Kloosterkennis voor gereformeerden
2008-05-23
‘Credo in unum Deum, Patrem omnipotentem’.- Jaargang 52
- nummer 11
De monniken zingen de geloofsbelijdenis in het Latijn. De woorden zijn voor mij niet erg vertrouwd, maar de melodie wel! Op zulke momenten gaan herkenning en vervreemding hand in hand. Er zijn opvallende overeenkomsten tussen de kerkdiensten in het Trappistenklooster en onze kerken, maar ook duidelijke verschillen.
Samen maken we deel uit van de ‘kerk van alle tijden en plaatsen’: de katholica.
In dit laatste artikel vraag ik mij af wat wij kunnen leren van onze Roomse broeders in de abdij. Dat is naar mijn mening zoveel dat ik een selectie heb moeten maken. En daarom geen aandacht voor meditatie, architectuur en symboliek, maar wel voor kloosterkennis die betrekking heeft op de kerkdiensten.
Misschien roept de gedachte dat wij iets zouden kunnen leren van de Roomse broeders wel weerstand op. Want de Rooms-katholieke kerk heeft onlangs weer duidelijk aangegeven dat ze de protestantse kerken niet erkennen.
Eigenlijk zouden we ons weer moeten voegen in de moederkerk van Rome. En hoe wil je bovendien het bestaan van kloosters rechtvaardigen als je daar de oproep van Jezus uit Matteüs 28:19 (het zendingbevel) tegenover zet? Om nog maar te zwijgen over onze bezwaren tegen de Mariaverering en de eucharistieviering!
Ik wil deze bezwaren niet ontkennen of relativeren – alsof ze er helemaal niet toe doen – maar ik richt in dit artikel de aandacht graag op een aantal aspecten, die voor veel protestantse kloosterbezoekers waardevol blijken te zijn. Deze zouden voor ons wel eens meer herkenbaar en bruikbaar kunnen zijn dan we zouden denken.
Gewijde sfeer
Wie in een klooster is, verblijft in een andere wereld. Dat merk je niet alleen aan de architectuur en de monniken, maar ook aan de gewijde sfeer. Het is er stil. Wie niet met de stilte kan omgaan, zal die snel als beklemmend ervaren.
Dan kom je niet tot rust, maar juist tot onrust. Dat is niet zo verwonderlijk: we zijn vaak zo gewend aan het lawaai in onze cultuur dat we die geluiden als ‘vanzelfsprekend’ ervaren. In de stilte merken we pas hoe doof we zijn geworden van al die drukte. Het wennen aan de stilte bestaat voor een groot deel uit het ontwennen van onze eigen ‘verdoving’. Door de stilte wordt je minder vol van jezelf, en sta je meer open voor anderen en de Ander. Daardoor leef je ook anders toe naar de gebedsdiensten en beleef je ze anders: je bent even in een andere wereld. Dat besef heb ik in onze eigen kerkdiensten veel minder. Ik mis de gewijde sfeer, waarin God als Gast-Heer een ereplaats krijgt.
Ik mis de heilige stilte waarin Hij zich bij Elia bekend maakte. Ik mis iets van plechtigheid – niet gemaakt, maar oprecht. Ik realiseer mij dat hierin een gevaar ligt, maar dat geldt net zo voor onze ‘gewone’ kerkcultuur of laagdrempeligheid.
Zouden we in een kerkdienst het gewijde en gewone ook beide een plaats kunnen geven?
Stilte als overstaptijd
Ook tijdens de gebedsdiensten zijn er momenten van stilte. Daarin krijgen we de tijd om de woorden te laten bezinken zodat we weer - helder van geest – onze aandacht kunnen schenken aan het volgende liturgische onderdeel. Ik noem die stiltemomenten wel ‘overstaptijd’.
Menig protestantse gast kijkt tijdens die stilte vertwijfeld om zich heen en vraagt zich af waarom de dienst niet verdergaat. Dat is goed te begrijpen want onze kerkdiensten kennen nauwelijks stiltemomenten. Wij houden vaak ‘doorlopende voorstellingen’ waarin voortdurend iets gebeurt.
Tijd om over te stappen is er vaak niet, laat staan tijd om tot bezinning te komen. En omdat we daar de tijd niet voor nemen is het ook moeilijk onze aandacht er goed op te richten. Ik vraag mij af of we de liederen, gebeden, Bijbelverzen en de preek niet intenser zouden beleven als we daarvoor wat meer stille overstaptijd zouden krijgen tijdens de kerkdienst. Laten we eens beginnen met een korte stilte voor het gebed en een wat langere stilte na de schriftlezingen en de preek.
Zorgvuldigheid
Het doorbreken van de stilte dwingt je om zorgvuldiger met je woorden om te gaan. Die zorgvuldigheid krijgt in het klooster niet alleen gestalte in de bedachtzame woorden van de monniken, maar ook in de woorden en gebeden tijdens de getijden. In de woorden klinkt het besef door van de heiligheid van God. Alles is zorgvuldig verwoord in een taal die eerbied en ontzag oproept. Voor de monnik maakt het geen verschil of de woorden uit zijn hart komen of van het papier gelezen worden, zolang hij beide maar met aandacht uitspreekt. Protestanten houden doorgaans niet van geschreven gebeden, hoewel de Bijbel er veel bevat (waaronder de psalmen en het ‘onze Vader’). Zorgvuldig woordgebruik is schaars aan het worden. Niet alleen op straat of in de media, maar soms ook in de kerk. Ik pleit niet voor hoogdravende taal maar wel om meer aandacht voor de woorden en zinnen in ons spreken over, en tot de heilige God. Hij is het immers waard!
Gehoorzaamheid
In ons dagelijks leven komen er vaak zoveel signalen op ons af, dat het moeite kost om niet afgeleid te worden.
Maar in de stilte is het veel makkelijker om je te concentreren. Je kunt dan gehoorzaam blijven aan je werk of taak.
Gehoorzaamheid heeft dan niet alleen te maken met het ergens gehoor aan geven, maar ook met trouw blijven aan je keuze. De kloosterlingen zijn niet alleen gehoorzaam en trouw aan God, maar ook aan de communiteit. Een klooster kan immers niet bestaan op basis van vrijblijvendheid. Zonder gehoorzaamheid, waarbij het individu zich dienstbaar maakt aan het collectief, ontstaat er geen gemeenschap. Zou dat voor onze kerken zoveel anders zijn?
Wie een kerk(dienst) alleen ziet als een ontmoetingsplaats met God en niet met elkaar, kan net zo goed thuis naar de kerktelefoon gaan luisteren. De kerk is ook een gemeenschap, waarin we voor elkaar van betekenis kunnen zijn door er allereerst simpelweg te zijn en mee te doen. Door deel te nemen wordt je ook deelgenoot. In het klooster is men zich hiervan goed bewust, en wij?
Authenticiteit
De monniken mogen in hun habijt wel allemaal hetzelfde lijken, maar geen twee zijn er gelijk. De persoonlijke ont plooiing lijdt niet onder de eeuwenoude voorschriften en tradities.
Integendeel, ze helpen de monniken juist daarbij. Omdat ze namelijk veel gezamenlijk doen, kunnen ze ook veel delen en leren van elkaar. Het is een manier van leven die het waard is gebleken om door te geven en voor te leven. De monniken zijn authentiek omdat ze voortdurend in dialoog zijn met hun traditie en de tijd. Elke tijd vraagt immers om een eigen invulling.
Ze leven daarom niet als de Amish, maar gebruiken net als wij computers, mobieltjes en magnetrons. Uit ervaring weten ze dat kleine aanpassingen beter volgehouden kunnen worden dan grote veranderingen, die vervolgens steeds weer bijgesteld moeten worden.
Zo waken ze over hun kloostertraditie.
En die blijft daardoor stabiel, vitaal en herkenbaar. Ook onze kerken veranderen.
Maar hoe zorgvuldig gaan wij in dit reformatieproces met onze traditie om? Een traditie met wortels in de vroege kerk en met talrijke schatten die hun waarde door de eeuwen heen allang hebben bewezen. Zijn wij nog wel in dialoog met onze eigen traditie, de bedding waarin we ons als kerken bewegen? Of beperkt onze dialoog zich alleen tot de trends van deze tijd? Van de trappisten kunnen we leren dat een stabiele, vitale en herkenbare geloofsgemeenschap zich kenmerkt door authenticiteit. En dat vraagt om een voortdurende dialoog tussen eigenheid (traditie) en eigentijdsheid.
Robert van Lente is lid van de NGK van Nijverdal. Hij heeft uit interesse HBO-theologie gestudeerd en drie jaar bijvakken gevolgd aan de ThUK (Oudestraat) in Kampen.
Reageren?
redactie.opbouw@ngk.nl