Dies Irae of dies gratie?

1985-03-01
  • Jaargang 29
  • nummer 9
In Opbouw van 25 januari las ik een korte beoordeling van lied 278 van het Liedboek door de liturgische werkgroep Eindhoven. Die beoordeling is ongetwijfeld met zorg gereed gemaakt maar dat neemt niet weg dat ze bij mij vragen opr1ep. Vandaar dat ik mij enkele kanttekeningen veroorloof.

De werkgroep citeert met instemming uit de officiële toelichting, het bekende Compendium, het volgende: "Geen gezangboek is compleet zonder dit lied. Het is zo indrukwekkend, zo schoon dat het altijd weer de christelijke mens heeft geboeid". Mij boeit dit lied niet. In geen enkel opzicht herken ik mijzelf daarin. Het volgende zou ik onder de aandacht van de werkgroep en van de Opbouwlezers willen brengen. En mag ik de werkgroep bovendien verzoeken nog eens te overwegen of het met dit lied wel zo mooi is als de mysticus j. W. Schulte Nordholt doet voorkomen? Het moedigt de gemeente niet aan om welgemoed de Heer de verwachten en zijn terugkeer vol verlangen af te bidden. Veelmeer is hier de bekende bekommerde ziel van de mystiek 'aan het woord. Het karakteriseert· de dag van Jezus' komst als een dag waar je de stuipen van krijgt, als een dag van toorn, een dies irae.

Dag van schrik die aan zal breken
als de Rechter recht zal spreken .
en het kwaad op aarde wreken.
De bazuinen zullen schallen door het dodenrijk
en allen voor de troon terneer doen vallen.

Dood en schepping zullen beven
als de mens verrijst ten leven,
als hij rekenschap zal geven.

Hoe heeft men dit lied samen met nr. 300 - Eens als de bazuinnen klinken - in een en dezelfde bundel kunnen opnemen? In nr. 278 doen de bazuinen je neervallen en. angstig klagen (str. 3, 17), in nr. 300 doen ze je zingen en de loftrompet steken. Lied 278 geeft de indruk dat de bruid klappertandend haar Bruidegom verwacht. Kermt ze niet:

Grote Rechter van de wrake, (toernaar, A.J.M.)
laat mij uw vergeving smaken
voor Gij 't vonnis op zult maken. (str, 11)

Hoor, ik roep in angstig klagen, (u ook? A.J.M.)
't hart verbrijzeld en verslagen,
red mij op die dag der dagen. (str.17)?

De apostel Paulus slaat een andere toon aan. Die roemt: "Wij dan, gerechtvaardigd door het geloof, hebben vrede met God door onze Here Jezus Christus, door wien ... en roemen in de hoop op de heerlijkheid Gods, - Rom. 5: 1, 2. Deze roem is dit gezang vreemd. Liederen als dit zullen het verlangen naar de terugkomst van onze Heer niet Ievendig houden. Eerder doven zij dat verlangen en doen op de duur het gebed om Jezus komst verstommen .Daarom zullen onze kerken er goed aan doen dit lied buiten haar eredienst te houden. Daarmee is niet gezegd dat
er in de gemeente geen ruimte is om met de zondaar of met de aangevochtene mee te klagen.
Maar dan moet dat niet gebeuren op de wijze van dit lied als zou dit kermen eigen zijn aan de gemeente van Christus vanwege Jezus komen op de wolken. Wel kan er met de zondaar of de aangevochtene mee gekermd worden op de manier zoals er met psalm 25 gezongen, de diepte van de schuld beleden, en 'de genadige goedheid van de HERE geprezen wordt. Maar dat kom je buiten de psalmbundel niet gauw tegen. We moeten geen gezangen aantrekken die de gemeente doen steunen en kreunen op de melodie van de middeleeuwse mystiek. Het is dit lied goed aan te zien dat het t: aldus het Compendium - stamt uit de kringen van de Franciscaner mystiek.
Moet de gemeente van Christus, gered door zijn. bloed, klagend bijna alle 17 coupletten zingen in de trant van:

Is de Rechter dan gezeten,
dan zal Hij 't verborgene weten,
alle straf wordt toegemeten. (str, 6).

Waar moet ik dan van gewagen?
Welke helper moet ik vragen?
Niemand kan uw oordeel dragen. (str. 7)

Dit vertwijfeld vragen en zuchten aangaande de heerlijke dag van de redding van de gemeente tot haar eeuwig behoud zal er toe leiden dat zij de dag van Christus van zich af duwt en de gedachte daaraan gaat verdringen. Met een gezang als dit op het bord verleert de gemeente met psalm 98 te roemen:

Laat alle zeeën, alle landen
Hem prijzen met een blij geluid.
Rivieren klappen In de handen,
de bergen jubelen het uit.
Hij komt ...

Wat een verschil in toonzetting! Deze psalmregels zijn met het oog op de komst des HEREN een en al opgewektheid en vreugde. Prijzende zeeën, klappende handen, jubelende bergen - het kan niet op. Hij komt! Helaas, lied 278 is ver af van dit blij verwachten. En ver vim het bemoedigend woord van onze Heer: "Wanneer deze dingen beginnen te geschieden, richt u op en heft uw hoofden omhoog
want uw verlossing genaakt", Luk. 21: 28. Zeker, dit lied weet van de bede om vergeving en genade. Het zingt evenwel niet vanuit die vergeving en vanuit de in Christus herstelde relatie met God. Het doet net of je van die genade nooit zeker kunt zijn zodat je slechts een beetje kunt hopen dat je die op 't laatste nippertje alsnog ontvangt.
Maar het lijkt volgens dit lied wel een dubbeltje op z'n kant:

Hoor, ik roep in angstig klagen,
't hart verbrijzeld en verslagen,
red mij op die dag der dagen. (str. 17)

De mystiek koestert klagen, kreunen, kermen. Maar in de samenkomst van de gemeente hoort dit bibberen en beven, dit lamenteren van het mysticisme niet thuis.
Het dies irae-lied maakt in de Latijnse versie al sinds eeuwen deel uit van de dodenmis van de R.K.
Kelk Daar is het wellicht op z'n plaats omdat het daar kan functioneren als uitlaatklep voor vagevuurangsten. Onze kerken kennen die niet en behoeven die uitlaat niet. Onzekerheid en angst t.a.v. Christus' komst dienen op pastorale wijze opgevangen te worden zoals Jezus Petrus op z'n gemak stelde met de woorden: "Wees niet bevreesd..." Luk. 5 : 10. Dit lied voedt evenwel zulke angsten of onzekerheid. Het verwoordt helaas niet wat het evangelie aan verlangen, hoop en blijdschap bij de bruid werkt vanwege de beloofde komst van haar Bruidegom.
Gelet op de gemeente en mijzelf kan ik niet met een eerlijk geweten de hiervoor genoemde strofe 17 zingen. Het is triest dat dit gezang in deze (puur liturgische") noodkreet blijft steken; strofe 17 is de láátste strofe! Hier mis je de zekerheid en de roem van het evangelie en van de belijdenis der kerk. "Wat tróóst u de wederkomst van Christus om te oordelen de levenden en de doden?", H. Cat. vr. 52.
De leden van de werkgroep Eindhoven zullen het met mij eens zijn dat we niet hebben op te zien tegen de terugkomst van onze Heer. Vol verwachting mogen wij ons spoeden naar die dag, 2 Petr. 3 : 12. En nu ik het toch over het Liedboek heb, het spijt mij bij nader inzien nog altijd dat wij in Breukelen op één namiddag 134 gezangen ons fiat gaven. Moeten de plaatselijke kerken in dezen niet meer hun verantwoordelijkheid kennen en zelf toetsen?

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief