Kunst

1985-02-22
  • Jaargang 29
  • nummer 8
Misschien ben ik vandaag al verouderd met mijn notitie, want het kan zijn dat het rumoer rondom de toekenning van de P.C. Hooftprijs bedaard is als de stilte na de storm in een glas water. Toch gevoel ik er behoef te aan, om op de kwestie van vorige week in te gaan. Inde eerste plaats om iets te doen dat een beetje lijkt op eerherstel voor m'n vader. De kwestie van deze dagen speelde namelijk in 1963 ook. Mijn vader heeft toen in een Kamerdebat, bij de behandeling van de zaken van cultuur, gevraagd welke normen de overheid aanlegde bij de toekenning van subsidies en prijzen.
Op de achtergrond speelde toen het werk van Gerard van het Reve een rol. Prompt kwam er een lawine van verachting over mijn vader heen: hij was een schoolmeester, een betuttelaar, een zedelijkheidsapostel en een fascist. Men sloeg voor het gemak maar over, dat hij ook betoogd had, dat de overheid soms wel normen stelde. Iemand die in zijn geschriften zich als een antisemiet of als een bewonderaar van Hitter liet kennen, zou zeker niet in de litteraire overheidsprijzen vallen. Waarom dan niet de norm aangelegd dat litteratuur die beloond wordt, niet godslasterlijk mag zijn. Minister Marga Klompé was het met de vraagsteller eens, maar daartoe behoorde toen al een 'beetje moed. En ook toen was de begripsverwarring groot. Het ging er immers niet om of de overheid verbieden moest godslasterlijke schrifturen of schrijfsels die bijvoorbeeld voor leden van het koninklijk huis beledigend waren, maar het ging over de vraag of de overheid zulke pennenvruchten met prijzen· moest belonen.
Ik voelde er ook behoefte aan, om in mijn rubriekje op deze kwestie in te gaan met het oog op de kunstenaars, een vrijwel verwaarloosde groep binnen onze kerkelijke gemeenten. Het is geen grote kunst om met schelden en honen gerucht te maken en publiek te trekken .
Het is een klein kunstje om, zoals dr Rijnsdorp dat eens noemde: Paecaliên te werpen naar het Kruis". Het is niet moeilijk om mensen belachelijk te maken, want ze zijn het vaak, en meestal "hebben zij geen verweer tegen u". Maar een goed kunstenaar weet zich gebonden.
Ja, aan vrij strenge regels. Een kunstenaar die Christen is, weet zich vooral aan Gods regel gebonden. Hij zal zijn vorst geen "leeghoofd" noemen omdat Matt. 5 : 22 hem niet uit de gedachten wil. Hij kalkt niet alles neer op z'n papier, wat hem in de zin komt, Hij beperkt zich.
Wordt hij daardoor tam? Het is met de muziek net zo. Willem de Mérode schreef eens een vers over "De orgelspeler" en hij begon met de zin: "Hij kent nog niet de harde tucht, die ook de zuivre ziel moet stalen". Want in de muziek gelden vele regels: in de maat blijven, spelen wat er staat, handen oplichten als een regel van een koraal uit is, enz. Als dan in ons midden een woord- of toonkunstenaar is, of een 'beeldend kunstenaar, die van de regels weet en vande Regel ook, en zichzelf de harde tucht oplegt waar De Mérode op doelde, dan valt hij misschien niet in de prijzen maar wij zouden rem of haar eens de hand moeten geven, als het werk getoond wordt of gehoord.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief