Vreemdeling op aarde

1983-03-04
  • Jaargang 27
  • nummer 9
Niet zien, toch geloven
In Hebreeën 11 wordt de kracht van het geloof getekend met verwijzing naar verschillende personen. In het begin van het hoofdstuk worden genoemd Abel, Henoch, Noach, Abraham en Sara. Van de één weten we meer dan van de ander. Van Abel wordt gezegd dat hij een beter offer bracht dan Kaïn. Van Henoch weten we dat hij te midden van goddeloze mensen wandelde met God en dat hij aan het einde van zijn leven door God werd weggenomen. Noach moest een ark bouwen en zó werd hij met zijn gezin bewaard voor de gevolgen van de zondvloed. Abraham werd door God geroepen en moest de plaats waar hij woonde verlaten en op weg gaan naar een vreemd land, hij ging op weg zonder precies te weten waar hij terecht zou komen. Sara lachte toen ze hoorde dat ze een kind zou krijgen terwijl ze aloud was, maar toch bracht ze dit kind in geloof voort.
Deze mensen hebben God geloofd op Zijn woord. Ze hebben geloofd, schijnbaar tegen beter weten in.
Geloven is voor deze mensen geweest: Gods belofte aanvaarden, die niet zien en toch geloven. Van Abraham wordt in Hebr. 11 : 9 en 10 gezegd dat hij in het land der belofte vertoefde als in een vreemd land, maar dat hij verwachtte de stad met fundamenten waarvan God ontwerper en bouwer is.
In lied 3 uit het Liedboek wordt het zó gezegd:

Uit Oer (Ur) is hij getogen,
aartsvader Abraham,
om voortaan te geloven
in 't land van Kanaän,
om voortaan als een blinde
te zien een donker licht,
om voortaan helderziende
te zijn op God gericht.

Uit Oer is hij getogen
ten antwoord op een stem,
die riep hem uit den hoge
op naar Jeruzalem.

Het door God aan Abraham beloofde land was onzichtbaar voor hem, onzichtbare grond, en dus ging Abraham op weg naar een onzichtbare toekomst, een toekomst die naar menselijke maatstaven niet te grijpen was, maar die door Abraham tóch gegrepenén min of meer begrepen werd.

De belofte niet verkregen, het heil wel gezien
In vers 13 staat dat de genoemde gelovigen zijn gestorven 'zonder de beloften verkregen te hebben'. Een spreekwoord zegt: belofte maakt schuld. Als je hier leest dat de gelovigen de beloften niet hebben verkregen kun je je afvragen wat die beloften van God dan wel waard zijn. Wat zijn dat voor beloften die niet worden vervuld? Opvallend is dat het woord 'vervullen' in het Nieuwe Testament niet voorkomt met betrekking tot Gods beloften. Het ontvangen van de belofte wordt in de bijbel anders aangeduid: verkrijgen, beërven, ontvangen, wegdragen.
We moeten er op letten dat de bijbel hier zegt dat de beloften tijdens het leven van de gelovigen niet verkregen zijn. Het beërven van wat God heeft beloofd vraagt tijd, vaak veel tijd, wordt naar de toekomst verschoven, voor een deel zelfs naar de toekomst ná dit leven. In Hebr. 10 : 36 wordt niet voor niets gezegd dat voor het verkrijgen van Gods belofte volharding nodig is. God denkt bij het geven van beloften niet altijd aan een korte, maar vaak aan een lange tijd.
Van Abraham wordt dus gezegd dat hij tijdens zijn leven niet verkreeg wat hem wat beloofd, maar van hem staat ook in de bijbel (Joh. 8 : 56) dat hij de dag van de Here Jezus heeft gezien en zich heeft verblijd.
Op het verkrijgen van de belofte moest hij wachten, maar het heil mocht hij wel zien.
Abraham kón wachten, omdat hij God geloofde. In Rom. 4 : 16 e.v. schrijft Paulus hierover dat Abraham 'tegen hoop op hoop' geloofd heeft. Hij twijfelde niet omdat hij wist dat God in staat is te volbrengen wat Hij belooft. Gods gedachten zijn immers anders dan die van ons, Gods wijze van werken is anders dan die van mensen. Daar heeft Abraham aan moeten wennen, dat zal hem moeite hebben gekost, maar zó - in dát geloof - heeft hij toch het heil gezien.
Het woord 'zien' heeft in de bijbel vaak een dubbele funktie. In Genesis 12 en 13 lees je hoe God met Abraham in contact komt. God verschijnt aan Abraham, laat Zich aan hem zien en zó ziet Abraham God.
En als Abraham in het beloofde land komt (Gen. 12:7 e.v.: Sichem, Bethel), dan ziet Abraham het beloofde land, maar er heerst hongersnood. Dan moet Abraham meteen al leren dat hij niet moet zien naar wat voor ogen is, maar verder moet kijken. Hij moet kijken naar het heil, hij moet dat heil zien.
Op dit punt maakt neef Lot een grote vergissing. Als Abraham en Lot besluiten om uit elkaar te gaan,' dan kijkt Lot naar de landstreek bij Sodom en dan ziet hij daar veel goeds, een goede toekomst, hij vertrouwt op z'n ogen maar zó ziet hij uiteindelijk toch verkeerd.
Abraham kijkt, ziet anders, hij heeft de bril van het geloof op. En zó leert hij dat zijn zien gebonden moet zijn aan wat God vóórziet. Zó ziet Abraham wat in Kanaän, precies zoals God wat in Abraham zag.
De grote les voor Abraham is steeds weer geweest dat het verkrijgen van Gods beloften vaak ver weg is. Hem wordt een groot nageslacht beloofd, maar deze belofte krijgt pas een begin van vervulling in Egypte. Dáár dreigt de uitbreiding van het volk Israël volgens de mening van Farao zelfs uit de hand te lopen. (slot volgt)


Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief