De postchristelijke overheid (1)
1985-02-15
Bij de opening van de nieuwe moskee in de Amsterdamse Bijlmermeer heeft de staatssecretaris van sociale zaken, de heer De Graai, gesproken van een ‘postchristeliike' samenleving in ons land. Daarom heeft de bekende professor Berkhof gereageerd in de rubriek Podium van Trouw (29, januari u.i Wie zou niet geïnteresseerd luisteren?- Jaargang 29
- nummer 7
Gelijk heeft de professor in ieder geval als hij opmerkt dat deze na-christelijkheid van onze samenleving niet te wijten is aan de toestroom van buitenlanders.
In zoverre de woorden van de heer De Graaf die voorstelling wekten, was dat onterecht. Ook is dr Berkhof zeer goed te volgen als hij schrijft: "De latere geschiedschrijver zal er zich over verbazen dat uitgerekend protestants-christelijke ministers koplopers waren in een proces waarin God en godsdienstige normen tot privézaak werden." Maar wat ik dan weer minder goed kan begrijpen is dat professor Berkhof. de voormalige voorzitter van de Raad van Kerken, (bij mijn weten) niets van zich liet horen toen voornoemde raad weigerde te protesteren tegen het gebruik van de zondag 5 mei als nationale feestdag. Dat was toch een prachtige. gelegenheid voor de kerken om een bij uitstek christelijk belang te behartigen.
Helaas liet men verstek gaan. En ik vond dat nogal kenmerkend voor die Raad. Ik wil maar zeggen: zou er ook voor de kerken geen aanleiding zijn om zich af te vragen in hoeverre zij zelf aan de postchristelijkheid van onze samenleving schuld draagt? Het wekt inderdaad wrevel als men de Zwarte Piet van de ontchristelijking aan de buitenlanders zou toespelen.
Maar het overtuigt mij evenmin als vanuit de kerken het verwijtende vingertje naar de Overheid wordt uitgestoken. Daarvoor hebben de kerken echt teveel boter op hun hoofd, en dat niet alleen vanwege die treurige misser inzake de aanstaande bevrijdingsdag. Tenminste, bepáálde kerken hebben teveel boter op hun hoofd. Men mag ze beslist niet allemaal over één kam scheren.
Zouden christen-ministers niet gebaat zijn bij een krachtig getuigende kerk achter zich ars een muur om tegenaan te leunen? Nee, ik bedoel niet een kerk die politiek bedrijft in de vakmatige zin van het woord, maar een kerk die Gods beloften en geboden duidelijk vanuit het evangelie uitlegt. Als, dat algemeen zou gebeuren dan zou dat te merken zijn aan het optreden van christen-politici. Dat kunnen we zien aan een parlementariër als de heer Schutte. Je kunt niet zeggen 'dat deze broeder een gemeente bezoekt waar hij zondag aan zondag met politiek wordt volgegoten. Zijn dominee zou hem trouwens niet zoveel kunnen bij brengen op dat gebied, is mijn indruk, En toch is aan zijn hele optreden in de politiek goed te merken dal hij wekelijks onder een krachtige evangelieverkondiging zit. Dat blijkt niet uit een prekerig optreden of uit een overmaat van 'getuigenissen', maar uit de grote beslistheid waarmee hij de zaak van Gods Koninkrijk dient nadat hij eerst met fijne wijsheid het punt heeft uitgekozen waarop dat kan.
Maar op welke punten kan het eigenlijk nog? Dat is vandaag de moeilijke vraag. Hoe en waar is christelijke politiek nog mogelijk in een ontchristelijkte tijd? De heer De Vries van het Nederlands Dagblad (het nummer van 2 februari j.l.) spreekt in dit verband over het ideaal van Groen van Prinsterer: een staat met de Bijbel. In de zinnen daar omheen beperkt hij dan echter de Bijbel tot de christelijke ethiek. Dat vind ik niet zo gek, alleen moet de heer De Vries zich wel realiseren dat dit niet meer volgens artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis is, zelfs niet naar de verkorte vorm van 1905. Want daarin wordt aan de overheid nog wel iets meer opgedragen dan de behartiging van de christelijke ethiek. Ze heeft de hand te houden aan de heilige kerkendienst.
het koninkrijk van Jezus Christus te bevorderen en het woord des evangelies overal te doen prediken. Dat is alles moeilijk te verenigen met het begunstigen van de bouw van moskeeën.
Als we dan ook eerlijk waren in onze, binding aan de Belijdenis zou er nog meer uit artikel 36 geschrapt moeten worden dan Kuyper destijds deed. lik bedoel hiermee niet te zeggen. dat onze vaders in het geloof in de zestiende eeuw teveel hebben geformuleerd. Elke tijd zoekt op dit gebied naar het bereikbare, is mijn indruk. In de middeleeuwen was ketterdoden door de overheid gewoon, terwijl wij er nu zelfs niet zeker meer van zijn of nog wél de gehele christelijke ethiek door de overheid gehandhaafd kan worden. Dat scheelt nogal wat. Ik denk dat een soort van eb en vloed in dit opzicht onvermijdelijk is,
Maar nog eens: wat is nu vandaag haalbaar? Of, om het niet dr Berkhof te zeggen: “Wat streeft men nu positief na?" Hij vertrouwt ons in dit verband toe dat het hem niet gaat om ‘God’ als randverschijnsel in de troonrede en op de gulden. "Want het is me nooit duidelijk geworden over welke god 'ze het daar hebben." Ik vind dit een onnodig negatieve opmerking, Het gaat daar, immers over precies dezelfde God als in het zesde couplet van het Wilhelmus, waarvan dr Berkhof zo terecht zegt dat het moet blijven. Over God op onze gulden gesproken: is het de lezer wel eens opgevallen dat het randschrift luidt: God zij met ons? Zo vaak wordt dit parool op één lijn gesteld met het 'Gott mit uns' op de Germaanse koppelriemen, maar vanwege dat 'zij' vind ik de Nederlandse spreuk veel kritischer. Ik geef er dan ook de voorkeur aan, om dezelfde reden als waarom ik bij de zegen in de Kerk ook liever zeg' ... zij met u allen dan '... is met u allen'. Dat is vind ik gewoon te onkritisch, te vals geruststellend. Hetzelfde geldt als je zegt (met weglating van 'is'): ' ...met u allen!'
Maar om op de zaak terug. te komen, professor Berkhof weet niet 'over welke god ze 't hebben' . Dat zinnetje van hem boeit mij. Ik zou hem deze vraag Willen stellen: zoudt u mij, professor, kunnen zeggen over welke god Jozef het heeft als hij in Egypte tegen zijn broers zegt: ik vrees God (Genesis 42 : 18)? Hij bedoelde niet de God van Abraham, Isaak en Jakob, want toen - hij deze woorden sprak was- hij voor zijn broers nog helemaal de Egyptische heiden. En toch bracht hij iets in het midden dat hij in zijn rol als heiden met de kinderen Israëls gemeenschappelijk had. "Ik vrees God", het had naar de broers toe iets geruststellend: "ik ontzie mensen" (vergelijk Lukas 18: 2). Welnu, zou christelijke politiek vandaag niet hieruit moeten, bestaan, dat wij zoeken naar datgene wat er voor christen en niet-christen uit voortvloeit als 'God' geëerbiedigd wordt? Dat we"dus met de Godsvrees - die wij in de geméénte christelijk vullen en onderbouwen! - zoeken naar een gemeenschappelijkheid tussen christenen, niet-christenen en belijders van andere godsdiensten? lk wil daarover in een volgend artikel graag nog wat verder hardop denken.