Christen-zijn in een veranderende wereld
1983-03-04
De wereld lijkt de afgelopen tientallen jaren in een stroomversnelling geraakt te zijn. Vooral in economisch opzicht. In enkele tientallen jaren heeft m.n. onze westerse wereld zich vanuit de chaos van twee wereldoorlogen ontwikkeld tot een verzorgingsstaat "van de wieg tot het graf". Maar nog voordat we aan de toegenomen welvaart zijn gewend tekent zich een nieuwe crisis af waarvan de omvang zich nog slechts laat schatten. Maar ook in moreel opzicht. Normen en waarden lijken zich in hetzelfde tempo te wijzigen. En er zijn meer terreinen te noemen: wetgeving, bewapening, technologie. Terreinen waarop de veranderingen elkaar zo snel opvolgen, dat we het gevoel krijgen erdoor platgewalst te worden. En in deze veranderende wereld wordt de vraag naar het christen-zijn gesteld. Een vraag waarop in allerlei verbanden een antwoord gezocht wordt: in de kerken, in christelijke politieke partijen, in de christelijke vakbeweging, op de christelijke scholen. Opvallender dan de antwoorden die gevonden worden zijn de mak volstrekt tegenovergestelde richtingen waarin het zoeken naar het antwoord op de vraag naar het christen-zijn uitkomt. Van star conservatisme tot scherp radicalisme.- Jaargang 27
- nummer 9
Geen nieuwe vraag
Het is goed zich te realiseren dat de vraag naar het christen-zijn geen nieuwe vraag is. Ook de wereld waarin de vraag beantwoord moet worden is geen nieuwe wereld. En zelfs de veranderingen die de wereld ondergaat zijn in weren niet nieuw. Wie een blik in de wereldgeschiedenis werpt raakt al gauw onder de indruk van de vele veranderingen die zich voortdurend voltrekken. De opkomst en neergang van vele wereldrijken, opeenvolgende oorlogen, afwisselende armoede en rijkdom, zowel economisch als cultureel, de ontdekkingsreizen, de vernieuwende uitvindingen. De wereldgeschiedenis blijkt een aaneenschakeling te zijn van diepgaande veranderingen in mogelijkheden en omstandigheden van de mens. Nieuw is vandaag wellicht het tèmpo waarin de veranderingen zich voltrekken. Niet de veranderingen zelf. Ook niet in moreel opzicht. Er kan dan ook niet met rechtgesproken worden van een scheiding van twee werelden: een christelijke en een geseculariseerde wereld. Mondiaal niet, maar ook nationaal niet. Over het eerste zal wellicht niet veel verschil van mening bestaan: over het laatste waarschijnlijk meer. Toch beschrijft zelfs de Nederlandse - laat staan de westerse - geschiedenis geen periode die als christelijk aangeduid mag worden. Misschien een periode waarin de kerk bloeide of zelfs een periode waarin het geloof groeide. Maar niet een periode waarin de samenleving - de Nederlandse of de westerse - dichter stond bij Gods bedoeling met mens en wereld. Daarvoor bevat de westerse en ook de Nederlandse geschiedenis teveel zwarte bladzijden. Bladzijden van sociale wantoestanden, kolonialisme en zucht naar bezit en eigendom. Laten we toch niet te gemakkelijk op grond van het heden tevreden terugzien op het verleden. Zijn veel problemen van vandaag niet een direct gevolg van handel en wandel van vorige generaties?
Geen ivoren toren
Afstand nemen van een vermeend christelijk Nederland betekent ook afstand nemen van de wat ivoren-toren-achtige benadering van de vraag naar het christen-zijn. De Ivoren-toren-achtige benadering van de christen die de wereld om zich heen als het ware op afstand ziet veranderen. De veranderingen voltrekken zich en de christen bepaalt zijn houding ertegenover. Een benadering waarin de christen de rol van "lijdend voorwerp" speelt: anderen bepalen de koers van de ontwikkelingen en de christen bepaalt zijn houding hier tegenover. Het is echter de vraag of dit "plaatje" wel zo reëel 'is. Zijn christenen - en niet-christenen - niet veeleer "meewerkend" dan "lijdend voorwerp" als het gaat om de ontwikkelingen in de wereld? Wonen ze niet in één buurt, werken ze niet in één onderneming, leven ze niet in één staat, vormen ze niet één samenleving, één wereld? Mogen christenen zich dan wel beschouwen als lijdend onder de veranderingen in de wereld of moeten christenen zich veeleer als meewerkend aan de veranderende wereld beschouwen? Misschien dat hiertegen nogal wat is in te brengen. Christenen zijn immers niet van deze wereld. En de loop van de geschiedenis lijkt toch meer door antichristelijke krachten bepaald te worden? Toch moeren we de inbreng en invloed van christenen in verleden en heden niet onderschatten. Laten we onze eigen plaats in het dagelijks leven er maar eens op nagaan. Hoewel mogelijkheden worden ons ook vandaag niet nog geboden om invloed uit te oefenen op politiek, maatschappelijk en economisch terrein. Die mogelijkheden op zich maken al dat christenen medeverantwoordelijk zijn voor de wereld waarin ze leven. Immers: zolang we mee kunnen beslissen zijn we medeverantwoordelijk. Of we willen of niet. Laten we ook in dit opzicht niet te gemakkelijk vervallen tot een zeker doemdenken, terwijl we mogelijkheden om mee te praten, mee te denken en mee te beslissen onbenut laten.
Christen-zijn = mens-zijn
In het voorgaande is de vraag naar het christen-zijn op de achtergrond geraakt. Onze medeverantwoordelijkheid met de gehele mensheid voor de veranderende wereld waarin we leven plaatst ons dan ook in de eerste plaats voor de vraag naar het mens-zijn. Christen-zijn is in de eerste plaats mens-zijn. Mede-menszijn met anderen en niet alleen met mede-christenen. De vraag naar het christen-zijn wordt wel eens te gemakkelijk gebruikt als een alibi om zich te kunnen onttrekken aan het mens-zijn. En daarmee aan de medeverantwoordelijkheid voor de ontwikkelingen en veranderingen in de wereld. De medeverantwoordelijkheid - met christenen en nietchristenen - voor de veranderende wereld wordt door het christen-zijn niet weggenomen. Het christen-zijn legt geen beperkingen op aan de medeverantwoordelijkheid. Integendeel. Het geeft het juist een diepere inhoud. Het verdiept de medeverantwoordelijkheid voor de wereld waarin wij leven tot het rentmeesterschap over Góds Schepping die de mens is toevertrouwd. We zijn niet langer medeverantwoordelijk voor ónze wereld, maar voor Zijn wereld. Christen-zijn kan dan ook niet leiden tot het nemen van afstand van de wereld en van de medeverantwoordelijkheid voor de wereld. Integendeel: het moet de betrokkenheid bij de werelden de veranderingen erin juist aanscherpen. Evenals het de medeschuld aanscherpt aan veranderingen die de wereld verwijderen van Gods bedoeling ermee. Christen-zijn mag dan ook niet leiden tot berusting in scheefgetrokken verhoudingen tussen rijk en arm, machten onmacht, overvloed en honger. Het moet leiden tot verontrusting erover, zeker voor die verhoudingen waarin wij ons als westerse mens steeds aan de positieve kant blijken te bevinden! Christen-zijn is mens-zijn. Dat heeft vergaande consequenties voor het denken over opvoeding, onderwijs en polideken maatschappelijk handelen.
Geen christelijk isolement
De snel toenemende veranderingen in de wereld en het toenemende gevoel hierop een afnemende invloed te hebben kunnen er gemakkelijk toe leiden dat christen-zijn en mens-zijn gescheiden worden. Christenzijn is dan geen verbijzondering, geen verdieping meer van het menszijn.
Christen-zijn wordt dan bijna tegengesteld aan mens-zijn. De christen staat dan niet meer als mede-mens in de wereld, maar als chrísten tegenover de mensheid en zijn wereld. De christen is dan ook niet meer geroepen om samen met zijn mede-mensen de ontwikkelingen in hun wereld mede te bepalen en te beïnvloeden. Christenen dienen dan hooguit met mede-christenen de ontwikkelingen in de wereld om hen heen te toetsen aan Bijbel en belijdenis. Ook christelijke opvoeding, christelijk onderwijs en zelfs christelijke organisatievorming kan voornamelijk hierop gericht zijn. Gericht op het afschermen van christenen - veelal bepaalde christenen -, het "zuiver" houden van de eigen identiteit, de eigenheid van de groep en het toetsen van ontwikkelingen en veranderingen in de wereld aan de gekozen uitgangspunten. Op grond van het voorgaande moet zo’n christelijk isolement afgewezen worden. Christen-zijn is immers in de eerste plaats mens-zijn. Menszijn met de mede-mens in medeverantwoordelijkheid voor de veranderende wereld. Daarin past zo'n christelijk isolement niet. Daarin past geen isolement waarin afstand wordt genomen van de mede-verantwoordelijkheld voor de veranderende wereld. Niet van christenen en niet van niet-christenen. Als christen-zijn in de eerste plaats mens-zijn is, dan zullen christelijke opvoeding, onderwijs en organisatievorming gericht moeten zijn op christen-zijn in de wereld in medeverantwoordelijkheid vóór de wereld.
Een christelijk perspectief
Christelijke opvoeding, onderwijs en organisatievorming moeten gericht zijn op de samenleving. Op de mens in de samenleving met zijn verantwoordelijkheid voor de samenleving. Het zal een perspectief moeten bieden voor de samenleving: voor de veranderende wereld. Het zal niet naar binnen, maar naar buiten gericht moeten zijn. Christenzijn betekent dan ook een boodschap hebben voor de samenleving. Dé Boodschap - het Evangelie - hebben voor de samenleving. Dat betekent dan ook een antwoord hebben op de veranderingen in de wereld. Dat betekent een antwoord hebben op morele vraagstukken, maar óók op vraagstukken van werkgelegenheid, inkomensverdeling, bewapening, technologie enz. Dat betekent concrete antwoorden geven op vragen van deze tijd. Dat vraagt een voortdurende bezinning op de boodschap van het Evangelie voor de wereld van vandaag. Dat vraagt ook een voortdurende bereidheid tot daadwerkelijk handelen, waarbij samenwerking met anderen – ook met andersdenkenden - niet bij voorbaat uitgesloten behoeft te worden. Niet uitgesloten mag worden. Als christen-zijn menszijn is dan is samenwerking zelfs geboden. Om meer dan één reden. Immers: christelijk perspectief kan eerst dan echt tot zijn recht komen als het gericht wordt op de ander, juist op de andersdenkende medemens. Om die reden hoeft bij het christelijk onderwijs en in de christelijke organisaties niet de beslotenheid of geslotenheid maar mag of moet de openheid opvallen. Mits die openheid berust op de zekerheid van het Evangelisch uitgangspunt. Dan mag de openheid het niet afleggen tegen de angst voor het verlies van identiteit. Dan zal ook sprake zijn van een Evangelisch getuigenis. Geen getuigenis van christenen voor de wereld, maar een getuigenis van christenen in de wereld. Een handelend getuigenis dat voor kritiek en zelfkritiek openstaat. Een getuigenis dat zijn kracht vindt in het gekozen uitgangspunt èn het geboden perspectief.
Gerechtigheid en naastenliefde
Van een christelijk perspectief voor de mens in een veranderende wereld is geen blauwdruk te geven. Het is echter wel herkenbaar. Herkenhaar aan de normen van het Evangelie: gerechtigheid en naastenliefde. Dat zijn normen waaraan iedere visie, iedere boodschap voor de samenleving getoetst moet worden. Ook iedere christelijke visie.
Christen-zijn in een veranderende wereld is handelen in dienst van gerechtigheid en naastenliefde. Gerechtigheid en naastenliefde. Bij vragen van leven en dood, zoals abortus en euthanasie, Maar ook bij vragen van vrede en veiligheid, zoals de toenemende hoeveelheid schepping-verwoestende kernwapens. Bij vragen van rijkdom en armoede: de derde wereld. Bij vragen van verdeling van werk en inkomen. Bij vragen van energievoorziening, zonder onaanvaardbare risico's voor onze kinderen. Een christelijk perspectief mag pas verwacht worden wanneer de visie op deze vraagstukken echt voldoet aan de normen van gerechtigheid en naastenliefde. Christen-zijn in een veranderende wereld kan dan ook betekenen bestaande visies en oplossingen te herijken aan deze normen.