Het profetische spreken

1983-02-04
  • Jaargang 27
  • nummer 5
We komen tegenwoordig de uitdrukking profetisch spreken nogal eens tegen. De Bijbel spreekt profetisch. De prediking moet profetisch zijn. Het komt aan op het profetisch inzicht in de Heilige Schrift.
Wat wordt in deze en dergelijke uitdrukkingen met het woord 'profetisch' nu eigenlijk bedoeld en hoe moeten we erover denken? Het lijkt me de moeite waard op deze vraag althans te pogen enig antwoord te geven.

Profetische geschiedschrijving
Met deze uitdrukking wordt wel de aard van de geschiedschrijving van het Oude Testament aangegeven. Men wil daarmee dan zeggen dat zij een ander karakter draagt dan de zogenaamde profane geschiedschrijving. Deze tracht te komen rot een zo groot mogelijke vorm van objectiviteit, al wordt daarbij erkend dat het ideaal in dit opzicht nooit bereikt wordt, omdat elke schrijver zijn persoonlijkheid en daarmee zijn eigen kijk op de geschiedenis meebrengt. Maar wil de geschiedschrijving wetenschappelijk zijn dan heeft zij toch de feiten kritisch te onderzoeken, de bronnen op hun waarheidsgehalte te toetsen om de werkelijkheid van het verleden zo getrouw als mogelijk is te beschriiven en in het heden te doen herleven.
Wanneer men zegt dat de historiebeschrijving van het Oude Testament profetisch is wil men daarmee aangeven dat zij een bepaald doel voor ogen heeft en daaraan haar beschrijving van de feiten en gebeurtenissen dienstbaar maakt: Dat doel is in het algemeen het laten zien van Gods grote daden, Zijn heilsweg met Zijn volk en met de volken, zoals die tenslotte zijn hoogtepunt bereiken zal in de beloofde Messias. Die weg is de weg van de genade, waarbij het gericht over zonde en afval niet ontbreekt maar door de grootheid van zonde en afval soms zelfs een grote plaats inneemt. In elk afzonderlijk Bijbelboek of groep van Bijbelboeken wordt dit dan op zijn eigen wijze uitgewerkt met een aan dit algemene doel ondergeschikte opzet.
Profetische geschiedschrijving dus.
Deze is trouwens in overeenstemming met heel het karakter van de Heilige Schrift als het Woord van God. Haar bestemming is ons te brengen tot de zaligmakende kennis van God in Christus. Dit 'profetisch' karakter bepaalt nu ook bij de beschrijving van geschiedenis de keuze van de stof en de belichting van de feiten. De geschiedenis van de aartsvaders wordt ons vrij uitvoerig meegedeeld, maar over het verblijf van Israël in Egypte gedurende een vierhonderd jaar zwijgt de Schrift vrijwel geheel. Brede aandacht daarentegen wordt gegeven aan de geschiedenis van de uittocht en het verblijf in de woestijn. Dit kan ons duidelijk maken dat het de Heilige Schrift niet te doen is om een complete geschiedenis van Israël op zichzelf te leveren, maar dat daarin de totstandkoming van Gods verbond met Israël en (straks) het leven in het verbond met de HERE daarin centraal staat.
Het is voor ons omgaan met de Bijbel VAN HET GROOTSTE BELANG dat wij hier oog voor hebben.
Dat kan ons bewaren voor een krampachtig en rationalistisch omgaan met de Schrift, die tot ons heil en de rechte kennis van de HERE niets bijdraagt. Het gaat in de Bijbel nooit om de feiten op zichzelf maar zij worden ons meegedeeld opdat wij God zouden kennen tot onze zaligheid (Bavinck). Reeds Augustinus heeft gezegd: De Heilige Geest wilde Christenen maken, geen mathematici.
Dat daarom de Heilige Schrift van onmisbare betekenis is voor al onze menselijke arbeid, ook in de wetenschap, is daarmee niet in strijd, maar behoeft nu niet afzonderlijk besproken te worden. Alleen op één ding moet wel gewezen worden, dat Is dat aan het aanvaarden van het profetisch karakter van de Oudtestamentische geschiedschrijving de conclusie zou verbonden worden dat dus de weergave historisch onbetrouwbaar zou zijn, zo terecht dr B. Wentsel in zijn pas verschenen Dogmatiek, deel 2, pag. 454.
De term 'profetische' geschiedschrijving, dat het Oude Testament gebruikt, verdient om verschillende redenen toejuiching, ook al komt zij zo in de Bijbel niet voor, voor zover ik weet. Wel komen we in het Nieuwe Testament de uitdrukking 'het profetische Woord' tegen.

Het profetische Woord
In het eerste hoofdstuk van zijn tweede brief schrijft de apostel Petrus over de verheerlijking van de Heiland op de berg, waar Mores en Elia met Hem spraken over zijn uitgang te Jeruzalem. Toen sprak de Vader: Deze is mijn Zoon, mijn geliefde, in wien Ik mijn welbehagen heb. En deze stem hebben ook wij uit de hemel horen komen, toen wij met Hem op de heilige berg waren, schrijft Petrus in vers 18. En hij vervolgt dan: En wij achten het profetische woord (daarom) des te vaster. Petrus bedoelt met het 'profetische woord' kennelijk de profetie omtrent de Christus in haar geheel, m.a.w. het Oude Testament in zijn 'geheet en niet een aantal afzonderlijke profetieën uit het Oude Testament, zoals wij die vroeger van buiten moesten leren: Jes. 9 : 5, Micha 5 : 1 enz. Dan zou hij zich wel anders uitgedrukt hebben; niet zo algemeen. Paulus spreekt in Rom. 16 : 26 ook over de profetische schriften als bevattende het geheimenis van de Christus, dat thans door de komst van Christus is geopenbaard. Hiermee zal Paulus wel al de geschriften van het Oude Testament bedoeld hebben, waarin de belofte van Christus tot ons komen. In hoofdstuk 1 : 2 spreekt hij over de heilige Schriften, waarin door de profeten het evangelie van God aangaande zijn Zoon is beloofd. Dit kan moeilijk alleen slaan op wat wij onder de profetische geschriften in engere zin verstaan als Jesaja enz. De Schrift zelf noemt Abraham een profeet, Gen. 20 : 7 en zo ook Mozes, Deut. 18: 18. En in de Hebreeuwse canon werden ook de 'historische' boeken van Jozua tot 2 Kon. gerekend onder de 'vroege' Profeten.
Het Nieuwe Testament typeert het Oude dus als profetisch, die conclusie mogen we geloof ik veilig trekken.
Het profetische Woord dus, gesproken van het Oude Testament.
Maar wat is de zin van het woord 'profetisch' hierbij?
Natuurlijk klinkt hierbij door de gedachte aan autoriteit. Want de profeten waren mannen, die spraken in opdracht van de Here God. Daarom spreekt Paulus van de profetische schriften ook als de heilige Schriften, waarin God door zijn profeten het evangelie had beloofd, Rom. 1: 2. Maar overwegend is hier toch de gedachte van het beloven, van het spreken over de toekomst, waarin Christus zou komen. God heeft het evangelie VAN TE VOREN door zijn profeten BELOOFD, zegt de zo juist geciteerde tekst. En in de reeds genoemde tekst 2 Petr. 1 : 20 zegt de apostel dat wij het profetische woord des te vaster achten door de in Christus gebleken vervulling. Het is duidelijk dat het profetische woord hier als beloftewoord wordt gekarakteriseerd.
Het profetische karakter van het Oude Testament ligt bovenal hierin, dat het het belofte-woord is, dat spreekt over de komende Christus.
Natuurlijk met het gezag van de HERE, die door zijn profeten de komende Christus liet verkondigen, maar dan toch de kómende Christus; Beloftewoord! De komende Christus in de brede zin van het woord: in zijn Persoon en werk. Met al zijn heil, dat in het Nieuwe Testament in zijn volheid wordt ontvouwd. Daarom ligt telkens wanneer Mozes wordt voorgelezen (d.i. het Oude Testament) een deksel over het hart der Joden, die Christus hebben verworpen, 2 Cor. 3 : 14 en 15. Het Oude Testament, het profetische woord is voor hen een gesloten boek, want het getuigenis van Jezus is de Geest der profetie, Openb. 19 : 10.

De profetie in het Nieuwe Testament
Ook in het Nieuwe Testament komen we profeten en de profetie tegen, niet slechts in citaten van het Oude of in heenwijzingen daarnaar, maar ook als eigentijds verschijnsel. In één boek van het Nieuwe Testament wordt zelfs zijn gehele inhoud als profetie gekenschetst. Het betreft hier de Openbaring van Johannes, zie hoofdstuk 1 : 3: Zalig hij, die voorleest, en zij, die horen de woorden der profetie, en bewaren hetgeen daarin geschreven staat, want de tijd is nabij. Verder wordt geen enkel boek van het Nieuwe Testament profetisch genoemd of wordt er gezegd dat het van een profeet afkomstig is. Wellicht hangt dat hiermee samen dat ons in het Nieuwe Testament de principiële vervulling wordt beschreven van de belofte van de Christus in het Oude. Het spreken over de toekomst is toch, zoals we zagen, veelal een kenmerk van de profetie. Daarom zal ook het laatste bijbelboek, dat spreekt over de dingen, die 'weldra' moeten geschieden, als profetie worden getypeerd. Dit sluit overigens niet uit dat er in het Nieuwe Testament profetieën voorkomen als b.v.Matth.24 en parallelplaatsen, 1 Cor. 15 en 1 Thess. 4 vanaf vers 13. Maar het gaat ons nu om de karakterisering van een boek als geheel. Daarvoor wordt met uitzondering van de Openbaring van Johannes het woord profetie of ook profetisch niet gebruikt.

Wel is er vaak van profeten en profetie sprake. In Hand. 2 waar de uitstorting van de Heilige Geest ons wordt meegedeeld, wordt als vrucht daarvan gezegd: uw zonen en uw dochters zullen profeteren. Uit het verband wordt duidelijk dat gedoeld wordt op de verlichting door de Heilige Geest, waaraan de gehele gemeente deel zal hebben en waardoor zij inzicht ontvangt in Gods heilswaarheid. Van hetzelfde is sprake in 1 Joh. 2, waar gesproken wordt over de zalving van de Heilige, waardoor de waarheid wordt gekend door allen, vers 20 en volgende.
Bij de terminologie profetie van Joël, zodat de Nieuwtestamentische vervulling een èigen karakter draagt, vgl. 1 Joh. 2.
Maar het Nieuwe Testament spreekt toch ook in eigen woorden over profeten en profetie, zoals die voorkwamen in de eerste gemeenten. Er is veel geschreven over de vraag, waaraan hier gedacht moet worden en het zou ons te ver voeren om daar breed op in te gaan. Toch moet er wel iets van gezegd worden. We hopen dat echter te doen in het volgende artikel.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief