Woord zonder weerklank (1)
1985-03-01
"Wie gelooft wat wij gehoord hebben, en aan wie is de arm des HEREN geopenbaard?" (Jesaja 53 : 1) - Jaargang 29
- nummer 9
Wanneer Jezus gaat spreken over het lijden dat Hem in Jeruzalem wacht, roept dat bij de discipelen allerlei reacties op. Deze reacties, die uiteenlopen van felle verontwaardiging tot uiterste verbazing, maken op pijnlijke wijze duidelijk, dat het woord van het komende lijden geen weerklank vindt in hun hart.
Dat is onthutsend. Want in de lijdensaankondigingen gaat het om het diepste woord dat ooit tot mensen gesproken is: het 'woord van het kruis. Dit is immers het woord waarin al Gods liefde besloten ligt, waarin de Vader het leven van zijn Zoon aanbiedt als een losprijs voor velen. Maar terwijl veel van wat de Here gezegd en gedaan heeft met enthousiasme is begroet in Israël, heeft men zich gestoten aan het woord van het kruis. Jezus kon dit woord aan de zijnen niet kwijt. Hij stond met dit woord alleen. Een schrijnender situatie is niet denkbaar.
Wie hiervan iets probeert te verstaan, wordt door de evangelist Johannes gezet op het spoor van de profetie. "En hoewel Hij zoveel tekenen voor hun ogen gedaan had, geloofden zij niet in Hem, opdat het woord van de profeet Jesaja vervuld werd, dat hij sprak Here, wie heeft geloofd, wat hij van ons hoorde? En aan wie is de arm des Heren geopenbaard?" (Joh. 12: 37, 38). Daarbij dienen we te bedenken dat Johannes als hij hier van ongeloof spreekt, heel bepaald het oog heeft op de aanstoot die de schare neemt aan de nauwelijks verholen toespelingen van Jezus op zijn lijden. " ... ais de graankorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft zij op zichzelf; maar indien zij sterft, brengt zij veel vrucht voort" (Joh. 1.2: 24). Dat sterven strookt niet met het beeld dat de Joden zich van de Messias hebben gevormd.
Nadat Jesaja in het slot van hoofdstuk 52 heeft aangekondigd dat de verhoging van de knecht des HBREN weerklank zal vinden bij de heidenen (" ...zo zal hij vele volken doen opspringen, om hem zullen koningen verstommen"), horen we in hoofdstuk 53 over de houding die Juda tegenover hem aanneemt, Daarbij blijkt dat Jesaja, op het moment dat hij aan Gods volk moet gaan openbaren dat de knecht des HEREN een lijdende knecht zal zijn, van te voren al weet dat deze boodschap op weerstand zal stuiten. "Wie gelooft wat wij gehoord hebben... ?" Dit staat zo haaks op wat men in Juda verwacht. Wie zal er geloof aan schenken? Maar wàt valt ,er dan zo moeilijk te geloven? Meestal wordt gezegd: de wonderbaarlijke verhoging van de diep vernederde knecht, die vormt het struikelblok. Maar is dat juist? Is het niet veelmeer zo, dat Juda zich hieraan ergert, dat God zijn kracht in zwakheid openbaart? Jesaja vervolgt: "...en aan wie is de arm des HEREN, geopenbaard?". Gods arm, die staat in de Schrift voor zijn krachtdadig ingrijpen, zijn verlossend handelen ten gunste van zijn volk. Daar stel je je iets van voor. Maar de profeet zegt dat de HERE zijn verlossing gaat volvoeren in de weg van de zwakheid van zijn knecht. Wie heeft onze ziekten op zich genomen en onze smarten gedragen? Hij, die zelf een man van smarten was en vertrouwd met ziekte.
Daar precies ligt de aanstoot, Want als God zó te werk gaat, dan betekent dat dat het eigenlijke van zijn verlossend ingrijpen ons ten ene male ontgaat. Terwijl wij Hem hielden voor een geplaagde, een door God geslagene en verdrukte, was Hij bezig onze smarten te dragen. Terwijl wij dachten te maken te hebben met een verworpene, een uitgestotene, was Gods uitverkoren knecht bezig om onze ongerechtigheden op zich te nemen.
Terwijl wij ons verkeken op zijn zwakheid, was de HERE bezig om in die zwakheid de kracht van zijn arm te openbaren.
De profetie van Jesaja is een aanklacht tegen het blind zijn voor Gods werk, een aanklacht tegen het ongeloof onder Gods volk. Ongeloof dat in het licht van het kruis pas ten volte aan de dag zal treden. Maar de profeet spreekt niet vanuit een ivoren toren. Na de klacht in Jes. 5.3 : 1 gaat de profetie over in een schuldbelijdenis, waarbij de profeet zichzelf bij de schuldigen insluit. "Wij allen dwaalden als schapen, wij wenden ons ieder naar zijn eigen weg ... ". Zo algemeen is ook geweest de aanstoot die de mensen genomen hebben aan het kruis. Toen Jezus opging naar Jeruzalem om daar te lijden, ging Hij de weg alleen. Niet alleen de scharen, ook de discipelen waren te zeer met zichzelf bezig, dan dat ze oog hadden voor het eigenlijke werk van de Here.
In zijn brief aan de Romeinen maakt Paulus ons deelgenoot van de niet aflatende pijn die hij in zich omdraagt. Dat zovelen in Israël meenden aan Jezus als de Christus voorbij te kunnen gaan, het was voor hem eigenlijk niet te dragen. Hij komt daarbij terecht op het woord van Jesaja. "Maar niet allen hebben aan het evangelie gehoor gegeven. Want Jesaja zegt: Here, wie heeft geloofd wat hij van ons hoorde?" (Rom. 10: 16). Het woord van het kruis - dat is de ervaring van Paulus geweest - heeft bij velen in Israël geen weerklank gevonden. Toch is de apostel met zonder hoop ..Hoop die hij eveneens uit de profetieën van Jesaja put, als hij even later dit woord aanhaalt: "Ik ben gevonden door wie Mij niet zochten, 11kben openbaar geworden aan wie naar Mij niet vroegen" (Jes. 65 :1). En is Paulus zelf niet een 'teken van deze hoop? Gevonden door Jezus Christus op de weg naar Damascus, op het moment dat hij er zelf op uit was om de gemeente van Christus te vervolgen.
Uit de mond van deze Paulus klinkt de schuldbelijdenis van Jesaja 53 ons als nieuw in de oren: "God echter bewijst zijn liefde jegens ons, doordat Christus, toen wij nog zondaren waren, voor ons gestorven is".