Christelijke politiek
1983-02-18
Mijn bijdrage van de vorige week vergt correctie en aanvulling. In het eerste deel van de notitie staat "Er is een zaaksgerechtigheid tegenover God". De welwillende lezer zal ontdekt hebben dat deze zin niet klopt met de rest van het betoogde. Ik bedoelde juist het tegenovergestelde.Er is nooit een zaaksgerechtigheid van een zondaar tegenover God. In onze democratie is het een recht van elke burger om een politieke partij op te richten of te steunen. Maar dit recht in de democratie is niet automatisch een recht dat we voor het aangezicht des HEREN kunnen en mogen aangrijpen.- Jaargang 27
- nummer 7
Ik ben bang voor veel ongebrokenheid in de politiek. Wat we zien is dat de afval groot is.
De los van God beweging wint nog steeds veld. En dat is niet buiten onze schuld wat de politiek betreft.
Dat is ook op ander gebied niet buiten onze schuld, maar ik beperk het nu maar even tot het politieke terrein. Een verbroken en verbriizeld hart wordt door de HERE niet veracht. Maar van verbroken-zijn en verbrijzeld-zijn is in de christelijke politiek niet veel te merken.Het is niet waar dat in elk tijdsgewricht onze roeping dezelfde is.Het past ons zelf naar alle geboden Gods te leven. Het past ons niet die geboden aan anderen op te leggen.
De passage over Jozef en Daniël is in het ongerede geraakt. Jozef en Daniël hadden een politieke roeping, zo zegt men. Want het besturen van een land rangschikken wij onder de politiek. Maar Daniël en Jozef fungeren als mensen die de HERE vreesden in dictaturen. Die van Nebucadnezar is hèt voorbeeld gebleven in de Bijbel hoe een koning in hoogmoed zich kan stellen tegen God. Babel is een woord dat tot in het laatste Bijbelboek blijft doorklinken. En Jozef en Daniël kregen dan ook niet de opdracht de samenleving, waarin ze een belangrijke positie hadden, te reformeren of iets dergelijks. Ze kregen de opdracht te zorgen voor het behoud van het volk Israël en te zoeken het welzijn van Egypte en Babel. Ook is het volk Israël nooit geroepen geweest om het heidendom bij andere volkeren te bestrijden. Die roeping bestond er wel binnen Israël. Niet buiten Israël. K. J. Popma zegt in zijn boek "Eerst de Jood maar ook de Griek" dat de Joden terecht een verband zagen tussen hun vrijheid en hun geloof. Bij zijn verklaring van Johannes 8. Maar zo, zegt hij terecht: "Het was een afvallig geloof, en daarom heeft hun consequentie hen tot de verwoesting gebracht", blz. 196. Ik pleit ervoor dat alle christenen die aan politiek doen, gaan nadenken over politiek onder de slaande hand des HEREN.
Wat klaagt een mens? leder klage over zijn eigen zonde. Dat geldt ook voor politieke partijen, die christelijk willen zijn.