De weg naar Nicea

1985-01-25
  • Jaargang 29
  • nummer 4
Deze leer van de Heilige Drievuldigheid is altijd beweerd en onderhouden geweest bij de ware Kerk, van de tijden der apostelen af tot nog toe, tegen de Joden, Mohammedanen, en enige valse Christenen en ketteren, als...Sabellius, Samosatenus, Arius en andere diergelijken, die met goed recht door de Heilige Vaders zijn veroordeeld geweest ...

(Artikel 9 van ere Nederlandse Geloofsbelijdenis)

Eén God
Arius' leer had iets aantrekkelijks. Het was zo lógisch wat hij zei! Het beval zich in zijn eenvoud bijna meteen aan bij veel mensen die geneigd zijn hun menselijke (en dus gevallen) verstand tot het enige instrument om de waarheid te kennen te beschouwen. Hoe kon je in Arius' leer nu "gaten boren"? Het was toch dufdelijk dat hij gelijk had. Hetzelfde gevoel bekruipt me ook geregeld, als ik contact heb met Arius' verre nakomelingen, de Jehova's Getuigen. Is het niet allemaal zo lógisch?

"Hoor, Israël, de HERE is onze God, de HERE is één". Dat zegt de geloofsbelijdenis van Israël, het "Sjema". Deze tekst en andere staan vermeld' op een rolletje, dat in een mezoeza, een houdertje, aan de deurpost wordt bevestigd. In alle huizen van (orthodoxe) Joden treft men het aan - en ook wel soms bij anderen. (Aan ons huis hangt er net zo een.) Er is dus maar één God. Eén soevereine, ondeelbare, hoogverheven God. "Wij erkennen één God, die als enige ongeschapen is, als enige eeuwig, als enige zonder begin, als enige waarachtig is, als enige onsterfelijkheid bezit, als enige wijs is, als enige goed, als enige soeverein, als enige rechter over allen..."
Zo begint de Ariaanse geloofsbelijdenis, die Anus aan zijn bisschop Alexander toestuurt. 1) Alleen God is dus zonder begin of einde. Alleen Hij is ondeelbaar en niet aan enige verandering onderhevig. Zo startte Anus zijn (nogal filosofisch uitgewerkte) denken over God. Over God de Váder, voor alle duidelijkheid.

Nu erkende Arius wel het feit dat Jezus "het Woord van God" was, maar dat had voor hem niet dezelfde betekenis als voor ons. God is te verheven dan dat de wereld rechtstreeks met Hem in relatie kan treden. Daarom is er de werkzaamheid van Zijn Woord. Alleen, die term "het Woord van God" geeft géén goddelijkheid aan, zoals dat bij God de Vader het geval is.
Wat zeiden Anus en de zijnen dus over Christus? Vier hoofdstellingen vallen te citeren: 1. de Zoon moet een schepsel zijn.
2. de Zoon moet, als elk schepsel, een begin gehad hebben.
3. de Zoon kan van God de Vader geen directe en volledige kennis hebben; omgekeerd wel.
4. de Zoon moet net als de overige schepselen onderhevig zijn aan verandering en zonde.

Op één nivéau?
"De HERE heeft mij tot aanzijn geroepen / als het begin van zijn wegen, / voor zijn werken van ouds af. Van eeuwigheid aan ben ik geformeerd, van den beginne, eer de aarde bestond." (Spreuken 8 vers 22 en 23 spreken over de Wijsheid, vóórdat de aarde gegrondvest werd.) Hij is het beeld van de onzichtbare God, de eerstgeborene der ganse schepping". (Kolossenzen 1 vers 15, over Christus. Opdat Hij de eerstgeborene zou zijn onder vele broeders", (Romeinen 8 vers 29). "Dus moet ook het ganse huis Israëls weten dat God Hem èn tot Here èn tot Christus gemaakt heeft, deze Jezus die gij gekruisigd hebt." (Handelingen 2 vers 36).
"Jezus, die getrouw is jegens Hem, die Hem heeft aangesteld." (Hebreeën 3 vers 2).
Arius en de zijnen hadden deze teksten tot hun basis gemaakt - ze moesten aantonen dat er een groot verschil bestond tussen God de Vader en degene die (deels ten onrechte?) ais God de Zoon werd bestempeld. En dat waren ze natuurlijk nog , lang niet allemaal. "Dit nu is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige waarachtige God, en Jezus Christus, die Gij gezonden hebt." (Johannes 17 vers 3) " ... omdat Ik tot de Vader ga, want de Vader is meer dan Ik." (Johannes 14 vers 28) En naast die twee teksten nog vele die spreken van Jezus' zwakheid, lijden, onderworpenheid aan de Vader. In elk geval kregen ze in handen der Ariaanse uitleggers die betekenis.
Het is voor Arius dan ook duidelijk dat de uitspraak dat God de enige is die onsterfelijk is, en soeverein, etc., alléén betrekking heeft op God de Vader! Het geldt niet voor de Zoon. Het lijkt erop dat Arius bij dat alles niet alleen, of zelfs maar allereerst, van de Bijbel uitging. Het lijkt erop dat hij nogal sterk van filosofische begrippen uitging. Dat hij in streng logische stijl wilde bewijzen data) God per definitie ondeelbaar is, b) het hebben van een Zoon die wezensgelijk was, wèl deelbaarheid inhield en c) dat dat niet kon en dus...
En
dus was Jezus, de Zoon, geen God in de volle zin van het woord, maar misschien een soort halfgod,

Geschapen
Hij had namelijk een begin. Natuurlijk, gaf ook Arius toe, was dat begin ver vóór de grondlegging van de wereld, Vanuit ons standpunt gezien, is Hij al van zó lang geleden dat het wel ongeveer "eeuwig" mag heten. Vanuit ons perspectief is hij dus eeuwig. Maar vanuit Gods standpunt is Hij niet eeuwig. Hij is er niet altijd geweest. Waar je het hebt over vaders en zonen, is een van de kenmerken van die relatie dat de vader er eerder is dan de zoon .. Het bestaan van de vader is een noodzakelijke voorwaarde voor het bestaan van de zoon. Zo ook hier; "èn pote hote ouk èn", zeiden de Arianen. Dat wil zeggen: "er was toen hij niet was.". Om hier het woord "tijd" in te vullen zou wel eens onjuist kunnen zijn. "Er was een tijd dat de Vader er wel was, maar de Zoon nog niet", kan verkeerd zijn, omdat het woord "tijd" niet klopt. Misschien was de tijd er ook nog wel niet. Vandaar die wat wonderlijke uitspraak "er was toen hij niet' was." Eén ding, namelijk Gods bestaan, gaat aan Christus" komst vooraf.
"Wij worden vervolgd", zegt Arius in een brief, "omdat we zeggen dat de Zoon een begin heeft terwijl God zonder begin is." In dezelfde brief zegt hij ook: ,.Hij kwam tot aanzijn vóór de tijden en eeuwen", maar tegelijkertijd meent hij dat "ook al werd hij buiten de tijd geboren... Hij bestond niet voordat Hij werd verwekt." 2) Elke andere visie was voor Arius het einde van alle geloof in de Ene God.

Een consequentie van dat alles was (ik citeer hier): "als alle schepsels was Hij geboren uit de wil (boulèma) en het welbehagen (thelèma) van de Vader. Met andere woorden, Hij had even goed niet kunnen geboren worden." 3) Wat later in de Niceaanse geloofsbelijdenis werd vastgesteld: 'God uit God'; 'ware God uit de ware God' gold dus niet voor Arius . Wanneer de Arianen schrijven 'ek tou Theou' bedoelen zij niet 'uit het wezen' (ousia) van de Vader, maar 'uit de wil' van de Vader." "Als Christus leefde, leed en stierf als alle mensen, zeiden de Arianen, hoe kon Hij dan één in wezen met de Vader zijn? Enkele uitspraken van Arius door Athanasius geciteerd: "Hoe durft u te verklaren dat iemand die een lichaam heeft Gods eigen Woord is en dat (Gods eigen Woord) de kruisdood onderging?" En: "Hoe kan Hij de Logos zijn of God zijn, Hij die sliep en weende als een mens .en moest leren door vragen te stellen." 4) Deze gedachte van Arius maakte Jezus tot een Zoon onder vele broeders. Steeds stelden de Arianen Jezus feitelijk aan de kant van de mens. Niet altijd was God Vader geweest; zoals er (een tijd) was dat de Zoon niet was, was dat dezelfde tijd (nogmaals, als dat een goed woord is) waarin God nog géén Vader was! In bepaalde zin was Jezus dus een zeer vroeg geschapen schepsel, die tenslotte tot Zoon schap werd verhéven! Door de wil van de Vader te doen, wordt Hij verhóógd.
"Daarom heeft God Hem ook uitermate verhoogd ... " Filippenzen 2 vers 9. "Daarom" slaat op zijn gehoorzaamheid aan Gods wil.

Kende Hij de Vader helemaal?
Het gevolg van dat alles was dat Christus niet op Gods niveau stond. Als men hem al "eeuwig"
kon noemen, dan was Hij toch niet op dezelfde wijze eeuwig als de" Vader eeuwig was. En, zo vervolgde deze redenering, Hij was noch in wezen (daarover hebben we het gehad) maar ook niet in kennis aan God gelijk. Zoals ik beter mijn zoon kan doorhebben dan hij mij (gezien ons leeftijdsverschil en levenservaring) was het ook bij God.
God de Vader doorgrondde de Zoon geheel, maar het omgekeerde was niet het geval. Jezus' kennis bleef achter bij die van God de Vader. "De Vader blijft onuitsprekelijk voor de Zoon, en het Woord kan de Vader noch volledig noch nauwkeurig zien noch kennen ... maar wat Hij ziet en kent ziet en weet Hij naar de mate van zijn mogelijkheid, zoals ook onze kennis aangepast is aan onze vermogens."

In principe valbaar
Het vierde was dus dat volgens de Arianen, Jezus had kunnen zondigen. Niet dat Hij dat ooit had gedaan. Maar .hij had het gekund. "Bij een bijeenkomst gaf een van de Arianen, die door een plotselinge vraag overvallen werd, toe dat Hij net als de Duivel had kunnen vallen en dit was wat zij in het diepst van hun gedachten ook geloofden. Hun officiële leer was echter een tactische aanpassing hieraan. Ze stelden dat, al was de Zoon naar zijn wezen in principe valbaar. God in zijn voorzienigheid zag dat Hij door zijn eigen standvastigheid staande zou blijven en daarom Hem die genade bij voorbaat schonk." 5) De Zoon Gods was dus in feite een soort "eretitel". "Ook al wordt Hij God genoemd", schreef Arius, "is Hij niet werkelijk God, maar door deel te hebben aan de genade ... wordt ook Hij in naam God genoemd. Evenzo is het door genade dat Hij de Zoon wordt genoemd.

God kennen
Nog één ding tot slot. In zijn werk de Thalia, (letterlijk "Het Feestmaal") komen we meteen aan het begin de volgende woorden tegen: "Overeenkomstig het geloof, van Gods uitverkorenen, die God begrijpen, heilige kinderen, rechtgelovigen, die Gods heilige Geest bezitten, heb ik het volgende geleerd van hen die deel hebben aan de Wijsheid, talentvolle mensen, door God onderwezen, wijs in elk opzicht. In hun voetstappen ga ik, ik die ga zoals zij, ik die zoveel geleden heb ter ere Gods, ik die van God de wijsheid en de kennis ontvangen heb die ik bezit. .. " 6) In beide boeken waarin ik dit gedeelte geciteerd vond, trof me de gedachte die ik zelf ook al had ontwikkeld. In de woorden die ik gecursiveerd heb, schuilt toch iets van geweldige overmoed: "Ik die (iets van) God begrijp."
Daar komt een gedachte naar voren die op geen enkele wijze in de Bijbel ondersteuning vindt.
Wij die God niet kunnen zien - Hij troont in ondoordringbaar licht, geen mens kan Hem zien en leven, dat Licht verdragen. Wij kunnen God ook niet doorgronden. Ook als wij, naar de belofte O)1S gegeven "een alles verre te boven gaand eeuwig gewicht aan heerlijkheid" zullen dragen - en dat kennelijk nog aan kunnen ook! Wij die nu zien in een spiegel, in raadselen, maar eens van aangezicht tot aangezicht. Wij die eenmaal geen licht van zon en maan en sterren nodig zullen hebben, omdat het licht van God en van het Lam ons zullen beschijnen, wij zullen zelfs dàn, meen ik, God niet gehéél, niet uitputtend kennen! Wij zullen ook dan blijvend staan voor Gods ondoorgrondelijke grootheid. Er blijft verschil, tot in eeuwigheid. Maar Arius - en mag ik eraan toevoegen: ook zijn nazaten, de Jehova's Getuigen - suggereren dat zij het wèl doorgronden! Geen wonder is voor hen veilig.
Geen geheimenis of ze zullen het met hun logica en hun Bijbelteksten (en wel in die volgordel) doorgronden. Men hoede zich voor zulke mensen!
De waarheid is in hen niet. Waar zulke vermetelheid heerst kan de Waarheid niet groeien.
Waar men niet in eerbied een geheimenis ziet en afstand houdt, daar loopt de waarheid van God gevaar. En als je niet oppast, loop je schade op aan je ziel.

Noten
1) Kelly, J. N. D. Early Christian Doctrines. Londen, 1977, p. 227.
2) Kelly, a.w., p. 228.
3) Zusters Benedictinessen. De Heilige Athanasius. Bonheiden, 1982. p. 45.
4) Zusters Benedictinesse, a.w., p. 46.
5) Kelly, a.w. p. 229.
6) Zusters Benedictinessen, a.w., p. 42.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief