Een abc van het Nieuwe Testament

1983-02-25
  • Jaargang 27
  • nummer 8
Goede werken
Niemand zal mij wel tegenspreken als ik beweer, dat "goede werken" in orthodoxe kringen niet erg hoog genoteerd staan. Op zuivere léér is men zeer gesteld. Maar zuiver léven, daar schijnt het minder op aan te komen.
Dat lijkt me een ziekelijke toestand. Onze Heiland heeft de opdracht aan zijn apostelen gegeven: "Verkondigt het Evangelie aan alle schepselen".
Dat voorop. Maar dan volgt daarop de even belangrijke opdracht: "Leert de volken onderhouden al wat ik u geboden heb". En die bestaan in hoofdzaak uit "goede werken". Daarover dan dit praatje.

Het moest eigenlijk niet nodig zijn teksten aan te halen, waarin sprake is van goede werken. Maar in verband met de onderwaardering hiervan wil ik enkele bekende bewijzen uit het N.T. aanvoeren; waaruit blijkt dat ze in het leven der gelovigen een grote plaats moeten innemen.
Allereerst denk ik aan Matth. 5 : 16 "Laat uw licht schijnen voor de mensen, opdat zij uw goede werken zien en (als ze tot de gemeente getrokken zijn) uw Vader, die in de hemelen is, verheerlijken".
Dat is niet alleen voor de apostelen een opdracht, maar voor allen, die door hun prediking tot geloof zijn gekomen. Dat het wel degelijk op het doen der goede werken aan komt leert ons het slot van de Bergrede, in Matth. 7.
Als de Here Jezus in Matth. 5 tot 7 vele goede werken heeft aangeprezen, dan zegt Hij als afsluiting daarvan: Wie deze woorden hoort en ze niet doet is een werker van ongerechtigheid. Die heb ik nooit gekend en hij komt niet in het volmaakte Koninkrijk Gods. Alleen zij zullen dat Rijk beërven, die ze niet alleen maar horen, doch ook doen.

In Lukas 10 wordt verhaald, dat een wetgeleerde bij de Heiland kwam met de vraag, wat hij moest doen om het eeuwige leven te beërven. Dan antwoordt Jezus: dat staat geschreven, dat kunt ge lezen. Daarop zegt de Geleerde: "Gij zult liefhebben de Here uw God uit heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw kracht en met heel uw verstand; en uw naaste als u zelf". En dan krijgt hij te horen: "Gij hebt juist geantwoord, doe dat en gij zult leven". Als we God liefhebben met al wat in ons is en onze naaste als ons zelf, dan zal ons leven vol zijn van goede werken. En dan leven we nu al echt en dan zullen we volmaakt leven in der eeuwigheid.
Want in die twee zinnen: God lief hebben èn de naaste, is heel de wet en de profeten begrepen. We mogen wel zeggen, daar gaat het om in heel de Schrift.
Alle apostelen zijn daarin ook de Here gevolgd. Ik kan en zal ze hier niet allen aanhelen. Enkele mogen voldoende zijn. Nadat Paulus in al zijn brieven eerst heeft uiteengezet, wat wij in Christus hebben, volgt steeds een tweede deel vol vermaningen. Waarin, zonder het woord te gebruiken aangedrongen wordt op allerlei goede werken. In Rom. 12 : 9 vv, lees ik: "De liefde zij ongeveinsd. Weest afkerig van het kwade, gehecht aan het goede. Weest in broeder- en zusterliefde elkander genegen, in eerbetoon elkander ten voorbeeld, in ijver onverdroten, vurig van geest, dient de Here ... Zegent wie u vervolgen, zegent en vervloekt niet ... Vergeldt niemand kwaad met kwaad, hebt het goede voor metatle mensen ... Laat u niet overwinnen door het kwade, maar overwin het kwade door het goede".
In II Kor. 8 : 9 staat: "God is bij machte alle genade in u overvloedig te schenken, opdat gij in alle opzichten altijd van alles genoegzaam voorzien, in alle goed werk overvloedig moogt zijn."
Efeze 2 : 10 leert: "Want zijn maaksel zijn wij, in of door Christus Jezus geschapen om goede werken te doen, die God te voren bereid heeft, opdat wij daarin zouden wandelen."
Intussen denk ik: waar ben je eigenlijk mee bezig. Het is water naar de zee dragen. En dat is een onnodig werk. Ik houd er dus mee op. Slechts één tekst wil ik nog noemen, Titus 2 : 11-14: "Want de genade Gods is verschenen, heilbrengend voor alle mensen, om ons te leren, zodat wij, de goddeloosheid en wereldse begeerten verzakende, bezonnen, rechtvaardig en godvrezend in deze wereld leven. Verwachtende de zelige hoop en verschijning der heerlijkheid van onze grote God en Heiland, Christus Jezus, die zich voor ons heeft gegeven om ons vrij te maken van álle ongerechtigheid en voor Zich te reinigen een eigen volk, volijverig in goede werken. "Volijverig" mogen we wel vertalen met: "laaiend enthousiast".

Zo zou ik nog bladzijden kunnen doorgaan. Bij alle apostelen. Dát zal toch wel niemand ontkennen. Met verbijstering vraag ik mij af, waarom dit een vergeten hoofdstuk is geworden in de rechtzinnige hoek van vrijwel alle kerken. Luther moet gezegd hebben, dat goede werken schadelijk zijn voor de zaligheid. En van Jacobus moest hij niets hebben, omdat hij te veel over goede werken sprak. Dat is van hem wel te verstaan, daar hij schoon genoeg had van de roomse goede werken van die dagen: kaarsjes branden enz. enz. Maar heeft hij met het badwater ook het kind niet weggeworpen?
Zover als Luther zijn niet alle reformatoren en hun geschriften gegaan. Maar wel te ver. Vermoedelijk uit reactie tegen die roomse werkelijkheid.
Ook onze catechismus heeft daar iets van. Zeker, de goede werken komen wel ter sprake in het derde deel, over de dankbaarheid.
Maar al te enthousiast maken de opstellers ons niet dunkt mij. Onze beste werken zijn immers alle met zonden besmet? En de allerheiligsten hebben maar een beginseltje der gehoorzaamheid, Ik vraag mij af hoe het dan wel moet staan met alledaagse heiligen, zoals jullie en ik zijn. En als onze bèste werken met zonden besmet zijn, hoe zal het dan wel staan met onze doodgewone goede werken. Daarvan deugt dan zeker niet veel. Waarvoor zullen we ons dan druk maken? Velen doen het dan ook maar niet.

Maar, zo hoor ik iemand tegenwerpen, men had toch wel bewijzen uit de Schrift? Inderdaad, voor onze beste met zonden besmette werken diende als bewijs: Jes. 64 : 6: "Wij zijn allen geworden als een onreine, al onze gerechtigheden als een bezoedeld kleed." In de O.V. stond "als een maanstondig kleed." Todden of vodden zouden wij kunnen zeggen. Maar in welke tijd schreef Jesaja dat? Toen allen geworden warren als een onreine.
Dan moet men maar niet spreken van gerechtigheden of goede werken.
Als het volksbestaan is geworden zoals in Jes. is beschreven: "Melaats van top tot teen, zweren en etterbuilen enz.". Is dat nu een bewijs, dat goede werken van christenen todden en vodden zijn? Staat het zo met ons christenen? Dan zullen we ons haastig moeten bekeren en grondig. Anders gaan we reddeloos verloren. Als werkers van ongerechtigheid.

Ik hoor nog een ander "maar". De boetpsalmen dan? Psalm 51 bijvoorbeeld?
Is daar geen sprake van bloedschuld en van een gebroken geest en verslagen hart enz. enz.? Zeker, dat ontken ik geenszins. Maar hoe was de toestand van David toen? Hij had Batseba gestolen, met een smoes zijn daad willen verheimelijken en toen dat niet lukte Uria vermoord! Moeten wij dat dagelijks zingen? Zeker kan het nog voorkomen, dat een christen diep valt en dan met een verslagen hart smeekt, of God de Heilige Geest niet wil wegnemen. Maar is dat de normale toestand in het leven van een christen? David heeft ook wel wat anders gezongen! Ga de psalmen maar eens na: Die spreken van een rein hart en van oprechte bedoelingen en van lust en liefde om naar Gods geboden te leven. Naast 7 boetepsalmen staan veel lof- en dankliederen. Die er van zingen, dat Gods liefdedienst nog nooit heeft verdroten. Lees ps. 119 maar eens.

Nog is de tegenspreker niet uitgepraat, Rom. 7 dan? Daar zegt Paulus toch, dat hij doet wat hij niet wii en niet doet wat hij wèl wil? Hij zegt daar nog wel meer. Bijvoorbeeld: "ik ellendig mens". Letterlijk staat daar: Ik, zwoegende mens. Dat zegt Paulus van zichzelf, als hij zich indenkt hoe het was, toen hij uit de wèt leefde. En zweette onder de zware lasten van de Schriftgeleerden. Maar als christen roemt hij in Gods genade, die bevrijdt van de machten der zonde en des doods.

Maar, komt er wel veel terecht van die goede werken? Het kon wel eens zijn van niet. Maar ligt dat aan God? Of aan Jezus Christus? Of aan de Heilige Geest? Neen, zal men zeggen, maar dm komt van de duivel en van de wereld en van onze oude natuur. Daartegen zou ik dit willen inbrengen: Geloven we dan in de duivel of in God? Gaan we dan met de wereld mee of volgen we de Here Jezus? Leven we naar het vlees onze oude natuur of leven we naar de Geest? Dat mag toch? En dat moet toch? Met Petrus zeg ik: Jaag de duivel weg en hij zal voor u vluchten! En met de Here Jezus: Vrees niet, Ik heb de wereld overwonnen! En tenslotte: Ik geloof in de gemeenschap van de Heilige Geest. En daarvan mogen we verwachten, dat Hij ons doet voortgaan van kracht tot kracht en van glorie tot glorie oftewel heerlijkheid! II Kor. 3 : 18.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief