In memoriam professor Veenhof - 2
1983-03-04
Enkele weken geleden hebben wij stilgestaan bij het overlijden van prof. Veenhof. Op vrijdag 11 februari is hij begraven. Graag wil ik het "in memoriam" van 3 weken geleden nu voortzetten met een verslag van de dienst van Woord en gebed die aan de begrafenis voorafging.- Jaargang 27
- nummer 9
Het was alsof de tijd even stilstond, toen wij daar samenkwamen vanuit heel het land. De Nieuwe Kerk aan de Broederweg stroomde langzaam aan vol met oud-leerlingen van de overledene, predikanten van de Ned. Gereformeerde Kerken maar ook van daarbuiten, professoren in de theologie (zowel van de Christ. Geref. Kerken als van de Vrijg. Kerken - en daarbuiten), veel gemeenteleden en een grote familie.
Ik zou ook kunnen schrijven: het was even één grote familie. Vooral na afloop besef je hoe schaars de momenten zijn dat je met elkaar samenbent en hoezeer de overleden prof. Veenhof toch zoiets als een stamvader was in Israël. Dat laatste gold evenzeer ook voor prof. Jager die de dienst leidde. Hier mocht tenslotte ook de organist Klaas Jan Mulder niet ontbreken die de dienst in- en uitluidde met koralen van Bach. Ter 'inleiding "Ach bleib bei uns, Herr Jesu Christ" en ter uiltleiding: "Wachet auf ruft uns die Stimme.", Professor Jager preekte over 1 Thess. 5 : 1-11, "Kinderen des lichts" en na het slotlied 'Geloofd zij God met diepst ontzag' sprak de intussen ook al weer jaren professor geworden Klaas Veenhof een dankwoord namens de familie. Het was in feiteveen terugblik op het leven van zijn vader.
Beide toespraken, zowel van prof. Jager als van Veenhof hebben ons zeer getroffen. Ik zou ze niet graag willen onthouden aan een wijdere meelevende vriendenkring. Waar anders zou dat zijn dan in de lezerskring van 'Opbouw' waar prof. Veenhof zo vele jaren vanaf de allereerste aanvang zijn gaven gegeven heeft. Ik laat u de twee 'toespraken in omgekeerde volgorde lezen. Allereerst K. Veenhof over de persoon van zijn vader, daarna de beloften van het evangelie, ook over dit leven, zoals prof. Jager het ons voorhield. Deze laatste toespraak leest u dan in het volgende nummer.
W.G. Rietkerk
Familie, vrienden, belangstellenden,
Het Evangelie roept ons op om vooruit te zien naar de nieuwe aarde.
Maar bij dit afscheid mogen we ook een ogenblik terugzien. Dankbaar, omdat vaders overlijden, verdrietig als het is, niet triest is. Hij is gestorven in volle vrede, in vertrouwen op Gods genade. Zijn krachten waren op, maar hij was niet levensmoe, tot het laatst geïnteresseerd, genietend van bezoek en van wat hij nog kon lezen; de laatste boeken waren brieven van Luther en schetsen uit de Afscheiding.
Zijn laatste levensjaren waren, ook na moeders dood en met toenemende ongemakken, goed. Hij klaagde nooit, en voelde zich veilig en thuis bij zijn dochter in Oudemirdum.
Met tachtig jaar kwam een eind aan een vol en rijk leven. Vaders ideaal, dienaar van het Woord te zijn, heeft hij na hard werken als onderwijzer, bereikt en het heeft zijn leven inhoud gegeven. Hij was ons daarin een voorbeeld, door de manier waarop hij zich voor wat hij belangrijk vond inzette en zich, ondanks diepe teleurstellingen, daar niet van af liet brengen. Wij hebben het thuis met elkaar goed gehad, waarbij moeder, met haar sterke persoonlijkheid, geloof en humor, vooral in moeilijke perioden veel voor vader betekende. Vader heeft meegedaan aan en genoten van veel goeds in Gereformeerd Nederland vanaf de twintiger jaren en het heeft zijn leven en overtuiging gestempeld. Ondanks grote kerkelijke spanningen en depressies heeft hij zijn in wezen eenvoudige geloof en zelfs zijn idealen niet verloren. Het lijden aan de kerk heeft hem niet verbitterd.
Vader kende, van huis uit, een diepe behoefte aan harmonie, vertrouwen en goede verhoudingen. Hij was van nature geen vechter en zag geweldig op tegen de praktische consequenties van zijn overtuiging als dat een konflikt zou betekenen met de kerk die hij liefhad. Geen vechter, ondanks zijn gedreven en vooral door aktuele kerkelijke ontwikkelingen in beweging gezette pen; hoeveel duizenden vellen heeft hij er niet mee volgeschreven in zijn fijne handsdhrift, want typen kon hij niet. Geen vechter ook ondanks zijn vurige preken en speeches, zijn vlammende ogen (waarvoor kinderen in de kerk wel eens schrokken) en zijn indringende stem, die hij na een ernstige keelbloeding in zijn studententijd goed had leren gebruiken, totdat een chronisch tekort aan speeksel hem voor enkele jaren publiek spreken onmogelijk maakte.
In zijn schrijven hield hij niet van persoonlijke aanvallen, en het ging hem om de zaak - het evangelie, de kerk - niet tegen zijn opponent.
In zijn lange, soms wel te lange, uiteenzettingen wilde hij met de stukken en met argumenten overtuigen en winnen. Hij putte daarbij uit het Evangelie en uit de geschiedenis van de kerk, gebruik makend van zijn materiaal verzamelingen en zijn fenomenale geheugen. Vooral de periode van de Reformatie,en de 19e eeuw, die hij als weinigen kende, werden ten tonele gevoerd in discussies over leerstellige en praktische vragen. Maar ook de recente kerkgeschiedenis, waarin hij zelf zo pijnlijk betrokken was, kende hij; hij heeft die beschreven en geïnterpreteerd, met name in verzet tegen een opkomend "vrijmakingsgeloof". Zijn voorliefde verplaatste zich geleidelijk van Kuyper en de Doleantie, naar de minder scholastieke Afscheiding en naar figuren als Willem van den Bergh, Helenius de Cock, Bavinck en Sikkel. Hij gaf het niet op met de stukken aan te tonen hoe het vroeger was gegaan om daaruit voor de vaak niet erg originele aktuele kerkelijke discussies, lering te trekken, Veel van zijn boeken zijn vanuit die visie ontstaan; ze bevatten waardevol historisch materiaal en zijn tegelijk toegepaste geschiedbeschrijving. Ze zijn in wezen een historisch gefundeerd, soms zeer bewogen appel voor het behoud van de ruimte en de kracht van het Evangelie en de vrijheid van de kerk, want 'Vader was wars van scholastiek, en hiërarchie. Dat zo'n appèl, juist in konfliktsituaties, vaak geen merkbaar effekt had heeft hem veel verdriet gedaan en hem wel neerslachtig gemaakt. Maar zijn boeken betekenden ook dat hij zijn getuigenis gegeven had, het van zich had afgeschreven. Hij kwam zo weer over de decepties heen, en gaf zijn werkwijze niet op, omdat hij zich zo verbonden voelde aan de kerk en een boodschap wilde uitdragen.
--0--
Die drang werd vooral wakker als hij voor de kerk gevaarlijke symptomen bespeurde, onbijbelse grondmotieven, die hij ook door zijn filosofische scholing, waarvoor hij de Calvinistische Wijsbegeerte altijd dankbaar is gebleven, scherp onderkende. Gedurende zijn laatste jaren richtte die drang zich tegen het leninistisch-marxisme, dat hij door grondige studie leerde kennen als een ideologie met de pretenties van een pseudo-religie, waartegen Christenen zich om des levens wil dienden te weren. Hij verzette zich trouwens zijn leven lang tegen allerlei -ismen, vooral ook op kerkelijk gebied: subjectivisme, dat het zwaartepunt van de belofte van het Evangelie verlegt naar de menselijke ervaringen de volkomenheid der sacramenten aantast; confessionalisme, waarbij het gelovig spreken van de kerk in haar belijdenis ais norm voor het geloof gaat wedijveren met het levende woord; kerkisme dat de geschiedenis van eigen instituut canoniseert en de kerk tussen God en zijn Woord èn de gelovige in dreigt te zetten.
--0--
Vaders leven was zo in grote, wellicht tè grote mate bepaald door de kerk en de theologie. Vrijwel al zijn dagen - die 's morgens om zeven uur achter zijn bureau begonnen waren erdoor gevuld, waardoor zijn hobby’s verdwenen. Hoe vaak heeft hij gepreekt, gespeecht. Hoeveel schreef hij niet in kerkelijke bladen en andere organen. Ook zijn hoogleraarschap was niet in de eerste plaats beoefening van theologisch vakmanschep, maar betekende werk in en voor de kerk, en dat niet alleen via zijn preekcolleges. Het was denk ik een roeping en tegelijk een boeiende a!activiteit, gevoed door de drang om uit te dragen wat hij ontdekte en te waarschuwen voor wat hij als gevaar onderkende. Het leverde hem veel goede kontakten en vriendschappen op, maar ook tegenstand.
Maar er was - want hij was een praktisch man, die iets kon organiseren - ook het werk in de praktijk, vooral ten dienste van de diakonieën en de Stichting Geref. Kinderbescherming. Hij verdiepte zich grondig in sociale en juridische vragen en wetten en adviseerde veel over de ABW, de voogdij, het kinderrecht en de jeugdzorg. Ik denk dat hij het fijn vond om naast al het spreken en schrijven iets konkreets te kunnen doen aan de nood en gebrokenheid, die de gemeente op haar weg vindt; "om wel te doen", als "Dienst" van de Kerk.
--0--
Het was voor iemand met een sterk reformatorisch-bijbelse instelling een bittere ervaring dat er in de kerk tot tweemaal toe voor hem geen plaats was, tenzij met aanvaarding van onrecht en met verloochening van wat hij wezenlijk vond voor zijn geloof. Het heeft hem depressies bezorgd, ook omdat hij in vrienden en leerlingen werd teleurgesteld. Des te blijer was hij als hij binnen de gereformeerde gezindte, van welke kerkelijke signatuur ook, evangelische herkenning en waardering vond. Zijn boeken, "Om de Unica CathoIica", "Eén herder, één kudde", "Om kerk te blijven", getuigen van een echt bijbels-oeeumenisehe
instelling. Veel kontakten zijn vooral na 1968, toen er ondanks alle verdriet toch een soort last van hem afviel, gelegd of na lange tijd weer aangeknoopt. Vol overtuiging deed hij ook mee met de oprichting van de Evangelische Bijbelschool , een opleidingsmogelijkheid in nieuwe vorm. Hoezeer hij ook was gestempeld door de geestelijke ontwikkelingen der dertiger jaren en de vrijmaking, hij had niet de behoefte het eigene, dn theologisch of kerkelijk opzicht, naar voren te schuiven, tot sjibbolèt te maken. De trieste geschiedenis der vrijgemaakte kerken was een waarschuwing geweest. De strijd voor de doorwerking van het Evangelie vandaag moest z.i. op geestelijke wijze gevoerd worden, door allen samen die één in het geloof zijn.
Aan die goede strijd heeft hij, met zijn gebreken en eigenaardigheden, zeker niet als held, maar met een eerlijke consciëntie en veel inzet, meegedaan. Nu ruste hij in vrede.
Hij heeft, met de woorden van een negro-spiritual die hem lief was, "de strijd gestreden, hij is aan het einde van de reis gekomen". Moge God, genadig, zeggen "wel gedaan".
K. Veenhof