IN MEMORIAM PROFESSOR C. VEENHOF

1983-02-11
  • Jaargang 27
  • nummer 6
Vanmorgen vroeg, maandag de 7e februari, is Professor C. Veenhof overleden. Hij leefde al jaren een teruggetrokken leven in het huis van zijn dochter in Friesland. De laatste weken was hij opnieuw minder geworden. Totdat bij vanmorgen vroeg heel rustig en zonder strijd is ingeslapen.

1. Het bericht van zijn overlijden was voor mij niet onverwachts.
Toch heeft het mij meer getroffen dan ik kon vermoeden. Ineens staat een heel stuk verleden voor mijn geest en ineens heb ik het beschroomde gevoel afscheid te moeren nemen van een levend en warm en welbegaafd man, die mij lief was en die mij als mijn leermeester in veel oprichten diep heeft beïnvloed en gevormd. Dat geldt niet alleen voor mij, maar met mij voor vele generaties predikanten, die nu in de Vrijgemaakte en Nederlands Gereformeerde Kerken dienst doen. Van 19 juni 1946 tot december 1968 was hij immers hoogleraar aan de Theologische Hogeschool in Kampen en doceerde daar de praktische theologie. Hij leerde ons preken.
Dat vak was hem als geen ander toevertrouwd. Het had zijn hart en de uren die wij samen met hem doorbrachten zijn voor mij onvergetelijk.
Vooral de maandagavonden.

2. Toch zou ik in een terugblik niet hier willen beginnen.
Als Kamper professor is Veenhof wel het meest bekend geworden. De taak die hij daar verrichtte vloeide echter rechtstreeks voort uit zijn werk als verkondiger van het evangelie en als zodanig heeft Veenhof in de periode voorafgaande aan zijn professoraat en ook tijdens zijn professoraat de diepste indruk gemaakt.
Sommigen zeggen: het lag aan het feit dat hij onderwijzer geweest was (vóór hij op 21 mei 1933 in Harkstede dominee werd), Maar ik geloof dat niet: ik denk dat het diepere wortels had, dat dominee Veenhof als verkondiger van het evangelie zo vele mensen zo diep heeft aangesproken. Dat kwam omdat hier een man stond die in het hart was aangesproken door de genade van God in Jezus Christus.
Er zijn tijden geweest dat er in de Kerken uit de vrijmaking dor en wetticistisch (om niet te zeggen kerkistisch) gepreekt werd. Bij Veenhof hoorden de mensen het evangelie. Dat was een verademing.
Zo herinner ik mij ook mijn eerste kennismaking met prof. Veenhof.
Het moet zijn geweest toen ik veertien jaar was. Hij preekte in het kleine witte kerkje in Lisse. Het ging over de verloren zoon. Tot vandaag toe weet ik hoe blij het mij maakte te horen op een wijze als alleen Veenhof het kon brengen, dat Gods liefde onvoorwaardelijk is.
Toen de verloren zoon terugkwam, toen wachtte de Vader niet op zijn schuldbelijdenis, laat staan dat hij zei: je moet eerst boeten voor je schuld. Neen, hij zag hem van verre en nog vóór de zoon één woord had kunnen zeggen had zijn Vader hem al omarmd.
Toen die dienst afgelopen was heb ik voor het eerst gedacht: ja, zó het evangelie horen en zó van deze man het evangelie leren brengen, dm lijkt mij een heel bijzonder voorrecht.
Dat voorrecht is mij later vergund geworden. Het heeft mij niet teleurgesteld in Kampen door hem geleerd te worden. Als verre opvolger van prof. Veenhof in Utrecht waar hij in de laatste periode voor zijn professoraat dominee was (1941-1946) wil ik hem hier allereerst eren in zijn grootste genadegaver bewogen prediker van het evangelie geweest te zijn. Zo herinneren zich nog vele mensen in Utrecht hun predikant Veenhof.

3. Toekomend aan Veenhof's verdienste op het gebied van Kerk en Theologie, zou ik zijn werk met een aantal kernwoorden willen typeren, zonder de pretentie hierin compleet te zijn.

a. De Vrijmaking

Veenhof is nooit graag vrijgemaakt geweest. In Utrecht heeft hij lang geaarzeld en tijdens één van zijn kollege-uren heeft hij ons verteld hoe het hem iedere zondag zéér deed als hij langs het gebouw van de Gereformeerde Kerk héén moest lopen om de dienst in de vrijgemaakte kerk te leiden. Hij heeft altijd de broederband gevoeld. Hij heeft altijd de eenheid van de Kerk gezocht.
Altijd ook geleden onder een schisma, dat hij als een schisma tussen broeders zag. Even pijnlijk ais hij getroffen was door deze breuk, even fel was hij verontwaardigd over het feit dart een Kerk het aangedurfd had om oprechte verkondigers van het evangelie te schorsen en af te zetten. Een opkomende vernieuwingsbeweging in de Gereformeerde Kerken in de 30-er jaren (o.l.v. K. Schilder en S.G. de Graaff en A. Janse e.a.) werd hiermee grotendeels buiten de muren van de Gereformeerde Kerk geplaatst. Aan de keus waarvoor Veenhof zich wen gesteld zag, heeft hij zich niet onttrokken.
Het verschil tussen hem en vele andere vrijgemaakten was het ontbreken van iedere triumfantelijkheid en de pijn waarmee dit schisma hem achter liet.

b. Lijden aan de Kerk

De vrijmaking is aan haar gelijk bezweken.
De vernieuwingsbeweging vanuit de dertiger jaren is in de tijd na 1948 - te beginnen met het Amersfoorts congres - gesmoord en grotendeels verzand in kerkisme en confessionalisme. Veenhof heeft dit met toenemende heldet1heid waargenomen. Op het naar haar eigen pretentie honderdjarige eeuwfeest van het Kamper studentencorps heb ik hem dit tegen de spreker op die dag horen zeggen: "jij voedt de ongebroken geest in onze kerken". Het was in 1963. De man tegen wie hij dit zei was zijn vriend.
Het feit dat Veenhof (en prof. Jager) dit in die tijd onverbloemd durfden te zeggen is hem niet in dank afgenomen. Des Heren tempel, des Heren tempel zijn wij. Dat zei Jeremia hekelend en vermanend aan het adres van helt zelf-rechtvaardige Israël (Jeremia 7 : 4). Veenhof heeft aan den lijve ondervonden met hoeveel haat en agressie woorden van deze strekking werden beantwoord.
Hij werd een stoorzender in het vrijgemaakte kamp. Dat heeft tot een voortijdige afzetting uit zijn ambt geleid voor de tweede keer in zijn leven. 1968. Daar ligt iets in van het lot van de profeet. "Lijden aan de Kerk" noemt Thielicke een van zijn boeken. Dat boek en vooral de titel heeft Veenhof zeer aangesproken.

c. Prediking en uitverkiezing

Als het gaat over zijn onderwijs aan de Theologische Hogeschool denk ik dat in zijn boek "Prediking en uitverkiezing" wel vele van de thema's aan de orde komen, die Veenhof hebben geboeid.
Ik noem zijn voorliefde voor de geschiedenis - vooral van de laatste twee eeuwen Vaderlandse Kerkgeschiedenis. In dit boek laat hij vooral Hendrik de Cock aan het woord op een wijze die mij op hem verliefd maakte (me blz. 128). Of het het complete beeld van H. de Cock was? of van Calvijn, die Veenhof zijn leven lang las en doceerde ... , of Kuyper: er waren mensen die zich over dit soort vragen het hoofd breken, mij kon het eerlijk gezegd niet zoveel schelen. Ik vond het licht dat Veenhof door hen heen liet vallen wel zó boeiend en bijbels dat dát mij blij maakte en inspireerde.
En tweede thema uit dit boek dat Veenhof aan het hart lag was zijn nadruk op de persoon van Christus.
U zult zeggen: wat kan je anders verwachten van een gereformeerd theoloog. Ja, en toch had de wijze waarop Veenhof doceerde op dit punt iets zeer bevrijdends. Hij Het zien dat "uitverkiezing"een dwaalleer is als deze leer wordt losgemaakt van de persoon van Christus: "Gods besluit tot verkiezing omvat alle wegen waarlangs en alle middelen waardoor God zijn heil wil en zal schenken". (blz. 129) Dat betekent dat God verkiest alleen maar via helt aan alle mensen in Christus aangeboden heil. In dat wereldwilde aanbod van Zijn genade is het God voor honderd procent ernst. Dat alles zijn bijzonder bevrijdende klanken, Zo waarschuwde Veenhof ons keer op keer voor het wat hij noemde verzakelijken van het heil. Alsof God ons iets aanbiedt, dingen: rechtvaardigheid, vergeving, heiliging.
Hij biedt ons niet iets aan, maar Iemand, in wie wij all deze dingen ontvangen. Dat geldt met name ook voor helt verbond. Er werd in die tijd Vlaak zo onpersoonlijk over "het verbond" gesproken met "zijn beloften en eis" etc.
Prof. Veenhof leerde ons de tekst uit Jesaja "Ik de Here heb u (dat is de knecht) gesteld tot een verbond" en hij voegde daar aan toe: Er is eenvoudig weg geen verbond zonder Christus. Christus zèlf is het verbond!
Ook hier proefde ik een terugkeer vanuit allerlei vrijgemaakte leerstellingen naar de bron: de levende Heer Jezus Christus zelf.
Ben derde thema uit Veenhof's werk is zijn verwerpen van de tegenstelling subjectief-objectief. De Schrift is noch objectief, noch subjectief, maar normatief en effectief (blz. 171). Dit hield in, dat Veenhof tegen het vaak objectivistische klimaat in onze kerken nadruk legde op: "het moet door je heengegaan zijn" - en vele studenten zullen zich deze zinsnede - met Veenhof's gelaatsuitdrukking erbij - levendig herinneren. Dit verklaart ook zijn voorliefde voor de Christelijk Gereformeerde Kerken. Het moet hem verheugd hebben dat er toenadering is tussen onze kerken, zoals bijv. hier in Utrecht in zijn vroegere gemeente.
Wat zou hij gedacht hebben van de charismatische beweging?
Hiertegenover heeft Veenhof even scherp gevochten tegen de verkeerde bevinding en vele andere vormen van subjectivisme. Tegen een subjectivistische bijbeluitleg - als zou de bijbel een neerslag zijn van alleen menselijke ervaringen - en ook tegen een verlegging van het zwaartepunt in kerk en christen-zijn naar wat wij als gelovigen moeten ervaren en ondervinden.
De winst die Prof. Veenhof vanuit de dertiger jaren zo tot vandaag in onze Kerken heeft ingedragen is zijn nadruk op het centrum van de Schrift - als hierboven vermelden daarachter zijn hoge visie op de kracht van het Woord van God, het Woord als genademiddel, het Woord als hamer van God, die zelfs rotsen verbrijzelt, het Woord, dat geproclameerd moet worden, het Woord als gebeuren, het Woord van het Koninkrijk, het Woord bovenal dat vlees is geworden en waarin de levende Heer zelf op ons toetreedt om ons met Zijn liefde te overreden (blz. 220-234).
En oorspronkelijk denker was Veenhof niet maar wel kregen onder zijn spreken de oude dingen een nieuwe glans. Maar ligt daar nu niet juist de ware grootheid van alle predikers van het Koninkrijk? Niet in het brengen van nieuwigheden maar in het glans verlenen aan het geschonkene!
Zo gedenken wij met dankbaarheid wat de Here ons in prof. Veenhof geschonken heeft. Het is mij een behoefte om hierbij tot slot ook zijn vrouw te betrekken, die hem al enige jaren geleden voorging, maar die met zoveel liefde met hem heeft mee-gestreden en mee-geleden. In beider leven heb ik iets bespeurd van de geest van Johannes de Doper die het tot zijn hoogste eer achtte heen te wijzen naar Christus. "Hij moet wassen, ik minder worden". Joh. 3 : 30.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief