels en klemmen zitten (of misschien juist vermeden zijn) dan we hadden gedacht.

Noten
1) Kelly, Early Christian Doctrines. Londen, P. 310
2) Echtemach. Kerkvaders, Ketters en Concilles. Amsterdam, 1965, p.156.
3) A. Stol. Nestorianen. Franeker. 1977. p. 32.
4) H. Echternach, a.w. P. 157.
5) J. N. D. Kelly, a.w., p, 317: 6) F. v. d. Meer. Catechismus. Utrecht, 1941. p. 126.
7) K. Schilder. Heidelbergse Catechismus. Deel 2. Goes. 1949. 209.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief