Ex Libris

1983-03-18
  • Jaargang 27
  • nummer 11

In een hoek van mijn studeerkamer ligt een stapeltje boeken mij al geruime tijd verwijtend aan te kijken: komen wij in Opbouw nog eens aan de beurt? En nu kan ik wel allerlei omstandigheden als excuus aanvoeren, de lezer moet maar van mij aannemen dat geest en vlees beide wel gewillig maar ook zwak zijn! Laat ik nu maar proberen mijn schuld in enkele porties weg te werken: op afbetaling dus.
Ik begin met enkele dichtbundels.

"De schreeuw in je hand" is van Hemen W. Rasker, uitgever: Buijten en Schipperheijn.
De wat merkwaardige titel heeft betrekking op het boekje zelf; het is een kreet, een "schreeuw" in de hand van de lezer (of op zijn tafel natuurlijk).
Het eerste gedicht (“titelvers") neem ik over:

L.S.

geworden door de liefde
is de schreeuw in uw hand
bezield met levend licht

bevreesd heb ik geschreeuwd
ik weet uw scherpe tong
uw hard oordelende blik

eigenlijk is u mij vreemd
mijn broeder en mijn zuster
hoewel vreemd is u mij eigen

in Christus

Nu wil ik niet met een scherpe tong en een hard oordelende blik te werk gaan, maar ik moet toch wel enkele kritische opmerkingen maken.
Waaróm of waardóór "is u mij vreemd"? Begint iemand zó een poging tot contact? En wat is dat voor een beeldspraak: een schreeuw die bezield is met levend licht? Deze uitdrukking stoort mij dés te meer doordat ze in het volgende gedicht nóg eens voorkomt. Was de schrijver zo blij met deze vondst?
Taal is nog altijd communicatie.
Daarom hindert het mij, als ik boven een gedicht zie staan: abbedon.
Moet ik mij schamen omdat ik het woord niet ken? Dat zoeken we op.

Maar Van Dale kan me niet helpen!
Dus vraag ik het aan één van mijn vrienden en ja, hoor: het is theologentaal.
Het moet zoiets als "verderver" betekenen, Maar waarom niet "satan" of iets dergelijks gebruikt?
Ik neem nóg een gedicht over, mijns inziens niet het zwakste uit de bundel.

Godloos

vakbond.

reik mij je hand
ik druk het stempel
en zal je eten geven

ik zal je god zijn
schuur dus het teken
van je voorhoofd

reik mij je hand
ik zal het stempel
schroeiend in je drukken

maar meer nog
geef mij je hart
dan zul je kennen.

Dat zoiets denkwerk vraagt, is geen bezwaar, maar de beelden zijn mij niet allemaal duidelijk. Ik denk aan het teken uit Openbaringen, zonder dat teken zal niemand kunnen kopen of verkopen en de mensen krijgen het op hun rechterhand of op hun voorhoofd. Het teken dat weggeschuurd moet worden, zal wel het Kaïnsteken zijn dat beschèrming biedt van Godswege. Het "kennen" in de laatste regel verbind ik met het paradijsverhaal en de leugen van de slang. Dat past allemaal goed in deze bundel; de gedichten zijn volgens de schrijver een "wacht" tegen die slang, die satan. Maar waarom el' "vakbond" boven moet staan?
Nog enkele losse kritische opmerkingen: "ik herken je gezicht zelfs bij nacht" overtuigt niet. Het woord nacht moet natuurlijk aangeven dat het pikkedonker is, welnu, dan is geen enkel gezicht te herkennen, althans niet met de ogen! In het gedicht “Avondmaal" lees ik:

U werd vergoten en verbroken
verplettert mijn spiegelruit.

Ook die beeldspraak deugt niet!
Ik vrees dat de meeste lezers van Opbouw niet zo erg veel genoegen van deze bundel zullen beleven. Wie er nadere studie van wil maken, kan het boekje voor f 9,90 aanschaffen.
Lenze L. Bouwers schreef 'n bundel gedichten onder de titel "Nieuws onder de zon". De uitgever is Kok in Kampen, de prijs f 8,90.

Opnieuw een schrijver die het niet op recensenten heeft begrepen:

Incisie

het mes erin: zachte heelmeesters
wassen de vunzig stinkende wonden
van hun kostbare klanten niet schoon

0, kritiek, hoe hoog is uw loon!

Lodewijk van Deyssel zou gezegd hebben: Maar beste Lenze L. Bouwers, je hoefde toch niet te publiceren?

Het bovenstaande wordt in de bundel voorafgegaan door:

van harte gefeliciteerd

achter het gebakje en de glimlach
verberg ik de angst voor de opdracht:
pak het woordmateriaal ambachtelijk aan,
schrijf aan je werktafel alleen waarheid

of zwijg voortaan

Nou dan! En wie niet zwijgt, moet niet zo bang zijn voor kritiek.
Er staan meer gedichten in die willen aangeven hoe moeilijk het eigenlijk is gedichten te maken. Bouwers is echt niet de eerste die dat zegt.
Anderen hebben hetzelfde vóór hem gedaan, en beter! Ik zie niet in wat een lezer aan die ontboezemingen heeft. Er staan ook wel aardige, leesbare gedichten in deze bundel; ik noem b.v. "moeder" en "herinnering", maar mijn leesplezier wordt door de schoonheidsfouten bedorven.
En ais ik dan het slot lees van “zomeravond" :

't is of ik m'n opa
weer vertraagd hoor praten:
de nacht, de nacht zal vallen
ook over wèst-europa

dan denk ik even aan Marsman en Roland Holst. De Prediker had wèl gelijk er is niets nieuws onder de zon!

Hijzag het in de kerk niet meer zo zitten,
Daar was de liefde ook niet steeds te zien,
En overwoekerden de aardse dingen
Het pas gezaaide woord van God misschien.

Die tweede regel is natuurlijk veel te zwak. De liefde is er soms wèl te zien, maar als iemand zich van de kerk afkeert, is daar een ándere reden voor: het tégendeel van liefde kun je in de kerk ook tegenkomen!
Lees maar liever Veefkind, Bij hem vind Je ze allebei. En wat hebben die twee volgende regels met het voorgaande te maken? Het effect wordt bovendien -volkomen teniet gedaan door het woord "misschien".
Ik citeer nu ook nog de laatste twee regels van dit gedicht:

Twee sterke vuisten leerden zich weer vouwen.
Een kind van God, weer terug van weggeweest.

Vuisten vouwen zich niet! Het gebruik van "weer" is taalkundig fout (zoiets heet een pleonasme) en metrisch deugd die regel ook niet.
Ik herinner mij dat ik "Het Pooregie" eens eerder gelezen heb, waarschijnlijk in een kerkelijk blad, misschien zelfs wel in Opbouw. Ik neem alleen de tweede strofe over:

Ze weet nog, hoe ze dikwijls heeft gemopperd,
En dan jaloers op haar vriendinnen was.
Dat er veel liefde woonde in hun huisje,
Waardeer je vaak als kind veel later pas.

Die laatste regel is volkomen mislukt.
Het woordje "je" is fout want het gaat over een "ze". En alls je láter iets gaat waarderen, ben je geen “kind" meer. Bovendien is de zin zó in elkaar gewrongen dat het woord "pas aan het eind kwam te staan, omdat het moest rijmen op "was" .
Nee, bij uitgeverij Kok mogen ze daar wel eens wat aan doen!
Misschien heb ik de schrijfster en sommige lezers pijn gedaan met mijn kritiek, maar ik kan moeilijk anders. Wie de techniek niet beheerst, zal nooit "kunst" kunnen rnaken. Er zullen wel mensen zijn die zich door de gedachten van de schrijfster aangesproken voelen, maar willen wij ooknog eens iets te zien krijgen van echte kunst uit de hoek van ons calvinistisch volksdeel, dan zal toch een betere smaak ontwikkeld moeten worden dan die voor zulke "versjes". Dat moest toch nog maar eens gezegd worden.



Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief