Gaven en opgaven

1983-01-21
  • Jaargang 27
  • nummer 3
Een vorig artikeltje eindigde als volgt: "Bij bidden hoort werken. Wie bidt om verlossing van de boze, moet de boze mijden. Wie bidt 'Zet Heer een wacht voor onze lippen', moet zelf de deuren van z'n mond behoeden.
God stuurt geen engel om een slot op de mond te doen. We zullen het zelf moeten doen. Anders gaan we door met roddelen of ijdele praterij. Gods gaven zijn voor ons opgaven. Dat moeten we maar niet vergeten".

Daaraan wil ik dit stukje wijden: Gods gaven en opgaven horen onlosmakelijk bij elkaar. Als we geloven, dat God ons Zijn gaven uitdeelt, dan zullen we er naar jagen om Gods opgaven of bevelen te onderhouden. En als we dat niet doen, dan zullen de gaven ons ook gaan ontbreken. Het gaat me nu niet om bijzondere gaven (bijv. van genezing) die werden geschonken aan de apostelen. Maar om de gaven van de Heilige Geest, die aan alle gelovigen worden geschonken. Daaraan hoeft het geen bidder te ontbreken. Dat verzekert ons de Heiland in Mattheüs 7 en Lukas 11. Daar vinden we de gelijkenissen van de vriend, die om brood verlegen is. En van het vragende kind, dat z'n vader om eten vraagt. De vriend en het kind krijgen wat ze vragen. En dan trekt de Here Jezus de conclusie: "Indien dan gij, hoewel gij slecht zijt, goede gaven weet te geven aan uw kinderen, hoeveel te meer zal uw Vader uit de hemel de H. Geest geven aan hen, die Hem daarom bidden." Mattheüs spreekt van goede gaven. Maar dat komt op hetzelfde neer: De Geest deelt Geestelijke, goede gaven uit. We kunnen daarvan een uitgebreide lijst opmaken uit gegevens van het N.T. We vinden er enkele van in Gal. 5 : 22 en in Pil. 4: 8, om enkele teksten te noemen. We zouden bij elke letter van het abc wel een goede gave kunnen invullen. Laat ik er enkele opsommen: Liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, vriendelijkheid, goedheid, trouw, zachtmoedigheid, zelfbeheersing. Pil. 4 vermeldt: "al wat waar, al wat waardig is, al wat rein, al wat beminnelijk, al wat welluidend is, al wat deugd heet en lof verdient". In één woord zouden we al deze gaven kunnen samenvatten: heiliging. Vrucht van de H. Geest, waarnaar wij jagen zullen. Zonder dat zullen we de Here niet zien. Hebr. 12. Op Gods beloften en dus op Gods gaven kunnen we aan. Dát moest onder ons toch wel. vaststaan. "Hij die u roept is getrouw, die het ook doen zal." 1 Thess. 5 : 24.

Blijkbaar zijn veel kerkmensen daarvan niet overtuigd. Naar ze zeggen hebben ze er heel hun leven om gevraagd (60 of 70 of 80 jaar). Maar ze wachten er nog steeds op. Ik kom ze tegen in alle kerken. "God moet het doen", zeggen ze. En ze sterven vaak in doffe wanhoop. In de rouwadvertentie staat dan: "In de hope des eeuwigen levens". Welke "hope" met de bijbelse hoop weinig of niets te maken heeft. Want dat is een vast vertrouwen!
Met verbazing vraag ik me af, hoe dit toch mogelijk is. Er kunnen meerdere oorzaken voor genoemd worden (prediking, opvoeding, overlevering). Maar m.i. is één reden ook het misverstand, dat God Zijn gaven zonder ons, in ons uitgiet, Een soort ingestorte genade; om zo te zeggen een injectie, waarop we lijdelijk zouden moeten wachten. Bij velen heerst dat gruwelijk misverstand. Met heel nare gevolgen. O.a. een levenslange onzekerheid of men wel ontving wat God beloofde.
In m'n pastorale praktijk kwam en kom ik brs. en zrs. tegen, die niet ontkennen, dat Gods beloften wel waar zijn. Maar het geloof daaraan moet je toch maar gegeven worden? Het geloof is toch een gave Gods?
Zo staat het er toch?

Inderdaad is het geloof een gave van God. Zo staat het in Ef. 2 : 8 "Door genade zijt gij behouden, door het geloof, en dat niet uit uzelf, het is een gave van God: niet uit werken, opdat niemand roeme". Met werken worden hier werken der wet bedoeld. Dat onze redding ook geloofswerken meebrengt blijkt uit het vervolg in vs. 10: "Want zijn maaksel zijn wij, in Christus Jezus geschapen om goede werken te doen, die God tevoren bereid heeft, opdat wij daarin zouden wandelen". Er staat niet, dat God het geloof nog moet geven, maar dat Hij de redding en het geloof gegeven heeft! Een andere tekst is Fil. 1 : 29 "Aan u is de genade verleend, voor Christus, niet alleen in Hem te geloven, maar ook voor Hem te lijden". Ook hier niet "God moet het geven" maar het is u gegeven. We moeten dat geven van het geloof goed verstaan. God behandelt ons niet als "stokken of blokken", niet als een plant of een dier. Maar als mensen. God biedt ons in het Evangelie Zijn genade aan. Hij dringt er op aan dat aanbod te aanvaarden. De blijde boodschap wordt ons verkondigd metbevel van geloof en bekering. Hij dwingt niemand, werkt het geloof ook niet zonder ons. Het geloof is niet alleen gave, maar meteen opgave, bevel. Die gave kan afgewezen worden. Zodat de Heiland aan Jeruzalem verwijt, dat Hij haar bewoners wel heeft willen tot Zich trekken, zoals een hen haar kuikens lokt. Maar dat zij niet hebben gewild. Er staat niet, dat zij niet hebben gekund, maar ze hebben niet gewild. Een mens kan het Woord verwerpen en de Geest weerstaan; ten slotte zelfs lasteren. Soms wordt het voorgesteld alsof God het geloof ons ingiet of inspuit. Zoals een arts een injectie geeft. Die spuit werkt om zo te zeggen vanzelf. Zo zou het geloof een soort ingestorte genade zijn, die automatisch, als vanzelf ons deel werd. Maar we zijn geen automaten. Ook niet lijdelijk. De doden op het kerkhof zijn lijdelijk. Ze doen niets. Maar een levend mens doet altijd wat. Lijdelijkheid is een uitvinding van de duivel. In het werk der verlossing worden we ingeschakeld van het begin tot het einde. Ook bij het geloof. Het is gave èn opgave. Niet van elkaar te scheiden. Naar de regel van Fil. 2: "Werkt uw redding met heilige zorgvuldigheid, want het is God, die in uw leven werkt het willen en het werken. Zo behaagt het Hem".

Ja maar, zo wordt gezegd, Gods gaven zijn toch "vrucht van de Geest". Ze groeien toch als vruchten aan de Wijnstok, die Christus is. Inderdaad, wie zou dat willen ontkennen? Ik zeker niet. Maar dat wil zeggen, dat die vruchten vanzelf in ons leven groeien? Een rank kan er niets aan doen of zij vruchten draagt. Maar daaraan kunnen en moeten wij alles doen. In afhankelijkheid van God, stellig. Maar het moet wel gebeuren. Hierin wordt God verheerlijkt, dat we veel vrucht dragen. (Joh. 15).
Ja maar, zo hoor ik menigeen tegenwerpen: "Het Evangelie is toch alleen voor uitverkorenen en hoe zal ik weten uitverkoren te zijn?" Mijn antwoord is: Door het Evangelie worden we geroepen. En met dat Evangelie komt Gods verkiezende Liefde tot ons. Als Petrus in I, 2 : 9 schrijft: "Gij echter zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilige natie, Gods eigendom", dan roept hij dat toch heel de gemeente toe. Dan sluit hij toch niemand uit. Wel vermaant hij dan in z'n tweede brief (1 : 10) de gemeente: "Beijvert u, brs. en zrs., uw roeping en verkiezing te bevestigen". Waarmee hij bedoelt, dat we bij het geloof moeten voegen "degelijkheid en kennis en zelfbeheersing en volharding en godsvrucht, broederliefde en liefde tot allen". Als we dat doen zullen we nooit zó struikeIen, dat we uitvallen. Maar als we dat niet doen, zijn we verblind. En kunnen we van de genade vervallen en schipbreuk lijden van het geloof. Of we ook worden ingeschakeld bij het werk der verlossing.

Herhaaldelijk hoor ik nog een "ja maar". Bij de wedergeboorte zijn we toch geheel lijdelijk? Dat is een kind bij de natuurlijke geboorte toch ook? Dat moge zo zijn, maar bij de wedergeboorte of bekering zijn we niet lijdelijk. Er is wel een algemeen verbreide idee van wedergeboorte, die zonder ons wordt gewerkt. In die wedergeboorte zou ons een levenskiem worden ingestort, waaruit als vanzelf geloof en bekering zouden opbloeien. Maar zo spreekt de Heiland er niet over. Ook in het bekende gesprek met Nicodemus in Joh. 3 niet. Daar spreekt de Here Jezus niet alleen over de noodzakelijkheid van de wedergeboorte, maar ook over de weg, die Nicodemus moet gaan. Hij wordt verwezen naar Johannes de Doper, die zondaren met water doopte. Nicodemus moet dus totaal veranderen, door naast hoeren en tollenaren te gaan staan. En dan moest hij door Johannes zich laten wijzen tot de Christus, Die met de Herlige Geest en met vuur zou dopen. Hij moest dus niet bij Jezus komen als een rabbi-collega. Maar Hem erkennen als de Messias, de Christus, in wie Gods genade werd geopenbaard. Het is niet zo, dat we door wedergeboorte komen tot geloof en bekering, Maar we komen tot het nieuwe leven door het geloof in Jezus Christus. Zoals direkt al blijkt uit Joh. 3 : 16 "opdat een ieder, die in Hem gelooft niet verloren ga, maar eeuwig leven hebbe" . Ook wedergeboorte is gave èn opgave.

Zo is het met al Gods gaven. We kunnen de gaven van de Geest samenvatten met twee woorden: reohtvaardiging en heiliging. Ze worden ons geschonken in Christus. I Kor. 1 : 30 luidt: "Uit Hem (God) is het, dat gij in Christus Jezus zijt, die ons geworden is wijsheid, rechtvaardigheid, heiligheid en verlossing". Alles gave. Maar ook opgave. We worden gerechtvaardigd door het geloof. En van de heiliging zegt de brief aan de Hebr. (12 : 14): "Jaagt naar ... de heiliging, zonder welke niemand de Here zien zal".

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief