Ingezonden
1983-07-08
Godskennis- Jaargang 27
- nummer 27
Prof. Hepp "wist alles van God". Hij "duchtte" gevaar van het Schriftuurlijk spreken voor zijn scholastieke wetenschap. Aldus ds J. C. Janse in Opbouw van 6-5-1983. Ik denk dat prof. Hepp het bovenstaande niet onderschreven zou hebben. Dat wil niet zeggen dat hij niet ernstig gedwaald kan hebben.
Ds Janse stelt daar in Opbouw van 20-5-1983 tegenover, het "profetisch spreken" in verband met het seminarie-onderwijs, met als belangrijkste vraag: "hoe ziet de Here de Christenheid? Heeft Hij er nog lust in om er walt aan te doen? Wat komt er? Komt er zegen of dreigt er vloek?"
Hepp meende dan alles van God te weten (van Zijn weren?). De voorstanders van het seminarieonderwijs wellen snel en zeker wat God van de Christenheid denkt en of er zegen komt of vloek. Ik meen dat men in beide gevallen de beperktheid van het menselijk kunnen en denken onderschat, In Opbouw van 27-5-1983 worden door ds Janse in het verband van het pleidooi voor het semicarte onderwijs Schilder, Holwerda en (A.) Janse in één adem genoemd. Hoe is het mogelijk!
In en na de moeilijke bezettingsjaren wisten A. Janse en zijn geestverwanten ook zoveel van Gods denken over en doen met "christelijk" -Nederland, Vooral met een beroep op Jeremia werd "profetisch" gesproken. En juist op dit voor dg Janse kardinale punt spraken Holwerda en Schilder geheel anders dan A. Janse c.s.
H. Staal, Apeldoorn
Naschrift
De door br, H. Staal uit mijn artikelenreeks geciteerde uitspraak "prof. Hepp wist alles van Gold" is een citaat en uitspraak van prof. dr S. U. Zuidema, die Hepp's scholastiek aan de kaak stelde.
Lezing van Hepp's brochurereeks "Dreigende deformatie", uit 1936 zou misschien br. Staal's ogen ervoor kunnen openen hoe zeer prof. Hepp gevaar duchtte van het Schriftuurlijk spreken -zoals dat in de jaren dertig reformatie zocht en reformatie mocht brengen.
Daaraan werkten zowel Schilder als Holwerda .als Voltenhoven en A. Janse en vele anderen mee.
Tegenover de synodalristisohe leer van tweeërlei verbond, tweeërlei doop, met als konsekwentie: "geen verbondswraak onder het Nieuwe Testament", mochten al de bovengenoemden, ieder in zijn roeping, waarschuwen om toch concreet de HERE re vrezen. Hij kan in Zijn gerichten de volkeren ovengeven en gaf ze over, ook in Zijn verbondswraak over Westerse volken in hun. afval.
Hoe Zijn hand nog uitgestrekt is (Jesaja 5: 25), is voor ieder die kan onderscheiden te zien.
Het is zaak, -ook voor ons, om bij de Sohrii1it de tijden te verstaan, Ze zijn er ernstig genoeg voor.
J. C. Janse