Geven in de schaduw van de scepsis
2011-09-30
‘SHO heeft de knop altijd op stand-by. Als er ergens in de wereld een ramp van grote omvang plaatsvindt, dan wordt direct vergaderd en meestal is het binnen 48 uur helder of de hulporganisaties de handen ineenslaan’. Aan het woord is Marnix Niemeijer, directeur van de hulporganisatie Tear en langs die weg ook betrokken bij SHO met het bekende gironummer 555.- Jaargang 55
- nummer 19
‘Zo’n actie van SHO hangt van de omvang van de ramp af ’, legt Niemeijer uit, ‘maar ook van de mogelijkheden tot hulpverlening en de inzet van de media. Bij acute rampen zoals die van de tsunami en Haïti was direct duidelijk dat de omvang enorm was. Dan gaan we er meteen op volle kracht tegenaan.’
Het fenomeen van hulporganisaties die de handen ineenslaan bij grote humanitaire rampen, is niet alleen iets van Nederland. Ook andere Europese landen hebben soortgelijke organisaties en bij grote rampen is er veel internationaal overleg. Maar Marnix Niemeijer vindt wel dat SHO in Nederland ‘leeft’, wat bijvoorbeeld uitkomt in het geefgedrag in vergelijking met de buurlanden. De teller staat halverwege september op zo’n 24 miljoen en dat vindt hij geen slecht resultaat.
Toch een actie
Dan gaat het dus over de laatste keer dat 555 openging (en nog steeds openstaat!) en dan heb je het over de Hoorn van Afrika. Die misère zou je toch moeten zien aankomen, denk je dan. Niemeijer geeft toe dat het inderdaad een heel andersoortige ramp is dan bijvoorbeeld Haïti. ‘Er waren vanuit de Hoorn al langer signalen van de kant van inheemse organisaties en de Verenigde Naties dat het niet goed ging en de prognoses werden in mei en juni steeds somberder.
Toen ook dit jaar de regens uitbleven, kwam de vraag op ons af: gaan we een actie starten of niet.’ Het was op een ongelukkig moment hier, zo vlak voor de vakantie. Een belangrijk punt van overweging is volgens Niemeijer altijd weer de vraag of SHO de media meekrijgt. Dat lukte in juni en toen ging giro 555 open voor Somalië en omstreken.
‘Je ziet aan zo’n beslispunt trouwens waar SHO op focust. We richten ons in de samenwerking vooral op marketing en op communicatie. En dat doen we omdat er meer geld op te halen is met één gironummer, dan wanneer de
hulporganisaties allemaal op eigen houtje zouden werken.’
Strijkstok
Marnix Niemeijer kent natuurlijk ook de verhalen van mensen, die ‘dit keer’ besloten niet te geven. Bij hulporganisaties zou teveel aan de strijkstok blijven hangen, is een veelgehoord argument. Niemeijer geeft krachtig tegengas: ‘SHO doet het heel goed.
Slechts 7% van het geld gaat in de apparaatskosten zitten en dat is heel weinig. Bij die kosten gaat het om onderzoek vooraf, gevolgd door de begeleiding van de hele actie. Maar ook de controle en rapportage achteraf is belangrijk en mag ook wat kosten.
Mensen weten vaak ook niet, dat veel van de gemaakte onkosten (billboards en TV-acties) worden gedragen door sponsors.’
De lijnen zijn kort, zo benadrukt de voorman van Tear. Het geld dat binnenkomt bij SHO loopt nooit via de overheden van de betreffende landen naar de noodgebieden. Altijd worden de bestaande contacten benut, die er zijn tussen hulporganisaties in bijvoorbeeld Nederland en een NGO (niet-gouvernementele organisatie) ter plaatse. Zulke organisaties zijn onafhankelijk van de overheid en gaan in de hulpverlening dus hun eigen weg. In zekere zin zijn ze daarin zelfs een soort natuurlijk tegenwicht tegen de overheid, die helaas in zulke landen verder vaak weinig tegenspel krijgt’.
Roombeek
Ondanks de samenwerking met de locale NGO’s is het een hele klus om het gegeven geld om te zetten in daadwerkelijke hulp. Niemeijer: ‘Mensen onderschatten vaak hoe ongelofelijk primitief de omstandigheden zijn in zo’n rampgebied. Ook vóór de aardbeving was een land als Haïti al het armste land op het westelijk halfrond met een belabberde infrastructuur.
Wat er aan bestuur was, lag na de aardbeving helemaal in duigen.
Zoek dan maar eens uit van wie je de toestemming moet krijgen om in een bepaald gebied de herbouw op te gaan zetten. Alleen al rond de vraag wie zo’n stuk land in bezit had of heeft is vaak heel veel onduidelijkheid.
Als ik dan even terugschakel naar de Nederlandse situatie. Kijk dan eens hoeveel jaren er overheen zijn gegaan voordat de verwoeste wijk de Roombeek in Enschede weer herbouwd was. En dat in ons land, met een prima infrastructuur en alle mogelijke (financiële) middelen. Dan begrijp je dat het in een land als Haïti oneindig veel lastiger ligt en veel meer tijd kost.’ Een vraag is voor Marnix Niemeijer wel of de internationale gemeenschap bij zulke allesomvattende rampen niet krachtiger het voortouw zou kunnen nemen met grotere bevoegdheden dan nu – zeg maar een soort door de VN uitgeroepen noodtoestand.
Geld op de plank
Het is volgens Niemeijer helemaal niet verwonderlijk dat het ingezamelde geld langzamer wordt uitgegeven dan dat het is ingezameld. Hij wijst op de fases, die je in de hulpverlening kunt onderscheiden: ‘In de eerste drie maanden heb je de acute noodhulp: hoe red je zoveel mogelijk mensenlevens! Het gaat dan om schoon water, voedsel en sanitaire hulp. Dan volgt een tussenfase, waarbij gedacht gaat worden aan wederopbouw.
Maar hoe je die opbouwfase moet opzetten is in elke situatie weer anders. Steeds is de vraag: hoe moet ik het in deze omstandigheden, met deze mensen en in de cultuur aanpakken.
Ook op dit punt zijn de NGO’s ter plekke goud waard.’ Niemeijer geeft aan dat normaal gesproken SHO een bestedingstermijn aanhoudt van ongeveer twee jaar en daarbij valt het accent op noodhulp en wederopbouw. Daarna komt de meer structurele hulp, maar dat is iets waar SHO niet meer bij betrokken is.
In de situatie van de Hoorn van Afrika is gekozen voor een termijn van één jaar, om de nadruk op noodhulp zichtbaar te maken.
Complex
Terug naar Afrika benadrukt Marnix Niemeijer dat je niet alle Afrikaanse landen over één kam moet scheren.
‘Als je het hebt over “Afrika dit en Afrika dat” dan ben je veel te ongedifferentieerd bezig. Zo kijken we toch ook niet naar Europa? Nederland is toch ook geen Griekenland? In Afrika is het niet anders. Neem Botswana, daar gaat het – in het algemeen gesproken - heel goed. Maar in Zimbabwe heb je te maken met een hele slechte overheid. Net als in het noodlijdende Somalië, waar de overheid eigenlijk afwezig is en milities het voor het zeggen hebben. Er is
sprake van wanbestuur op allerlei niveaus.’
Sluipend
Verder spelen volgens Niemeijer ecologische factoren een grote rol. ‘Door eerdere periodes van droogte zijn de mensen weggetrokken naar gebieden waar de situatie gunstiger was. Maar door die grotere bevolkingsdruk, die daar dan weer ontstaat, zie je de voedseltekorten oplopen en de prijzen stijgen.
Sowieso raakt zo’n gebied ecologisch overbelast. Dat was en is zo in probleemgebied Darfur (Sudan), en dat speelt ook een rol in de Hoorn van Afrika. Dat zijn vaak sluipende processen, waar je maar moeilijk een beeld van krijgt. Zeker als de overheid van zo’n land de deur op slot houdt.’ Complicerend is volgens Marnix Niemeijer ook dat je in zulke gebieden als de Hoorn van Afrika jaarlijks een moeilijke periode hebt in de maanden vlak voor de nieuwe oogst. Maar onder normale omstandigheden komen de mensen die twee, drie maanden van schaarste wel door – vaak met wat hulp van buiten. De laatste jaren is de droogte veel extremer geweest. En dat heeft de landen van de Hoorn in de huidige crisis gebracht.
Of Afrika hopeloos is? Daarover is Niemeijer heel kort. ‘In de ogen van God ben ik ook hopeloos. Wie zegt dat Afrika hopeloos is, zegt daarmee meer over zichzelf dan over Afrika. Hoeveel kan er ook niet in een paar generaties veranderen. Bedenk maar eens hoe onze overgrootouders leefden en wat er sindsdien veranderd is.’
Wantrouwen
Marnix Niemeijer ziet wel dat het vertrouwen richting de instituten afgenomen is. ‘Dat gebrek aan vertrouwen treft trouwens niet alleen de hulporganisaties.
Je ziet ook veel onvrede en scepsis richting de overheid. De mensen laten zich in sterke mate voeden door dat wat er misgaat bij de overheid.
Zeker als blijkt dat de werkelijkheid minder maakbaar is, dan (vaak ook) door instanties wordt gesuggereerd.’ Instituten hebben de wind dus niet mee. Maar wat betekent dat nu voor SHO en de betrokken organisaties.
Niemeijer: ‘Dat betekent in ieder geval iets voor de manier waarop we communiceren.
Daarin moet je vóór alles open en eerlijk zijn. Laat rustig zien dat er rond zulke grootschalige hulpacties veel goed gaat, maar ook van alles mislukt.
Als je als hulporganisatie alleen aan de succeskant open en transparant bent, dan ben je niet goed bezig. Dat is wel een valkuil, maar vroeg of laat gaat dat tegen je werken.’ In dat wantrouwen zitten volgens Niemeijer ook sterk irrationele trekken.
Niemeijer: ‘Je proeft er in dat mensen het leven als ingewikkeld en niet te overzien ervaren. Er is hang naar kleinschaligheid en eenvoud. Heel persoonlijk hulp bieden in de derde wereld – dan komt het tenminste aan, zoiets. Weg van de grote weg van de instituten en al helemaal geen dikke verhalen. Lang leve de eenvoud – neem maar eens een kijkje op www.stand.nl. Daar proef je aan alle kanten het irrationele wantrouwen richting alles wat instituut en gezag is.
Daar loop je ook als hulpverleningsorganisatie tegenaan. Graag zou ik overigens als Tear met soortgelijke kleine initiatieven uit de kerk in contact willen komen. Je kunt hen ondersteunen op momenten dat blijkt dat de
werkelijkheid toch complexer is dan werd aangenomen.’
Toekomst
Toch kijkt Marnix Niemeijer positief terug op de laatste SHO actie met zo’n kleine 25 miljoen aan opbrengst. Hij heeft meer zorgen over de structurele hulp dan over de acties in noodsituaties.
‘Geven voor even, dat doen de mensen nog wel. Maar echte hulp is vaak geven voor het leven. Echt de lange termijn.’ Het is wel iets dat Niemeijer prachtig ziet aansluiten op de Bijbelse boodschap. ‘De nood van deze wereld is complex en weerbarstig. Dat vraagt om een langetermijnvisie, die ook zo karakteristiek is voor de Bijbel.
Hulp bieden op de lange termijn is in zekere zin christenen op het lijf geschreven.’ Niemeijer ziet ook dat er in de kerken in Afrika mooie dingen gebeuren.
‘Daar wordt steeds meer gezocht naar de eigen mogelijkheden om de nood te lenigen en de kerk in Afrika speelt in dat proces een hele grote rol.
Ik kan er erg van genieten, als ik Afrikaanse kerken zo betrokken op de nood in de samenleving bezig zie.’
Toch is hulp vanuit de rijke wereld nodig. Niemeijer denkt ook vooruit aan de twintigers en dertigers. Hoe groot zal in de komende generatie de bereidheid zijn om structureel te geven? Hij is vol goede moed. ‘Steeds weer zie je dat mensen, die met het evangelie leven – alleen Micha 6:8 al – ook weten te geven. Ook niet-christelijke organisaties worden gedragen door christelijke gevers. Ik geloof echt, dat overal waar mensen in de nabijheid van de Heer leven, gegeven zal worden’.
Drs. Freddy Gerkema is predikant van de NGK Amersfoort-Noord en redacteur van Opbouw.