De postchristelijke overheid (2-slot)
1985-02-22
Jozef zei als Egyptische heiden tegen zijn broers: ik vrees God - zo vonden we de vorige week. Daarmee garandeerde hij hun een humane behandeling. Mozes schrijft in Deuteronomium 25 : 17, 18: "Gedenk wat Amalek u gedaan heeft op uw tocht, toen gij uit Egypte getrokken waart; hoe hij u onderweg tegenkwam en al de zwakken in uw achterhoede afsneed, terwijl gij vermoeiden uitgeput waart, en hoe hij God niet vreesde". Met andere woorden: bij meer godvrezendheid zou er meer humaniteit van Amalek te verwachten zijn geweest. Abraham horen we tegen Abimelech zeggen 'als hij voor zijn handelwijze met Sara ter verantwoording wordt geroepen: ,,Ik dacht: wellicht is er geen vreze Gods in deze plaats; zij zullen mij doden om mijn vrouw" (Genesis 20 : 11). Maar hij vergist zich, Er is bij die heidenen wel degelijk Godsvrees, zoals ook bij de Egyptische vroedvrouwen Sifra en Pua (Exodus 1 : 17). En bij gevolg is er humaniteit. De rechter uit Jezus' gelijkenis, die God niet vreesde en geen mens ontzag' (Lukas 18 : 2)· is ook buiten de lichtkring van de bijbelse openbaring uitzondering en geen regel, zo mogen we concluderen.- Jaargang 29
- nummer 8
Of is deze conclusie niet iets te snel? Valt het niet op dat dergelijke getuigenissen over heidense Godvrezendheid meer in het begin van de Schrift te vinden zijn dan aan het eind? Dat wil zeggen dat ze afkomstig zijn uit de tijd dat Israël nog maar net zijn eigen weg begonnen was en de algemene Godsopenbaring nog niet geheel uitgewerkt was? En dat het er dus in later tijd met die algemene godvrezendheid veel slechter voorstaat? Dat zou kunnen. Toch schat ik dat er de geschiedenis door omgevingen zijn geweest die in dezen voor een conserverend klimaat hebben gezorgd. Ik denk hier aan de wereldgodsdiensten: jodendom, islam, hindoeïsme, boeddhisme, die tegenwoordig alle onder ons zijn.
Zou christelijke politiek dan vandaag niet hieruit moeten bestaan, dat wij die op godsvrees gegronde humaniteit proberen te bevorderen en daarvoor ook de niet-christelijke religies onder ons trachten te mobiliseren? Dat wij er dus onder het uitdrukkelijk voor ijveren dat de mens in onze samenleving met zijn gezag (5e gebod), met zijn leven (6e gebod), met zijn gezin (7e gebod), met zijn goed (8e gebod) en met zijn naam (ge gebod) veilig is? Vrij bescheiden doelen zouden wij ons dan stellen maar de naam van God zouden wij er publiek 'bij kunnen opheffen. Terwijl wij dan tegelijkertijd- in en vanuit onze kerken luidkeels behoren te betuigen dat wij God als de garant van deze waarden alleen via het middelaarschap van. Jezus Christus kunnen dienen. Het zal dan op de duur wel blijken welke God(sdienst) de langste adem geeft.
Wat was christelijke politiek tot dusverre? Omdat kerk en staat in het verleden elkaar voor een' groot deel overlapten was er wel onvermijdelijk een zekere- vermenging van beide. Ten onrechte werkt deze vermenging vandaag nog door, ook nu de staat al lang geseculariseerd is. Zo bestaat christelijke politiek thans goeddeels uit het anoniem bevorderen van typisch christelijke verworvenheden. Zonder dat Gods of Christus' naam er meer aan te pas komt, is bijvoorbeeld onze verzorgingsstaat een geseculariseerde diaconie. Als ik het goed zie, loopt dit nu ten einde. In ieder geval in één opzicht kan ik daar niet rouwig om zijn. Dat zwijgen over God en dat ondertussen anoniem uitventen van typisch christelijke waarden was en is pijnlijk en beschamend. Er zijn er 'zelfs die een politiek van weerloosheid à la de bergrede voorstaan en tegelijk de naam van de Verlosser - bij Wie weerloosheid alleen mogelijk is! - uit de politiek weghouden. Ik kan het niet betreuren als daar een eind aan komt.
En wat komt daarvoor nu in de plaats? Een samenleving waarin wij met Abraham bang kunnen zijn dat er geen vreze Gods aan deze plaats zal zijn. En dit keer wel terecht. Een postchristelijke tijd waarin het leven de trekken gaat vertonen van de randstad Sodom van eertijds. Een tijd waarin ook de laatste vruchten van het evangelie met wortel en tak zullen worden uitgeroeid. In deze tijd zullen wij moeten breken met de illusie dat de Staat der Nederlanden een soort kerk is, een door de Heilige Geest toebereide bodem, waarin bijvoorbeeld de zelfopofferende naastenliefde kan gedijen. Wij zullen ons in de politiek moeten terugtrekken op' meer bescheiden waarden die slechts ten doel hebben het ergste tussen mensen te voorkomen. Maar dan wel zo dat we daarbij de naam van God nadrukkelijk ter sprake brengen en gebruiken om aldus deze grondwaarden religieus te verankeren en te verstevigen. In de hoop dat andere religieuze systemen dit zullen herkennen en ons daarbij zullen helpen. Het zal dus minder christelijk en meer religieus moeten worden in de politiek, wel te verstaan.
Maar als we zo ‘mikken op de moslims' (want daar komt 't zo'n beetje op neer) halen we dan het paard van Troje niet binnen? Krijgen we dan geen Khomeiny-achtige toestanden? Voorlopig niet, is mijn indruk. En als 't die kant opgaat, zien we wel weer. Christelijke politiek is immers toch meer een soort schetsje lopen door de geschiedenis: een tijdelijk gebruik maken van mogelijkheden om de Overkant te bereiken? In ons tijdsgewricht wil dat zeggen dat wij een strategisch gebruik moeten maken van de versterking van het religieuze potentieel in ons midden. Want het politieke leven lijdt onder een tekort aan godvrezendheid. Het is niet goed als Gods naam nooit klinkt. Daar kwijnt de humaniteit bij weg, ook in haar bescheidenste vormen.
Onlangs hoorde ik Pinchas Lapide spreken op een bijeenkomst in de Nieuwe Kerk in Amsterdam.
Hij begon met te wijzen op de ethische nood waarin het maatschappelijke leven onder ons terecht gekomen is en pleitte op grond daarvan voor een samengaan van synagoge en kerk. Ik denk dat dat niet kan. Jodendom is jodendom en christendom is christendom "and never the twain shall meet" (die twee zullen nooit bij elkaar komen). Toch zullen we op politiek gebied moeten zoeken naar wat we gemeenschappelijk hebben. En daarbij moeten de andere godsdiensten onder ons ook meedoen. Terwille van de leefbaarheid van het menselijk samenleven.
Het zal dus voor de toekomst zaak zijn zeer scherp te onderscheiden tussen kerken staat. Dat zal nog veel radicaler moeten dan tot dusver. Hoe moeilijk dat ook wel eens kan zijn. Om met een concrete toepassing af te sluiten: Mijnentwege had de staatssecretaris de heer De Graaf de moslimgemeente in de Bijlmer aangespoord haar religie te gebruiken om de grondwaarden van het menselijk samenleven, de leefbaarheid en de eerbaarheid onder de mensen, gewetensvol te behartigen.