Geloof en revolutie
1983-03-11
De titel van dit schetsje werkt wellicht irriterend, omdat onze oudere garde gehecht is aan "Ongeloof en Revolutie , het bekende boek van Groen van Prinsterer. In dat boek wordt ondermeer de stelling bestreden, dat de "Refomatie" het kweekbed is geweest van de "Revolutie", zoals men bijvoorbeeld in r.k. kring beweerd heeft.- Jaargang 27
- nummer 10
Toch is er een probleem, dat niet in een handomdraai weg te werken is: wanneer is opstand geoorloofd en was de afzwering van Filips lI, in 1581, goed of niet?
ANTI-REVOLUTIONAIR
In 1979 bestond de A.R.P. honderd jaar; dat heeft ze net nog gehaald.
Tegen de revolutie het evangelie! Maar die leus is wel aangevochten geweest. In 1918 was hier in ons land iets dat op een revolutie lijken kon en daarna had je Kamerdebatten, die het gebeurde behandelden. Toen, en later ook, werd de "anti's" voor de voeten gegooid: jullie zijn zo gezagsgetrouw, maar jullie hoogvereerde Calvinistische vaderen hebben indertijd ook een koning aan de dijk gezet. Waarom mocht dat toen wel en nu niet? En de Geuzen, die in 1572 Den Briel bezetten, droegen dan wel een penning met de beeldenaar van Filips en het randschrift: in alles trouw aan de koning, maar zij konden toch vermoeden dat hun actie tegen Den Briel niet de goedkeuring des konings zou verwerven. Wat is daarop uw antwoord?
HET VERZET
Tijdens de bezetting van 1940-1945 was het probleem springlevend. Er waren predikanten die verkondigden, dat als de jongens opgeroepen werden voor de duitse arbeidsdienst, ze zich daaraan niet onttrekken mochten en sabotage-daden waren zonder meer uit den boze. God sloeg immers Nederland met de duitse bezetting en je mocht niet bijten in de stok waarmee Hij sloeg. De duitsers, dat waren nu onze overheden. In Zijn toom had de Here hen Over ons gebracht en dus golden nu weer de profetieën, met name van Jeremia, die Israël bestraften wegens zijn ongebroken houding onder Gods gerichten.
De achtergrond van deze mening was, dat Nederland vergelijkbaar was met Israël. Wat van Israël geschreven staat, werd op de Nederlandse staat overgebracht. Zulke klanken klinken nu nog na. Op 6 september van het vorige jaar, vlak voor de Kamerverkiezingen dus, keek ik naar een E.O.-uitzending uit Dordrecht, waarin één van de sprekers opwekte om op Christelijk-rechts te stemmen en hij deed dat vanuit 2 Kron. 14 : 7, "Laten wij deze steden versterken en ze met muren omringen, want nóg is het land van ons".
Bij A. Janse lag het, geloof ik, anders. Ook hij haalde Jeremia naar voren, ook hij misprees de verzetsgeest, maar niet vanuit de nationalistische gedachte, doch vanuit zijn kijk op het actuele spreken van de HERE, ook in de profeten des ouden verbonds.
In ieder geval: vooral toen besprak men de vraag: is verzet geoorloofd?
CALVIJN
Het is uiteraard van het grootste belang, dat we Calvijn lezen, als we nadenken over het recht van opstand. Hij immers stond midden in de strijd van zijn dagen en hij heeft nog grote invloed op ons.
Zal ik achterelkaar wat citaten geven van hem? Hij schrijft aan Falais in Bazel, dat als God ons zo streng wil straffen, dat hij de tiran die er op uit is om ons te verwoesten, de vrije teugel laat, wij ons op het lijden moeten voorbereiden God heerst immers te midden van de vijanden en Hij zal later die vijanden wel vernietigen.
Aan de hertog van Somerset schrijft hij, dat de heiligen bereid moeten zijn Gods roede te erkennen en Gods straffen moeten de hertog tot verootmoediging brengen in de vervolgingen. Staat de hertog zelf wel recht voor God, dat moet hij zichzelf maar eens afvragen.
Aan de admiraal de Coligny schrijft hij, dat hij, Calvijn, niet de hand heeft gehad in de staatsgreep van 'I Amboise, hoewel dat beweerd werd, Nee, er is iemand bij hem geweest, om hem voor zo'n opstand te polsen, maar Calvijn heeft geantwoord, dat men zich niet met verzetsdaden mocht inlaten, want dit zou tegen Gods wil zijn; en van werelds standpunt bekeken zou het ook roekeloos en overmoedig zijn. Het einde zou vreselijk wezen. Als door ons een druppel bloed vergoten werd, dan zou daaruit een stroom van bloed ontstaan, die geheel Europa zou overspoelen, Maar hij heeft wèl tegen die man gezegd, dat als er een prins-van-den-bloede het zou opnemen voor de rechten van het volk, en als de parlementen zich daarbij aansloten, dan zou het de onderdanen toegestaan zijn, die prins de helpende hand te bieden.
In de Institutie lees je hetzelfde. Hij heeft geen hoge dunk van de vorsten: zij zorgen niet voor al die dingen, waarvoor zij behoorden te zorgen, maar zij leven in genietingen, ijverig bedacht op eigen voordeel, zij bieden alle rechten, privilegiën, rechtspraken en officiële stukken te koop aan, beroven het arme volk van geld, plunderen huizen en schenden maagden en getrouwde vrouwen, doden onschuldigen en bedrijven straatroverij, maar tóch: zij hebben slechts van de Here hun heerschappij, en zij die onrechtvaardig regeren zijn door God verwekt om de ongerechtigheid des volks te straffen; een goddeloos koning is een toorn des Heren over een land, wij mogen zijn gezag niet verachten.
Maar ook dan is er weer die "ontsnappingsmogelijkheid": ik spreek nu over particuliere personen, zegt Calvijn.
Want als er enige volksmagistraten aangesteld zijn om de willekeur der koningen te bedwingen, zoals oudtijds de ephoren waren tegenover de koningen van Sparta, of de volkstribunen tegenover de Romeinse consuls, of de demarchen tegenover de raad der Atheners, dan hebben die de plicht om het voor het volk op te nemen.
In een preek over 1 Sam. 8 : 11 zegt hij hetzelfde: Ik erken het, er bestaan enige geoorloofde middelen tegen de tirannie. Als er bijvoorbeeld andere magistraten zijn ingesteld, of Staten, waaraan de zorg voor het gemenebest is opgedragen, die zullen de vorst binnen de perken houden. Maar als deze hun plicht niet doen, dan moeten de burgers erkennen, dat dit kruis hun wordt opgelegd als een kastijding Gods over hun zonden.
DEMOCRAAT?
Volgens Calvijn mag dus het volk alleen in opstand komen, als het daar mee de "prinsen" of de "Staten" volgt. De duitser Philippson heeft Calvijn één van de eerste democraten genoemd. Hij legt verband met Calvijns opvattingen over de plaatselijke kerken. Zoals een kerkeraad de predikant of een ouderling kan afzetten, zo mogen de Staten de koning aan de kant zetten. Anderen wilden Calvijn liever een theocraat noemen; God heeft de regering, bijv. door de bijbel. Als ik Calvijns mening volg over het recht van opstand, zie ik daarin geen democratie, ook geen theocratie, maar een eigenaardige brok aristocratie. Dit dan met in de betekenis van een aristocraat als een "deftig heer", maar in de oude klassieke betekenis, dat de aanzienlijken de regering hebben. Dat is niet verwonderlijk bij Calvijn, met z'n klassieke scholing. Let op z'n argument van de ephoren en volkstribunen. Maar het is nu niet direct een bijbels argument, dat hij gebruikt.
BLIJDE INCOMSTE
In ons land heeft nog een ander motief een rol gespeeld. Marnix en anderen hebben herinnerd aan de Blijde Incomste, de Joyeuse Entrée, waarbij de hertog van Brabant plechtig werd ingehuldigd, maar het was dan een verbond tussen de vorst en het volk; beide partijen in dat verbond hadden rechten en plichten. Dan werd verwezen naar 2 Koningen 11 : 17, Jojada maakte een verbond tussen de HERE en tussen het volk, dat het den HERE tot een volk zou zijn, mitsgaders tussen de koning en het volk. Houdt de koning zich niet aan het verbond, dan kan hij verdwijnen.
Calvijns gedachten pasten goed op de situatie in de Nederlanden. Hier was vanouds een adel en hier waren Staten. Men kon de "mindere overheden" volgen in de strijd tegen de vreemdeling, de Spaanse koning, Heer der Nederlanden.
ACTUEEL?
Allerlei meningen heb ik onbesproken gelaten, zoals bijv. de geschriften van de "monarchomachen", de bestrijders van de monarchie, en de mening van Theodorus Beza en du PIessis. De vraag is nu, hoe het zit met het recht van opstand, als we bijvoorbeeld opnieuw te lijden zouden hebben onder een bezetting, of onder een tirannie van een eigen regering. Dan hebben we aan Calvijns gedachten niet veel, in die zin namelijk, dat er dan wel geen lagere overheden zullen zijn, die het opnemen voor het volk. De duitsers hebben ook vrij spoedig na hun inval, burgemeesters, politieautoriteiten en provinciale gouverneurs aan de kant gezet, die niet alles deden wat zij wilden. Ook het parlement werd op non-aktief gezet. Dan blijft over: Handelingen 5 : 29, men moet Gode meer gehoorzaam zijn dan mensen. In de oorlog zag je bij sommige mensen een tekst hangen in de gang: Jesaja 16 : 3, "Verbergt de verdrevene en meldt de omzwe(r)vende niet". Als je naar dat Woord luistert, ben je al in het verzet. Dan heb je geen behoefte aan een theorie over het recht van opstand, maar je weet, wat God van je waagt en je hebt het maar te doen.
Litteratuur
A. A. v. Schelven, Het "Heilige Recht van Opstand", Kampen, 1920.
D. J. de Groot, De Reformatie en de Staatkunde, Franeker, 1955.
D. Nauta, Aard van de opstand in de Nederlanden in de 16e eeuw, Willem de Zwijgerstichting, 1976.
Schwartz, Calvins Briefe.
Calvin, Institutie, boek IV, hoofdstuk 20, par. 23-25.