Persschouw

1983-01-07
  • Jaargang 27
  • nummer 1
Centraal bekeken

In bovengenoemde bekende rubriek van het "Centraal Weekblad" kwamen wij het volgende pittige proza van de hand van Prof. Dr. G. P. Hartvelt uit Kampen tegen, dat we hierbij doorgeven:

Om de een of andere reden zijn wij niet gewend omzichtig en zachtzinnig met elkaar om te gaan. Het is mij - en ik denk velen met mij - al zo vaak opgevallen dat mensen bijzonder opgewonden raken wanneer het gaat om seks, politiek en religie.
Kijk bijvoorbeeld maar eens naar Sonja-op-vrijdagavond. Bij dat soort onderwerpen komt nogal wat los bij de mensen; ze gaan schreeuwen, en ondanks zorgvuldige planning van de uitzending, komen ze er op heel andere wijze uit dan ze erin gegaan zijn.
Je kunt ook bijna geen krant opslaan of je komt de uitdrukking tegen: dit of dat vakverbond is woedend op die en die werkgever of minister. Constateren dat er een diepgaand meningsverschil is, is blijkbaar te weinig - neen, het moeten emoties zijn, woede, waardoor dan blijkbaar onderhandelingen en discussies gedragen worden. En dan denk ik: zouden die onderhandelaars/politici nou nooit eens tegen elkaar zeggen: goeie vakantie gehad?
Of: vorige keer vertelde je iets over je zoon - hoe gaat 't nou met hem?
'U' zeggen ze toch alleen maar voor de camera's? Anders zouden ze toch elke dag een hartinfarct moeten krijgen?
Soms denk ik, dat 't in de kerk niet anders is. Artikelen en ingezonden stukken worden vaak gedragen door een eindeloze woede, door grote woorden, laatste woorden, en sommigen doen het voorkomen alsof door een bepaald besluit van de Synode de Here God omver gevallen is, ofschoon zij over een ander onderwerp de Synode weer kunnen loven.
Neen, wij gaan bepaald niet zachtzinnig met elkaar om. Wij hebben 't nooit gedaan, geloof ik. Ik hoef maar enige jaartallen te noemen: Afscheiding (1834), Doleantie (1866), Bavinck naar de V.U. (1902), Geelkerken (1926), Vrijmaking (1943/4). Al die gebeurtenissen zijn gepaard gegaan met opwinding, woede, en wij hebben elkaar met hemel en hel de maat gemeten.
Altijd al hebben wij de problemen hoog gespeeld tot op God. Zó zijn onze manieren.
Zouden wij 't dan nooit afleren tegen elkaar de profeet uit te hangen, en het doen voorkomen dat wij altijd beter weten wat er eigenlijk in een ander omgaat, beter dan die man of die vrouw zelf?
Ootmoed is als het oog: dat ziet zichzelf niet, maar het ziet wel alle dingen, en iedereen ziet het.

Nu kunnen wij natuurlijk de staf gaan breken over 't feit, dat de Kamper Hoogleraar zomaar een te laken t.v.-programma als voorbeeld in zijn betoog inlast, maar we moeten niet met oogkleppen voor lopen. De schrijver heeft gelijk! Het is in de politiek vaak alsof je je ongeremd ten opzichte van elkaar emotioneel kunt afreageren. En als je de kerk horizontaal bekijkt kom je tot de vlotte konklusie, dat het wel een janboel lijkt. Hoeveel mensen lopen geen trauma op via een kerkbreuk? En maakt de kerk zich dan niet ongeloofwaardig als ze eerst dure woorden in het kader van de tuchtoefening spreekt en als het erop aankomt en men wordt in het trekken van konsekwenties voor het blok gezet eigen vonnissen ontiegelijk afzwakt? Je vraagt je af: Waarom ruim je die barrikades dan niet eerlijk op? Dan komt er weer opening naar een ontmoeting toe en kun je elkaar weer in de ogen kijken zonder wrevel en schokeffekten. Wie weet, kun je dan nog wat samen doen in een land en een wereld waarin de ontkerstening schrikbarend veld wint.
Ik denk soms, dat we niet zo heel veel tijd meer over hebben!

-O-

Ds L. H. Kwast schreef in de "Friese Kerkbode" t.g.v. de herdenking van de Hervorming een inspirerend artikel onder de titel: "De reformatie als nee tegen de angst."
Wij lichten daar het volgende uit:

Als licht in de duisternis
Het is jammer dat mensen van nu aan de geschiedenis zo bitter weinig kennis hebben. Daarvoor is vooral het even moderne als gebrekkige Nederlandse onderwijssysteem verantwoordelijk.
Als mensen van nu van de geschiedenis enigszins op de hoogte waren, zouden ze de anderhalve eeuw vóór Luther kennen als een tijd van duisternis. De veertiende eeuw was een eeuw van rampzaligheid, van bittere dood, heilloze twist en mensenverachting.
Het werd er in de vijftiende eeuw niet beter op. Kerkelijke verwarring: in 1410 bijvoorbeeld betwistten drie pausen elkaars gezag en wettigheid. In het Oosten drongen de Turken op. In Frankrijk woedde tientallen jaren de oorlog met de Engelsen. In Bohemen, Moravië, in Duitse vorstendommen en bisdommen was de oorlog al even inheems. De boeren zagen hun akkers vertrapt, hun hoeven verbrand, hun vrouwen geschoffeerd, hun kinderen gedood.
En de kerk van de vijftiende eeuw wist niet beter te doen dan banbliksems in het rond te slingeren, een stad of een streek de sacramenten te onthouden en mensen met de hellestraf te bedreigen. Tegen het einde van de eeuw was "het pauselijk hof een bordeel geworden, gif en sluipmoord waren de gebruikelijke politieke middelen".
Is het dan zo vreemd dat de nieuwe prediking van Maarten Luther mensen deed ophoren? Zijn tijdgenoot, de grote schilder Albrecht Dürer, beschreef hem in 1520 als een "christelijke man die mij uit grote angsten geholpen heeft".
Angsten, dat waren de sargeesten die in Luthers tijd de mensen kwelden en pijnigden. De schilderijen van Dürer, Jeroen Bosch en Pieter Breughel bewijzen het. Om de hoek van de hel.
Luther heeft de troost van de Schriften van Christus ontdekt. Hij was een kenner van de bijbel bij uitstek. Dagelijks studeerde hij een uur lang in het Woord van God. Toen is hij gaan schrijven. Toen is hij ook gaan preken. Daarbij stond de bijbel in het middelpunt: "Wat voor het vee de wei is, voor de mens de woning, voor de vogel het nest, voor de vis de stroom, voor de gems de rots. dat is voor de gelovige de Heilige Schrift".
Van Luthers tijdgenoten lezen we dat zij door Luthers prediking werden opgebeurd. Tegenover angst en dood en hel verkondigde Luther Christus' offer, de opstanding, de inwoning van God door de Geest en de toekomst van het heil. Die prediking heeft ontelbare mensen aangesproken en de ban van de collectieve angst gebroken.

Het gezegde luidt, dat vrees een slechte raadgeefster is. Hoe moet het dan met de angst als intensivering van de vrees? Er zijn jongeren in de wereld, die zich neerleggen bij de stellige gedachte, dat er voor hen geen toekomst is. Ook jonge mensen onder ons, die iedere zondag in de kerk zitten, worden soms door een dergelijke gedachte aangevreten. Wat moeten wij daartegen doen? Voortgaan met de trouwe prediking van het evangelie, betrokken op de tijd waarin wij NU leven!! De nood niet met goedkope praatjes als vrome dooddoeners bagatelliseren, maar er serieus op ingaan! De Bijbel openen en samen zó konstateren, dat de HERE rijke beloften biedt aan hen, die zich door zijn hand laten leiden. Dan hebben wij heel wat aan de ander te vertellen. Daarin staat dan niet onze partikuliere geloofsbeleving centraal, maar gaat het om de werken van GOD! Die ga ik niet eigenmachtig en eigenhandig selekteren. Want het onderwerp van mijn Verhaal wordt door AL de werken van de HERE bepaald (zie het slot van Psalm 73). Daar komt vervolgens nog bij, dat het boek der historie mij juist in DIT opzicht voldoende illustratiemateriaal biedt!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief