Waar vinden wij een organist?
1985-06-14
We hebben ons nu bezig gehouden met wat een organist doet, wanneer "het orgel speelt". En we zeiden: hetzij hij de kerkzang leidt en in toom houdt, hetzij hij die kerkzang aanmoedigt, opluistert, illustreert of afwisselt - bij al die dingen is dè gemeente ten nauwste verbonden, Ook wanneer haar organist de. psalmzang door een voorspel inleidt, of met een motief inleidt; of wanneer hij de samenkomst der gemeente op passende wijze voorbereidt dan wel afsluithet gaat de gemeente aan, het is haar zaak. De organist is slechts haar vertegenwoordiger, die namens haar speelt! Vandaar onze vraag: waar vinden we een organist?- Jaargang 29
- nummer 24
Als kind hoorde ilk van mijn Moeder een anekdote, die de organist aangaat. Een predikant was gevraagd ergens ten plattelande voor te gaan in een vacature.
Toen hij de eerste psalm had opgegeven bleef het stil op het orgel. De dominee kuchte en gaf de psalm ten andere male op. Het bleef verontrustend stil in de hogere regionen. Toen de predikant opnieuw kuchte merkte een ouderling op: onze organist is ziek, dominee. Daarop vroeg de dominee: kan wellicht een der broeders of zusters voor ons het orgel bespelen? - Een turfschipper, kennelijk op doorvaart; stond bereidwillig op, klom naar boven, stommelde daar wat rond, opende het bekende groene gordijntje en sprak hulpeloos: ik wil wel helpen, dominee, maar ik kan de draaier niet vinden.
Zo en niet anders moet het gebeurd zijn; en die het het laatst verteld heeft leeft nog. Is dat een karikatuur? Zeg dat niet te gauw, beste lezer, lieve lezeres.
Het is namelijk naar het leven getekend. Voor vele gelovigen, die de catechismus en de namen der Drie Formulieren uit het hoofd kennen, blijft het kerkorgel een duistere zaak, voor hand- en voetwerkers - niet voor hoofdwerkers.
Vandaar onze vraag: waar vinden we een organist? Want een organist is heus niet iemand, die het orgel' laat spelen. Hijzelf moet het doen en nog goed ook Zo goed als een trompetist iemand is, die wat in zijn mars moet hebben: zo goed als een pianist of een violist of een hoboïst zijn repertoire weet voor te dragen en zijn gehoor weet. te boeien; zo goed moet een organist zijn orgel kunnen laten zingen en klagen; moet zijn gemeente kunnen doen juichen en haar lofoffers brengen.
Voor een organist is het niet genoeg om een handvol harmoniumstukjes te hebben leren spelen; zelfs niet om de psalmen van Vader Worp feilloos te kunnen spelen met toebehoren - al is dit laatste wel een obligaat station op de weg naar het organistschap. Een organist moet zijn instrument niet "bedienen" maar zijn instrument in dienst nemen, temmen, drillen, doen spreken, doen zwijgen en doen zingen. Daarbij moet hij verstand hebben van massazang; moet weten hoe en wat zijn gemeente kan zingen. En hij moet weten, op welke wijze hij met behulp van zijn kneedbare orgelklank de gemeentezang tot extatische hoogte kan opvoeren! Ook moet hij een repertoire hebben opgebouwd, lopende van de oudste orgelcomponisten tot vandaag den dag. Hij moet ook de eigen aard van de psalm-tonale modi hebben bestudeerd, moet ermee vertrouwd zijn. Dan moet hij een bruikbare kennis van de harmonieleer en de leer van het contrapunt hebben opgedaan; want hij moet veelal improviseren alsof het gedrukt stond. En als hij zijn studie niet in eenmaal kon volbrengen, moet hij daar levenslang aan blijven werken.
Dat is alles bij elkaar nogal wat. Vroeger had ik een oudere vriend, die een won tot predikant had laten studeren en een zoon tot musicus. Beide studies, zo vertelde hij me meermalen; kostten evenveel aan tijd en geld, Had u daar wel eens aan gedacht: dat een organist zoveel in zijn mars moet hebben als een predikant?
Opnieuw komt de vraag: waar vinden we zulk een organist? Want het is een publiek geheim, dat "onze" kerken weinig of niets betalen voor het “muzikale deel van de eredienst". Toch heeft de Gereformeerde Organistenvereniging dit muzikale deel van de eredienst als doel zich gesteld - en niet enige verbetering van de positie van de organist. Onlangs schreef haar huidige voorzitter: mijn talent kost u geen cent. Maar als onze kerken weinig of niets voor de kerkorganist muziek over hebben, moeten ze weinig of niets verwachten. Niet dat een organist ja zegt, wanneer hem een redelijk honorarium wordt gebeden; maar de gemeente mag wel ja zeggen, wanneer hij een redelijk honorarium verzoekt. Want zijn studie, zijn lessen, reizen, bibliotheek, zijn uren kosten hem veel geld. En als de kerk daar niet mee rekent moet ze ook niet op een organist rekenen.
Niet lang geleden zei een broeder uit een vrij grote stad terloops tegen mij: als je een organist voor ons mocht weten ... we zitten gewoon verlegen. Ik was even sprakeloos en dacht: een grote stadskerk, veel leden, veel mogelijkheden, veel welvaart, een. goed orgel en clan ... geen organist kunnen krijgen? Maar toen schoot mij het antwoord te binnen: onze kerken hebben de goede· organisten stelselmatig verspeeld aan andere kerken, die wel honoreerden. Ik herinner me de- tijd, dat diverse leden van genoemde G.O.V., zo maar wegschoten naar een der niet-gereformeerde kerken. Ze kregen daar een honorarium; dat is een eerbewijs, en bewijs dat men zijn organist naar waarde schat. Ze kregen daar stellig ook - zo'n mooi oud Nederlands orgel, dat wij burgers samen onderhouden met 'ons belastinggeld. Nederland heeft een groots bezit aan 'monumentale 'orgels. Wat een wonder als onze organisten, wakker gemaakt door hun G.O.V., hebben gestudeerd, gelden in hun positie geïnvesteerd, verder gekeken' dan hun eigen kerkneus lang was en - toen de gelegenheid kwam en men hen vriendelijk verzocht - voor deze verzoeking zijn bezweken.
Jaren geleden ging ik wel zo'n organist bezoeken: trachtte hem te weerhouden van die stap, hem voor "onze" kerken vast te houden. Gebruikte alle overredingskracht en alle (toen) gangbare argumenten. Dat was toen. Later is er een tijd geweest,- dat er in mijn eigen onmiddellijke omgeving een verrukkelijk orgel vacant stond. Men maakte mij duidelijk dat ik 1 x met mijn vingers moest knippen. Ik dacht er met beving over om me voor een dienst per Zondag aan dat orgel (en aan die rechtzinnige gemeente) te .geven: en om de andere dienst in de eigen kerk te blijven spelen. De verleiding was groot. Net op tijd zei een broeder tegen me: wel eerst overleggen of dit nu Gods wil is...!
Ik heb overlegd maar kreeg geen positief antwoord. Toen heb ik dat orgel laten schieten, hoewel -ik al dertig jaar gedoemd was een harmonium te bespelen, in plaats van een kloek orgel. Vandaag zijn we weer tien jaar verder. Mijn weg is op het spoor des harmoniums gebleven. Maar ik ben er niet meer zeker van, dat ik vandaag een benoeming voor een goed kerkorgel opnieuw zou afslaan. Is dat slecht? Ik denk aan een van de bekendste organisten, die onze kerken hebben voortgebracht. Hij ging naar een Hervormde Kerk, toen daar een best orgel naar hem lonkte. En werd organist aan een Lutherse Kerk, toen daar een nog belangrijker orgel naar hem floot. Zijn 'leven 'lang heeft !hij de lofzangen Israëls geleid en versierd en aangemoedigd. En hij werd geëerd. Deze arbeider was zijn loon waard. Toen hij overleden was heeft onze eigenste K.S. hem in De Reformatie "een profeet op de orgelbank"
genoemd. En wij dachten: dus dat kan, een profeet zijn buiten je eigen kerk .
We hoeven elkaar niet bang te maken dat onze kerkelijke begrotingen in 1986 worden scheefgetrokken vanwege de alsdan betaalde organisten. 'Misschien halen onze 'commissies van beheer nog wel eens de verouderde argumenten van dr A. Kuyper van stal; ze zijn weliswaar al 40 jaar geleden afdoende weerlegd, maar ze klinken -nog altijd stoer en retorisch en kantiaans. Niemand denke of vreze dat een artikel in dit goede blad, zelfs een reeks artikelen, de praktijk van ons kerkelijk klaplopen ondersteboven trekt. Wijlen professor C. Veenhof kon van een zekere kerkelijke categorie zo smeuïg zeggen: de godsdienst is hun goedkoopste liefhebberij. Hij had gelijk. Maar dit scherpe mes kan ook in 'ons eigen vlees snijden.
U zult gemerkt hebben, dat de vraag "waar vinden wij een organist" nog niet beantwoord is.
En het laat zich horen, dat een uitgebreid onderwerp als het kerkelijk orgelspel (en de kerkelijke zangleider) meer kanten heeft dan wat tot nu toe besproken is. Als u er geen bezwaar tegen hebt gaan we dus nog even door. Dan gaat het ook over het spel voor en na de dienst. Over de psalminleidingen, Over het leiden van de gemeentezang.
Over het opleiden van een kerkelijk koor, allen meesters. Misschien ook wel over het solospel, wie zal het zeggen?