Heeft de Kerk in ons land nog een toekomst?

1983-01-14
  • Jaargang 27
  • nummer 2
De kerk, een camping in de herfst?

In de laatste tijd wordt veel geschreven over de toekomst van de kerk. Over het algemeen vindt men de vooruitzichten voor de kerk nog al somber.
Het lijkt wel alsof de kerk geen toekomst meer heeft.
Ook in Opbouw is hier kort geleden nog aandacht aan geschonken. Drs O. Mooiweer schreef hierover onder de titel "Een wervende of een stervende kerk?" en ds C. P. Plooy schreef in november een vijftal artikelen over "Leegloop van 'kerken".
Het is nu niet mijn bedoelring hun artikelen te verbeteren. Daar ben ik ook helemaal niet toe in staat. Ik wil in deze artikelen aandacht schenken aan enkele geschriften, die hierover verschenen zijn.

Door Jan Jonker en Jan te Winkel is een onderzoek ingesteld naar de oorzaken van het feit, dat van een gezond kerkelijk leven geen sprake meer is. De resultaten van hun onderzoek zijn neergelegd in het boekje "Adieu", met als ondertitel "Mensen keren de kerk de rug toe".In dit boekje slagen ze er wel in enkele negatieve punten aan te wijzen, maar ze geven toch geen afdoende verklaring voor het feit, dat de ontkerkelijking in Nederland steeds meer toeneemt.
Een ander geschrift is dat van Bert de Jong, eindredacteur van Trouw, "Nou pa, veel geluk met je geloof". De titel is ontleend aan het eerste verhaal "Gereformeerde krakers". Daarin wordt een gezin getekend, waarin pa, een professor, een discussie voert met zijn dochter, die een kraakpand bewoont. Aan het slot van een discussie zegt de hoogleraar: "Kind het beste met je ideologie." Het antwoord van de dochter luidt: "Nou pa, veel geluk met je geloof."
Het is een vrij oppervlakkig nog al cynisch geschrift van iemand die afstand heeft genomen van de kerk. Hij ziet er niets meer in, al schijnt hij er toch niet helemaal los van te zijn. Het boekje brengt ons geen stap verder.
Het derde geschrift "Gaan uw kinderen nog naar de kerk?" van J. Jonker gaat er breder en ook dieper op in. Deze schrijver tracht ook middelen ter verbetering aan te geven.
Al deze geschriften trachten op hun manier te laten zien, dat het er met de kerken en het kerkelijk leven in ons land niet zo best voorstaat.
Prof. dr K. Runia haalde een tijd geleden in het Friesch Dagblad een treffend beeld aan, dat dr Paul Schnabel in zijn dissertatie gebruikte.
Deze schreef, dat de toekomst van God in Nederland bij hem het beeld oproept van een "camping in de herfst". Op de grazige weiden staan nog slechts een paar tenten, aan de rand enkele caravans. Hier en daar een auto met een buitenlands nummerbord, een jongen met een rugzak op zoek naar de "beheerder". Deze kijkt hem onderzoekend aan en vraagt: voor hoe lang nog?
Een somber beeld, die camping in de herfst. Je ziet, dat het seizoen afgelopen is. Eigenlijk had de camping al gesloten moeten zijn. Het kan onmogelijk nog lang duren.
Het geheel maakt ook een wat trieste indruk.
Is dit het beeld van de kerken in West-Europa, en ook in ons land?

Enkele symptomen

Het kan niet ontkend worden, dat er heel watt bedenkelijke symptomen zijn.
Zo loopt het kerkbezoek vrijwel overal terug. Het aantal meelevende kerkmensen neemt af. Evenzeer het aantal belijdeniscatechisanten. Minder predikanten, ouderlingen en diakenen.
Velen hebben geen tijd meer voor kerkbezoek. Zaterdagavond gaat men uit of krijgt visite. In beide gevallen loopt het uit naar de kleine uurtjes.
Dus de volgende morgen geen kerkgang. Of ook wel hele weekenden weg, naar een camping b.v. En geen kerkgang.
Via "Kerknieuws" citeer ik J. Hendrikse, die over zijn ervaring in de R.K. kringen schreef: "Het wordt de laatste jaren steeds leger in onze kerken. Mensen, die elke zondag of zaterdag naar de kerk gaan, gaan tot de uitzonderingen behoren. Het is, zeker in de verstedelijkte gebieden, nu opvallend als iemand in het weekeinde wel naar de kerk gaat.
Dit was een ervaring uit R.K. kring, maar is de toestand in veel protestantse kerken anders?
Velen doen helaas ook de volgende stap, Ze breken helemaal met de kerk. Vooral onder de jongeren zijn er velen, die afhaken. Een kwart van de bevolking rekent zich niet meer te behoren tot een kerkgemeenschap. Volgens de prognoses zal in het jaar 2000 minder dan de helft zich nog als christen beschouwen.
Christenen raken in Nederland in een minderheidspositie.
Velen zien in deze verschijnselen voorboden van een naderend einde van het christendom, of de intrede van een christendom zonder kerkelijke praktijk.
Nog enkele jaren en het is voorgoed voorbij.
De kerk, zo meent men, is op sterven na dood.

Oorzaken

Wanneer men nagaat om welke redenen men niet meer kerkelijk meeleeft of zelfs geheel afhaakt, is het opvallend, dat er vele nog al uiteenlopende redenen gemeld worden.
Sommigen vinden de kerk te saai. Er is te weinig warmte en mystiek. Men wil meer blijdschap, vreugde en liefde.
De kerk, zo zeggen anderen, is te onpersoonlijk en te massaal.
Weer anderen wijzen erop, dat het pastoraat in de kerk helemaal faalt.Men ergert zich aan de intolerantie tegenover mensen, die anders denken of anders zijn dan kerkmensen.
Een andere grief is, dat de communicatie tussen ouderen en jongeren in de kerk niet goed is. Daarbij sluit aan het verwijt, dat de gang van zaken in de kerk bepaald wordt door een groepje mensen boven de 40 jaar.
Ook het verouderd taalgebruik van de kerk is een veelgehoord verwijt. Mensen, die zich aansluiten bij de Basisbeweging verwijten de kerk, dat ze in het praktisch maatschappelijk gebeuren de kant van de macht kiest. In de praktijk, zo stellen deze mensen, staat de kerk vaak tegenover het Evangelie. Ook de hiërarchie in de kerk wijzen ze als oorzaak van hun bezwaren aan.
In "Adieu" wordt als een van de oorzaken genoemd het gebrek aan maatschappelijke bewogenheid van de kerk. Velen willen zich in de kerk thuis voelen. De kerk moet hen een gevoel van geborgenheid geven.
Dat wordt helaas in de kerk gemist, terwijl ook de gemeenschap der heiligen niet functioneert.
Gemist wordt verder een maatschappijkritische instelling van de kerk. Veel ergernis hebben de schrijvers waargenomen bij buitenkerkelijken over het gedrag en de houding van christenen. Een vroegere rooms-katholiek merkte b.v. op, dat men hem nooit meer in de kerk zal krijgen al zingen de koren en galmen de liederen, omdat het gezang het gegier van de YF 16 en B52 nimmermeer kan overstemmen.
Moderne mensen doen niet meer mee. Alleen zij, die nog in het patroon van de voorbijgegane tijd leven, agrariërs en burgerlijken.
Als je dat allemaal leest, zou je je bijna gaan schamen, dat je nog lid van een kerk bent. En een meelevend lid van een kerk zijn, is natuurlijk helemaal het bewijs van achter te lopen.
Het veiligste is het daarom om maar een plaatsje helemaal achter in die "camping in de herfst" op te zoeken.
Dan val je tenminste niet zo erg op.

Gaan uw kinderen nog naar de kerk?

Breder en ook meer gefundeerd worden de oorzaken besproken in "Gaan uw kinderen nog naar de kerk?"
De schrijver, J. Jonker, zijn kinderen zijn in de 60er en 70er jaren zelfstandig geworden, wijst de kerk aan als de schuldige van het feit, dat de kerk op haar retour is en dat vooral de jongeren de kerk vaarwel zeggen.
In hoofdstuk 1 horen we het al. Het opschrift luidt: "Een kerk die jongeren niets zegt" . Met instemming worden uitspraken aangehaald als de kerk is "de minst hoopvolle plaats" en "het belachelijk instituut kerk".
Jonker wijst er, terecht, op dat de jongeren het in de kerk vaak niet zien zitten en het laten afweten. De onthutste ouders kunnen met hun kinderen niet meer praten over het meest wezenlijke van hun leven. Hij wijst dan op een aantal ontwikkelingen, die naar zijn mening van belang zijn.
Een aantal vroeger onaantastbare zekerheden is weggevallen. Kerkelijke gemeenschap en organisatie spelen in eigen leven en samenleving hoogstens een bijkomende rol. De beslotenheid in eigen kring is er niet meer.
Het stevige steigerwerk, het houvast voor de ontwikkeling van het persoonlijk geloof, is praktisch weggeslagen.
De zekerheid over goed en kwaad is verdwenen.
Vroeger was de kerk nauw met de samenleving verwikkeld. Men was bijna altijd lid van een kerk en men luisterde naar de kerk. De nadruk lag daarbij op regelmatige kerkgang, dagelijks bijbellezen, gebed en een aantal verbodsbepalingen.
De kerk heeft deze machtspositie echter verloren en heeft dit zelf niet in de gaten.
Vooral de organisatorische zijde wordt door Jonker bekritiseerd. Zowel de kerk als de staat, zo schrijft hij, zijn vrijwel altijd uitgegaan van het hiërarchisch model met duidelijk autokratische elementen. Uitgangspunt was de grote afstand in kennen en kunnen tussen leiding en geleiden. De kerk vertaalde dit in haar organisatie in herder/schapen verhouding. Dit motief werd verheven tot een absoluut en onaantastbaar model voor haar organisatie.
Kerkdienst en liturgie spreken in haar huidige vorm velen niet meer aan.
Vorming van gemeenteleden geschiedt naar verouderde methoden, die bij velen niet overkomen.
Ook de opleiding van predikanten is niet op de situatie afgesteld.
De kerk is niet bij machte voor de onkerkelijken van wezenlijke betekenis te zijn.
In een kleine denominatie kan dat oude organisatiepatroon nog wel functioneren. Daar ligt het accent dan op onderlinge binding en het zich richten op eigen identiteit. Hun betekenis gaat echter niet verder dan eigen groepsleden.
Zijn conclusie is, dat nu het eind van 15 eeuwen christelijke cultuur zich steeds duidelijker manifesteert, dit ook het feitelijk einde betekent van een op deze cultuur geënte kerkelijke organisatie.
Tragisch is daarbij dat de kerk toch tracht dit versleten beeld van machtsblok te zijn overeind te houden.
Na deze vooral sociologische beschouwingen, waarin heel wat terechte kritiek voorkomt, gaat de schrijver in het vervolg nog veel verder met zijn kritiek. Daarbij glijdt hij helaas uit en raakt het spoor bijster.
Hij constateert, dat de moderne mens vreemd staat tegenover: "een typering van God als de almachtige, de onveranderlijke, de autoritaire; het in wetten en regels als absoluut genormeerde gedragspatroon en het daarop gebaseerde zondebegrip; de karakterisering van de theologie als een rechtsproces van God met de mensen met de elementen van schuld, straf, gerechtigheid, genade, plaatsvervanging, offer, verzoening, rechtvaardigmaking, hel en hemel; de inspiratieleer als onderbouw voor het gezag, de onfeilbaarheid en de absolute onaantastbaarheid van alles wat in de bijbel werd vastgelegd; het vrijwel zonder aarzeling spreken over God, over de Zoon van God, over de Heilige Geest en het ontwikkelen daarover van goed sluitende theorieën tot een als onaantastbaar verkondigd leersysteem. "
Normen en moraal zijn volgens hem gegroeid uit en afgesteld op een agrarische samenleving. Dat beeld is voor ons onherkenbaar geworden.
Wanneer Jonker gelijk heeft, is het gewenst deze kerk, deze "camping in de herfst" maar zo snel mogelijk te verlaten.

Welke diagnose is de juiste?

Wanneer je bij een ziekbed tien artsen haalt, die elk hun verschillende diagnoses stellen, is het moeilijk om vast te stellen wat de patiënt nu werkelijk mankeert.
Zo is het ook moeilijk bij deze stroom van beschuldigingen aan het adres van de kerk vast te stellen waar nu echt de schoen wringt.
Daarbij is het niet nodig op alle verwijten in te gaan.
Zo vertelt Bert de Jong b.v, in "Nou pa, veel geluk met je geloof", dat hij als kind behalve met het tellen van de ruitjes in de gereformeerde kerk te Beilen zich ook bezig hield met de letters rondom de preekstoel. Daarop stond te lezen: "Ik ben de weg, de waarheid en het leven."
Het verband tussen wat op de preekstoel werd gezegd en deze woorden ontdekte hij nimmer. Het ging steeds over iets anders. Het komt mij voor, dat De Jong hier zelf de schuldige is, omdat hij is doorgegaan met het tellen van ruitjes.
Maar veel argumenten hebben helaas meer grond van bestaan.
Er waren en zijn in de kerk veel gebreken. Wat maakte de gemeente te Korinthe er al een troep van.
Daar is gebrek aan liefde en blijdschap. Daar is veel verdeeldheid en onenigheid. Helaas vormen de Ned. Ger, Kerken hier geen uitzondering. En het zijn in de regel moeilijkheden om zaken van niets. De weg van de zelfverloochening, het elkaar willen aanvaarden in Christus, is voor velen een te moeilijke opgave. Is het vreemd, dat men zich dan ergert aan het gedrag van kerkleden?
Vormen wijzelf zo niet een hindernis, een beletsel om de deur van de kerk. te vinden?
Samenwerking met andere christenen schijnt al heel erg moeilijk te zijn.
Zelfs een gemeenschappelijke evangelisatiecampagne bleek niet mogelijk.
Het pastoraat functioneert in veel kerken gebrekkig en de preken hebben soms weinig inhoud.
Daar wordt ontzaggelijk met het Evangelie geknoeid. Men blijft te weinig bij de kern van het Evangelie, de verzoening door Jezus Christus.
Het zijn klachten van vroeger en nu.Daar ontbreekt veel aan de kerk.
Dat wil zeggen: er ontbreekt veel aan de kerkleden, aan ons. Laten wij bij al dat klagen niet vergeten, dat wij de kerk zijn.
Kerkleden zijn helaas vaak slecht leesbare brieven van Christus.
Kritiek op de kerk moet daarom in de eerste plaats kritiek op onszelf zijn.

Het komt mij voor, dat Jonker gelijk heeft, wanneer hij constateert, dat er in de kerk soms een te grote afstand is tussen wat hij noemt leiders en geleiden.
In menig opzicht speelt ook de gemeente onvoldoende mee. Men heeft de indruk, dat er te veel buiten de gemeente om wordt beslist. Het is echter niet alleen de schuld van de “leiders", Van veel "geleiden" moet men helaas vaststellen, dat hun kennis gering en hun meeleven slecht is.
Terecht wijst Jonker erop, dat bij het gebruik van het herder/schapen motief in de Bijbel niet zo zeer gedoeld wordt op de gezagsverhouding tussen leiders en geleiden, maar op de instelling van de leider bij de uitoefening van het leiderschap.
Er wordt gewaarschuwd voor de leider die zich niet werkelijk inzet voor de geleiden, maar zijn leiderschap voor zichzelf gebruikt. ("zichzelf weiden", Ez. 34, "belust op eigen baat", Jes. 56). Herders, die als het erop aankomt alleen eigen belang zoeken ("nietswaardige herder die de schapen in de steek laat", Zach. 11). Petrus waarschuwt de oudsten van de gemeente als herders niet de baas te spelen (1 Petr.
5).
Juist dit herder/schapen motief wordt nog al eens gebruikt, en ten onrechte, om de grote afstand tussen herders en schapen te rechtvaardigen.
Deze waarschuwingen aan het adres van de herders zijn nog actueel.
Daar is inderdaad bij kerkelijke ambtsdragers wel eens de neiging om te heersen. Daar is ook neiging om de gemeenteleden als onmondigen te behandelen.
Vergeten wordt wel eens, dat het ambt geen doel en gewicht in zichzelf heeft. Het ambt is er ten dienste van de gemeente. Als men dat vergeet, ontstaat er ambtsgewichtigheid en dat is één van de ergste vormen van ambtelijke ongehoorzaamheid.
Ook organisatorisch is er op de kerken veel aan te merken. Men werkt vaak met verouderde structuren.
Is het voorts verstandig, dat in de kerkdienst uitsluitend de predikant domineert?
Zo zijn er veel vragen te stellen. Het blijkt echter vrijwel onmogelijk vastgeroeste structuren te wijzigen.
Onze vaderen waren in dit opzicht wijzer. In Wezel werden de artikelen van de kerkenorde zo gemaakt, dat ze later naar tijd en omstandigheden veranderd konden worden. Tot de synode van Dordrecht is dat ook gebeurd. Vanaf die tijd werd er echter niets meer gewijzigd en gingen de ordeningen voor de kerken als een soort onveranderlijke wet gelden. Men was er soms zelfs trots op, dat men nog altijd de oude D.K.O. had!
Met de belijdenis ging het dezelfde kant op.
In 1565 werd te Antwerpen afgesproken, dat bij het begin van elke synode de geloofsbelijdenis zou worden voorgelezen om blijk te geven van de eenheid, maar ook om na te gaan of er iets te veranderen en/of te verbeteren viel.
Tot de synode van Dordrecht was dat het geval. Daarna niet meer.
Het gevolg is, dat de belijdenis van de kerken in opzet en taal sterk verouderd is en daardoor weinig functioneert. Het is waar, dat de belijdenis substantieel onveranderd moet blijven tenzij bewezen wordt dat deze in strijd is met Gods Woord. Een belijdenis echter, die niet bij de tijd blijft loopt gevaar, hoe Schriftgetrouw ze ook is, een dood stuk papier te worden. En nu in onze tijd ontbreekt ons de kracht om de belijdenis bij de tijd te brengen.
De kerk moet bij de tijd zijn, zegt men. Maar dat is ze vrijwel nooit. Of ze verwereldlijkt, of ze blijft stilstaan.

(wordt vervolgd)

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief